< Terug

Machthebbers hebben weinig vrienden

Alternatief bij Ester 5:1-6:11

In hoofdstuk 4 wordt de verandering beschreven die Ester doormaakt. Van mooi meisje dat luistert naar haar oom en haar komaf verzwijgt, dat luistert naar de hoveling die haar aanraadt zich op te doffen, en dat de wetten van de koning niet wil overtreden ondanks de dreigende catastrofe voor haar volk; naar een koningin die bevelen geeft, die uit haar eigen schaduw treedt en moed bewijst: ‘Ga (…) doe niet (…) ik zal (…) ik zal gaan’ (4:16). Zij verandert van iemand die de blik naar binnen richt, in iemand die opkijkt en het wezenlijke in zicht neemt.

Een wispelturige potentaat

Het wezenlijke voor koning Ahasveros zijn uiterlijkheden, zoals mooie vrouwen en feestvieren. Hij hangt zijn vlag naar de wind van de parvenu Haman en staat met een pennenstreek de vernietiging van een heel volk toe. Een wispelturige man met grote macht. Ester gaat op de uiterlijkheden in. Op de derde dag van samen vasten (4:16) maakt zij zich op, gesterkt door de solidariteit van de gemeenschap, en kleedt zich ‘koninklijk’ (5:1). Wel zes keer komt ‘koning’ voor in dit vers, wat van Ahasveros welhaast een karikatuur maakt.

Ester staat er te staan. De midrasj ziet tussen het staan van Ester (5:1) en het zien van de koning dat Ester er staat (5:2) een tijdvenster met een heel tafereel: de koning wordt witheet omdat Ester ongevraagd voor hem verschijnt. Maar God geeft haar nog meer schoonheid en gratie waardoor de koning opspringt van zijn troon, naar haar toe rent en haar omhelst en vraagt: ‘Waarom heb je niet tegen mij gesproken toen ik je zag staan?’ Ester antwoordt: ‘Majesteit, ik was overweldigd door uw waardigheid.’[1] Ester wordt hier afgeschilderd als een timide vrouwtje, dat door God geholpen moet worden. In de bijbeltekst heeft ze deze periode achter zich gelaten. Blijkbaar bergt Ester, net als Wasti, gevaar voor de mannelijke autoriteit.

De koning én Haman

Als we de karikaturale leesaard blijven hanteren, zien we dat Ahasveros Ester direct begeert, al heeft hij haar in geen maand gezien. Hij wil alles voor haar doen, zelfs de helft van zijn koninkrijk afstaan, wispelturige potentaat die hij is (5:3). Misschien is de koning toch niet zo oppervlakkig en onberekenbaar en realiseert hij zich dat Ester niet voor een kleinigheid haar leven zou riskeren. De Vilna Gaon (Lets, Joodse geleerde,18e eeuw) neemt de koning serieus: Ester was zo bleek (door het vasten) dat hij dacht: Haar verzoek moet heel belangrijk zijn, ik wil haar zo vlug mogelijk helpen.[2] Daarom roept hij: ‘Schiet op’ (5:5).

Als zij haar doel wil bereiken, moet Ester voorzichtig handelen. Zij vraagt de genodigden op haar terrein. Haman moet zich gevleid en veilig voelen: wat een eer als enige samen met de koning bij de koningin uitgenodigd te zijn! Zij wil de koning en Haman samen met het feit confronteren dat zij, Ester de koningin, doel van het complot zal zijn. Anders zou Haman zich eruit kunnen praten.

Tijdens het feest dringt Ahasveros weer aan, maar Ester verhoogt de behoefte bij de koning en het veiligheidsgevoel bij Haman door niets te zeggen en hen opnieuw uit te nodigen (5:6-9). Opvallend genoeg spreekt zij niet meer over ‘voor hem’ (nl. de koning met Haman – 5:4), maar over ‘voor hen’ (5:8), als gelijkwaardigen, omdat zij jaloezie of wantrouwen bij de koning wil wekken (Alkabetz, Griekenland/Israël, 16e eeuw). Een potentaat moet er altijd op letten of mensen in zijn omgeving voor hem gevaarlijk worden. De tactiek werkt: Haman is uitbundig tevreden over de situatie (5:9). Ester hoopt dat hij de volgende keer zijn ‘schilden’ heeft laten zakken, waardoor hij weerloos wordt.

Antisemitisme

In hetzelfde vers loopt Haman weer de rebelse Mordechai tegen het lijf. Volgens de Joodse traditie dacht Mordechai tot nu toe dat de vriendschap met de koningin hem beschermde. Maar hij was niet bij Ester uitgenodigd. Daarom denkt Mordechai dat zij niet om hem geeft.[3]

Haman wordt nog kwader over Mordechais weigering om voor de grote, door de koning gepromoveerde en door de koningin geëerde Haman te buigen. Bij de eerste keer was het beneden zijn waardigheid om iets tegen Mordechai alleen te ondernemen (3:6); maar nu deze zelfs ‘geen spier vertrok’, dus Haman compleet negeerde, verzint hij een reden om hem persoonlijk te vernietigen. Tegenover zijn vrouw geeft hij de ware reden niet toe, maar zegt hij dat ‘de Jood Mordechai niet in de poort van de koning hoort te zitten’. Hier wordt een bekend beginsel van antisemitisme beschreven.

Zijn vrouw is het roerend met hem eens. Om veilig te stellen dat Mordechai zal verdwijnen, stelt zij een karikaturaal hoge galg van meer dan vijftien meter voor, die hij vanuit het paleis zal kunnen zien als hij met de koning feestviert. Een galg, omdat nooit een Jood op wonderbaarlijke wijze van een galg is gered, wel uit een leeuwenkuil, uit vuur en uit de kerker.[4]

De Talmoed ziet in het feit dat de koning een slapeloze nacht heeft, dat Ester ook bij hem bereikt heeft wat zij wilde: het wantrouwen van de koning wekken tegenover Haman (Talmoed Bavli, Megillah 15b). Waarom heeft Ester Haman naast mij uitgenodigd? Wordt hij gevaarlijk? Heb ik een vriend die details weet? Machthebbers hebben weinig vrienden. Daarom laat hij zich uit de annalen voorlezen en stuit daarbij op de naam van Mordechai. Daarmee kan het verhaal verder op zijn ontknoping afsturen.

Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.

Noten

[1] ArtScroll Tanach Series, The Megillah – Esther, 84.

[2] ArtScroll (supra, n. 1) 84.85.

[3] ArtScroll (supra, n. 1) 87.

[4] ArtScroll (supra, n. 1) 88.

< Terug