< Terug

Maar het rijmt niet

De vrouw die Jezus’ voeten zalft

Lucas 7:36-50 vertelt over een bezoek van Jezus aan een farizeeër. Tijdens het bezoek komt een vrouw binnen die in de stad bekendstaat als zondares. Zij giet geurige olie over Jezus’ voeten, waarop zich een gesprek over liefhebben en de vergeving van zonden ontspint. Het is een vreemd voorval, en nog vreemder is de conclusie die Jezus eraan verbindt. Een gedicht van Herman de Coninck over de kwetsbaarheid én de kracht van poëzie verschaft helderheid.

Bijbelverhalen zijn als een kamer met een deur die naar buiten open moet gaan. Duwen helpt niet. Geduld helpt af en toe. En soms helpt het om een andere tekst als sleutel te proberen.

Het verhaal van Lucas gaat niet zomaar open. Hij heeft een andere plaats voor dit verhaal dan de andere evangelisten, veel verder weg van het eind en daarmee niet zo direct gekoppeld aan de dood van Jezus. Hij heeft een centrale rol voor een zondares. Wat bedoelt Lucas daarmee? Centraal in veel commentaren staat de zin: ‘Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde.’ Hoe moet die zin gelezen worden? Laten we eerlijk zijn, het is toch ook een raar beeld dat Lucas gebruikt. Stel je voor: je zit rustig te eten, komt er een vrouw binnen die zo hard huilt dat je voeten er nat van worden. Wat zeg je? Wilt u even ergens anders gaan huilen, mijn voeten worden nat? Vervolgens droogt zij met haar haren je voeten af en wrijft ze in met olie. Geef daar nou eens een betekenis aan.

Poëzie
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
zo helpt poëzie.

Herman de Coninck, Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt, De gedichten, : De Arbeiderspers 1998.

De redactie van Interpretatie legt een gedicht van Herman de Coninck op tafel. Zou dat als sleutel kunnen dienen? Het is een toegankelijk gedicht met een beeld dat de lezer meteen voor zich ziet.

Eerst de tekst van dit gedicht nader onderzoeken. De vorm is veelbelovend. Zo op het eerste gezicht is het een helder beeld waar het hele gedicht op gebaseerd is: je dochter is ziek, ze heeft hoge koorts en je zit er machteloos naast en legt om iets te doen je hand op haar hete voorhoofdje. Een magisch gebaar, waarvan de hedendaagse mens weet dat het niet zal helpen. De koorts zakt er niet door. Toch doet iedereen dit zonder het geleerd te hebben. Gewoon als uiting van je liefde voor je kind, als uitdrukking van troost. En – ja, dat ook – als bezwering van alles wat er bij een doodziek kind door je hoofd schiet. Niet doodgaan, mijn zelfgemaakt verdrietje. Bij die regel keer je als lezer terug. Zelfgemaakt? Mijn miniatuurmensje? De dichter plaatst zich in de rol van schepper. De ouder als de maker van zijn kind. Het klinkt heel dapper, maar het maakt die ouder niet minder kwetsbaar. Juist naast een ziek kind weet een ouder heel goed dat leven een geheim is. De beelden zetten de lezer wel op een spoor. Want de dichter is wel de schepper van zijn poëzie. Die woorden heeft hij gevonden en op zijn plaats gezet. Het gedicht roept een aantal zinnen en beelden op:

Zo kwetsbaar als een neerdwarrelende sneeuwvlok,
zo kwetsbaar als een ouderlijke hand op het hoofd van een
ziek kind,
zo kwetsbaar als wij zijn in onze kinderen,
zo kwetsbaar als woorden van liefde.

Zo kwetsbaar is poëzie.

Met deze woorden en beelden begint er van alles te klinken in de kamer van Lucas. Het is een raar verhaal. Jezus gaat eten bij een man met gezag en verantwoordelijkheid. Er zullen serieuze zaken aan de orde komen. Zoals dat nog steeds gaat, zal het gesprek gaan over teksten en de uitleg ervan. Zo gaat dat tussen geleerden. En dan is er opeens een vrouw die zich huilend op Jezus stort. Maar in plaats van haar weg te sturen, richt Jezus alle aandacht op haar. ‘Zie je die vrouw, Simon?’ vraagt Jezus aan zijn gastheer. Ondertussen is die vrouw drukdoende om Jezus’ voeten af te drogen met haar haar en ze te kussen. Vervolgens giet ze er zwaar ruikende parfum overheen.

Huilen

Waarom huilt deze vrouw? Wanneer huilt iemand zo hard dat de tranen niet te stelpen zijn? Dat je er nat van wordt? Als iemand dood is. Dat is de eerste gedachte. In de praktijk is dat meestal niet zo. Het verdriet is dan te groot. Het huilen is ingehouden. Ook in Lucas’ boek is dat zo. Aan het graf huilen de vrouwen niet. Met het beeld van het gedicht: je huilt niet als je dochtertje doodziek is, en ook niet als ze dood is, maar als ze aan de beterende hand is. Als het besef daar is wat een angst er opgeroepen worden door het dreigende verlies, als de vreugde over de verbondenheid zich mengt met het verdriet om allen die uit de verbondenheid verdwenen zijn. Bij Lucas werkt dat net zo. Een bladzijde verder schrijft hij over het dochtertje van Jaïrus. Jaïrus en zijn vrouw, zij huilen niet als hun dochter gestorven is, dat doet de buurt. Maar wat zullen zij gehuild hebben toen hun dochtertje zich oprichtte. Is dat wat Jezus bij die vrouw losmaakt? Zij is een zondares, dat staat er wel twee keer. Klassiek is de invulling van die zonden: de betaalde liefde. En met die uitleg ontstaat er een prachtig beeld van die vrouw die in dit gedeelte van Lucas mateloos liefheeft en geeft om niet. Terwijl zij als prostitué leeft van de schijn van mateloos liefhebben. Een schijn die zij opvoert voor geld. Die schijn is hier voorbij. Jezus heeft haar blijkbaar bij haar behoefte aan liefde opgeroepen. Een prachtige uitleg, maar als Lucas een hoer wil laten opdraven, dan had hij dat vast wel gedaan. De schrijver Herman de Coninck helpt de lezer om dit te beseffen. Hij wikte en woog zijn woorden ook net zolang tot er een toegankelijk gedicht stond. Zijn collega-schrijver Lucas gebruikt ook geen woord zonder te beseffen dat elk woord ertoe doet.

Een huilende zondares, ontroostbaar snikkend om wat Jezus bij haar los had gemaakt. Dat beeld naast de kwetsbare liefde die het gedicht oproept, maakt een andere interpretatie mogelijk van de daden die deze vrouw tot zondares maakt. Zij had lak aan die kwetsbaarheid. Zij had zich onaanraakbaar gesloten. Zij wilde niet machteloos aan kinderbedjes zitten en gebeden prevelen die niet helpen. Zij heeft op eigen kracht het slagveld van de liefde betreden. Zij nam wat zij wilde. Zij gaf wat zij wilde. Zij betaalde en kocht liefde, vrolijkheid, vervoering. Zij las poëzie. Het spel met de magische beleving van de werkelijkheid kon zij waarderen. Het hielp tegen de leegte. Het hielp niet tegen het grote verdriet van mislukte relaties, van te jonge doden, van tekort.

al die kwetsbaarheid huilt zij bij de man die kwetsbaarheid voorleefde, die in alles liet zien dat kwetsbaarheid een leven waard is. Dat liefde helpt, zoals poëzie helpt.

Gaat de deur open?

Wie zijn tekorten durft aan te raken, die heeft ook veel te geven. Is dat wat Jezus tegen Simon zegt? Simon, heb jij alles op orde in je leven? Zijn je rekeningen vereffend? Doe je niemand tekort? Ja, je denkt goed na over wat je zegt en doet. Je zorgt en neemt verantwoordelijkheid. Jouw zonden zijn hooguit kleine tekorten. Goed te overzien. Het stelt niet veel voor. Je kunt het goed aan. Daar hoef je niet diep voor door het stof. Zie je deze vrouw? Zij raakt aan lagen van liefhebben en kwetsbaarheid die jou angstig maken. Jezus spreekt Simon aan. Zulk soort overgave is ook niet normaal. Maar veroordeel het toch niet, want je hebt jezelf ermee. De grens tussen binnen en buiten wordt door oordeel bepaald. Je kijkt en ziet een hysterica die een zooitje van haar leven heeft gemaakt en bent dankbaar dat jij niet bent als zij. En met dat je zo denkt, bevind je je buiten de kwetsbaarheid. Zonder kwetsbaarheid geen liefde.

Die vreemde regel van Lucas waarin Jezus zegt: ‘Daarom zeg ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde.’

Die regel valt op zijn plaats. De één heeft meer nodig dan de ander. De één kan meer liefde aan dan de ander. Maar niemand kan zonder, want iedereen is een miniatuurmensje, en iedereen is voor anderen een verdrietje, van tijd tot tijd. Bestaat er wel een duidelijke gradatie van liefde? De mini-gelijkenis maakt het niet eenvoudiger.

Degene die een grote schuld is kwijtgescholden is niet als vanzelf dankbaarder dan degene aan wie een kleine is kwijtgescholden. Kortom: de zondares is niet dankbaarder dan Simon, maar zij weet beter van de noodzaak van kwijtschelding. Wie veel liefde geeft, heeft veel liefde ontvangen. Wie naar liefde verlangt, is bereid veel te geven. Wie weet van liefde afhankelijk te zijn, is gevoelig voor wie liefde te geven heeft.

De deur gaat open.

Zo helpt poëzie.

Maar het rijmt niet.

< Terug