< Terug

Leven vanuit de toekomst en leven vanuit het verleden

Bij Jesaja 66,10-14 en Lucas 10,1-20

Wie verband wil leggen tussen de oudtestamentische lezing en de evangelielezing kan dit doen via het onderwerp ‘Gods volk en de volkeren’. Want zoals uit Jesaja 56-66 blijkt, hebben ook de gojim te maken met de onverwachte (kinder)rijkdom van vrouwe Sion. Zij, de volkeren der wereld, zijn het tot wie de tweeënzeventig zich moeten richten. Daarnaast bieden beide teksten een overvloed aan andere mogelijke thema’s.

Aan het einde staat Jeruzalem

Het laatste woord van profetisch-apocalyptische teksten geldt niet alleen in Jesaja 66: de stad van God die dan uiteraard voor haar bewoners staat, en dus algemeen voor degenen die bij God thuishoren. Ook het tweede gedeelte van het Jesaja-boek eindigt op deze manier. Na de verovering door Nebukadnessar en het wegvoeren van een deel van de bevolking wordt Jeruzalem als nagenoeg ontvolkt ervaren. Voorgesteld als een vrouw zonder kinderen, wordt zij in Jesaja 54,1vv aangespoord in jubel uit te barsten, want ze zou kinderen in grote aantallen hebben. Een visioen van hoop voor degenen die er nog woonden. De schrijver van onze tekst borduurt hierop voort – en varieert tegelijkertijd. Nu worden degenen aangesproken die Jeruzalem liefhebben en die om haar treuren. Zij zijn de kinderen van vrouwe Jeruzalem, zij zullen aan haar borsten drinken en verzadigd worden, op de heup gedragen en op haar schoot gewiegd worden. Later bouwt het boek Openbaring op deze traditie voort. Het nieuwe Jeruzalem dat de schrijver van de hemel ziet neerdalen, is vrij van alle verdrukkingen die het leven van de gemeentes in zijn tijd kenmerken (Op. 21). Waar het einde van een bijbeltekst focust op Jeruzalem – hetzij als vrouw, hetzij als stad – gaat het om de troostende boodschap dat God op het lot van zijn mensen toeziet en het zal keren.

Anticiperen op de toekomst

Zij zien nog niets van de toekomst. Hun leven is in het hier en nu. Jeruzalem is verwoest. Hoe moet het ooit weer beter worden? Het enige wat je kunt doen is rouwen en God smeken. En rouwen betekent vasten. ‘Allen die om haar treuren’ (Jesaja 66,10) zijn mensen die vrijwillig afstand doen van eten, mensen met honger, mensen die zeker niet jubelen en juichen. Tegen mensen in rouw spreekt de profeet in een taal die niet genoeg woorden voor vreugde en jubel kan vinden, mensen met honger voorspelt hij verzadiging en verkwikking aan de rijke volle borsten van Jeruzalem (vs. 10-11). Hij vraagt veel van hen. Ze moeten anticiperen op een toekomst waarvan nog niets te zien valt, ze moeten hun bevindingen relativeren waar deze absoluut lijken te kloppen, ze moeten hun eigen tijd overstijgen terwijl ze onder de actuele gebeurtenissen bedolven zijn. De profeet voorspelt zelfs dat de toekomst verrassend snel zal aanbreken: nog voor de barensweeën inzetten, zal Sion bevallen (vs. 7).

Vraagt hij niet té veel? Kun je bij voorbaat juichen terwijl alles om je heen aanleiding geeft om te huilen? Wekt een dergelijke oproep niet onmiddellijk afwijzing en verzet op? En: is het werkelijk zinvol om je niet laten raken door wat je overkomt? Leef je dan überhaupt? Uiteraard is er niet één antwoord. In onze tekst worden mensen aangespoord zich juist niet in hun put in te richten, terwijl het op andere momenten goed zal zijn om er niet uit te klimmen voor je de bodem hebt gevoeld.

Eén boodschap

Alleen Lucas vertelt dat er zeventig of tweeënzeventig – de tekstgetuigen verschillen hier onderling – ‘andere’ leerlingen aangesteld werden om overal heen te gaan waar vervolgens ook Jezus wilde komen. Kennelijk verwachtte Lucas van zijn lezers dat zij de in zijn tijd gangbare, op verschillende teksten van de Schrift gebaseerde traditie kenden volgens welke de wereldbevolking zeventig of tweeënzeventig volkeren bevatte. Zo uitzonderlijk als deze groep van zendelingen op de achtergrond van de vier evangeliën mag schijnen, zo verrassend vertrouwd klinkt de inhoud van wat zij moeten verkondigen. Er zijn duidelijke overeenkomsten met de opdracht aan de twaalf aan het begin van het negende hoofdstuk. Matteüs 9,37-10,42 heeft de in Lucas 9 opgenomen traditiestukken en die van Lucas 10 tot één grote uitzendingstoespraak geredigeerd. Er is geen verschil tussen wat de twaalf ten tijde van Jezus moesten doen en verkondigen aan de ene kant en de opdracht aan de tweeënzeventig voor de hele wereld aan de andere. De boodschap blijft dezelfde.

Het ideale verleden

Voor Lucas’ eerste lezers en luisteraars bevat de tekst van Lucas 10 dus twee lagen. Aan de ene kant kunnen zij de tekst opvatten als een verhaal uit het leven van Jezus, aan de andere kant klinkt hun eigen tijd door de tekst heen, namelijk de tijd waarin de boodschap van Jezus inderdaad in grote delen van het Romeinse rijk werd verspreid. Zonder dat het helemaal in hun tijd past. Want zendelingen die letterlijk zonder ‘geldbuidel, reistas en sandalen’ onderweg waren en niemand groetten, waren toen al een uitzondering. En wat moesten zij, die toch veeleer ergens rond de Egeïsche Zee moeten worden gezocht dan in Palestina, met de spreuken tegen Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm? Zeker, Lucas verwijst vanuit de traditie naar het heden, maar hij verwijst ook vanuit het heden naar het verleden. De tijd van Jezus was een soort ideale tijd, net als de tijd van de eerste gemeente in Jeruzalem aan het begin van het boek Handelingen. Reeds Lucas’ publiek van toen wordt uitgedaagd om hun heden aan het verleden te relateren – zonder dat hij ergens suggereert dat dit verleden één op één kan worden omgezet naar het heden.

Discipelen genezen

Bij gebrek aan meer ruimte aan het einde nog een korte overweging. Lucas legt nadruk op de genezende activiteiten van de discipelen. De tweeënzeventig vertellen slechts één ding bij hun terugkeer: dat zij – tot hun eigen verrassing – mensen hebben genezen en bevrijd van vreemde machten. Wat doen wij vandaag met deze heilzame werking van christenen?

Bij Jesaja 66:10-14 en Lucas 10:1-20

< Terug