< Terug

Meditatie Exodus 2:3

De arke des behouds – Part Two (Exodus 2:3)

Het verhaal van Mozes in het biezen mandje is een ontroerende parel binnen het geheel van Exodus, waar in de overige hoofdstukken de nodige rake klappen vallen. Het boek begint met een angstaanjagende beschrijving van de terreur van de farao. Vervolgens is Mozes’ eerste verzetsdaad een geval van doodslag. Als Mozes zijn straf heeft uitgeboet in de woestijn komt hij terug, maar vanaf dat moment is het God die de farao en zijn Egyptenaren slaat. De vrijheid van blijkt een dure prijs te hebben, met als climax de verdrinkingsdood van een heel leger. Zijn we er dan? Nee. De vrijheid van slavernij ontaardt al snel in een ongewenste vrijheid van godsdienst – en the land of hope and glory verdwijnt voor een complete generatie achter de horizon. Veel predikers en hoorders die in de veertig dagen en de Paastijd van dit jaar het oecumenisch leesrooster volgen, ondervinden bij al deze verhalen toenemende moeite. Moest dat nu zo? En hoe zuiver is de rol van God die het hart van de farao verhardt, en deze climax van klap op klap lijkt te beramen?

Wie terugkeert naar het begin van het verhaal van de verlossing van , ontdekt andere tonen, en ook andere verbanden. De kleine vertelling over de hulpeloze zuigeling die overgeleverd wordt aan nijlpaarden en krokodillen ademt een sfeer van liefde en barmhartigheid. Tenminste als men de afloop kent (en wie weet nog wanneer hem of haar dit verhaal voor het eerst werd verteld?) ligt het gevaar op de loer dat men zich er een zoetig beeld in kinderkamerkleuren van vormt. Maar zo is het natuurlijk ook weer niet.

Eén van de opvallendste zaken aan dit verhaal is het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt voor het bekende biezen mandje: teevah. Dat is hetzelfde als het woord dat in het zondvloedverhaal wordt gebruikt om de ark van Noach aan te duiden. Voor veel theologen is dat geen nieuws, en het hoeft ook niet direct verwondering te wekken. Tenslotte gaat het, niettegenstaande het verschil in schaal, beide keren om een vaartuig dat redding brengt in een omgeving waar niet te leven valt. Merkwaardig genoeg gaan de woordenboeken hier uit van twee verschillende woorden, de één met de basisbetekenis ‘bak’ (in Exodus), de ander met de basisbetekenis ‘paleis’. Het is de vraag, of degene die verantwoordelijk is voor de verhalen in hun huidige vorm dat heeft geweten, temeer als men bedenkt, dat beide woorden nergens anders in het Oude Testament terugkeren. De verleiding wordt dan toch groot beide verhalen op elkaar te betrekken. De twee ‘arken’ zijn dan niet die van de zondvloed en die van Gods aanwezigheid (daarvoor wordt, zoals bekend, een ander Hebreeuws woord gebruikt), maar die van Noach en die van Mozes. Terzijde: zelfs de Naarder Bijbel zit blijkbaar nog zo aan het traditionele woordgebruik vast, dat de kist voor de stenen platen daar ook ‘ark’ genoemd wordt, net als Noachs vaartuig, en dat van Mozes schoorvoetend alleen maar ‘arkje’.) Maar in het Hebreeuwse lexicon komen er maar twee ‘arken’ voor, en beide zijn vaartuigen.

En er zijn meer zaken die in de Bijbel maar twee keer voorkomen. Dan doel ik niet op de vele bekende tweetallen van personen, waarbij aan de mindere vaak een goddelijke voorkeur boven de meerdere wordt gegeven (Kaïn en Abel, Hagar en Sara, Lea en Rachel, Ezau en Jakob, Zerach en Peres, Manasse en Efraïm, Peninna en Hanna, Orpa en Ruth), maar op een veel minder opvallende categorie van gebeurtenissen die twee keer voorvallen, dan wel twee keer worden verteld. Zo wordt er in Israël twee keer een koningschap ingesteld: één keer met Saul, en één keer met David. Twee keer krijgt het volk de tien woorden aangereikt op stenen platen. Twee keer moet Jakob zeven jaar arbeiden om te kunnen trouwen. Twee keer ontworstelt hij iemand een zegen: één keer zijn vader, één keer een geheimzinnige tegenstander. Twee keer wordt Sara door Abraham voorgesteld als zijn zuster. Twee keer ontvangt Abraham zijn zoon Izaak als door een wonder: één keer als hij wordt geboren, en één keer als hij wordt gebonden. Twee keer wordt de schepping van hemel en aarde vermeld. En twee keer vaart er een ark over de wateren des doods. Wat daarbij opvalt, is dat in deze reeks de toekomst steeds aan de tweede keer blijkt te zijn. De tweede keer is beslissender, of realistischer, of heeft meer impact dan de eerste.

Bij beide arken gaat het om redding. Maar het feit dat er twee keer door middel van een ark redding wordt geboden, zou dus wel eens kunnen aangeven dat de ene redding de andere niet is. Na de eerste redding zegt God, dat het project in wezen mislukt is, en dat Hij dit middel nooit weer zal gebruiken. En er volgt dus een tweede keer, die wel toekomst heeft. Het is interessant, om in dat licht de verschillen tussen de twee arken des behouds na te gaan.

Dat begint al met de situatie van waaruit de bouw van de respectievelijke arken wordt aangevat. Noach begint de bouw, op aanwijzing van God, uiteindelijk op basis van zijn rechtschapenheid. Jochebed handelt op eigen initiatief in een uitzichtsloze situatie. De enige mogelijke speciale reden juist voor dit kind een reddingsactie te wagen is niet haar eigen rechtschapenheid, maar het feit dat dit kind zo tov is. Haar spontane wanhoopsactie contrasteert ook schril met het overleg waarmee Noach jarenlang aan zijn ark kan bouwen, en die ark is dan ook een Titanic vergeleken met het hulkje dat zij aan de Nijloever te water laat. Dan valt op, dat er in het verhaal van Noach alleen namen van mannen worden genoemd, terwijl in Exodus tot dan toe alleen vrouwennamen hebben geklonken, en vrouwen ook de enige acteurs zijn in het reddingsverhaal: een moeder, een prinses, een slavin en een zuster. En ook de uitkomsten verschillen hemelsbreed: terwijl Noach en zijn gezin op een verdronken aarde met hard werken opnieuw moeten beginnen (geen wonder dat hij de verleiding van de wijn niet kon weerstaan toen er eindelijk geoogst kon worden), belandt de kleine Mozes op de tederste en veiligste plaats die een kind zich kan wensen: aan de borst bij zijn moeder.

Niet alleen de gebeurtenissen, ook de gevolgen zijn verre van hetzelfde. Terwijl bij Noach een complete wereldbevolking ten onder gaat en slechts één familie wordt geredt, betekent hier het behoud van één kind juist de redding van een heel volk. En bij alle wreedheden die de farao zijn volk laat ondergaan ligt het aantal slachtoffers in Exodus aanzienlijk lager dan bij de zondvloed.

Als laatste: als het geloof te maken heeft met behoud, en behoud is het doel van deze twee arken, wat zeggen deze dan over het geloof? Er is een geloof dat vertrouwt op goed recht en eigen kracht, een geloof van volhouden in barre tijden, een geloof van hard werken, vallen en opnieuw beginnen. Een geloof met enige stoerheid, alsof men naast Noach op de brug zou staan van de ark. Een geloof dat het kwaad niet bij zichzelf zoekt en wacht op betere tijden. Een geloof dat respect afdwingt en een zekere aantrekkingskracht uitoefent, net zoals de ark van Noach niet alleen tot ontelbare kinderboeken, maar ook altijd weer tot archeologische omzwervingen op de Ararat inspireert.

Maar heeft er ooit nog iemand naar het arkje van Mozes gezocht? Wat is de aantrekkingskracht van een onzeker vertrouwen, een wanhopig geloof, de onberedeneerde overgave van een volgens de heersende wetten schuldig mensenkind? Wie durft naast dat kind in zijn drijvend doodkistje plaats te nemen? Toch heeft volgens de Schrift deze vorm van redding de toekomst. Dankzij de vermetele actie van een dwaze moeder werd een kind gered, vervolgens een volk, en door dat volk een hele wereld.

En wie wil, in deze kleine geschiedenis al een voorafschaduwing van Christus zien: in de gestalte van een naamloze slavin, die een mensenkind uit het water trekt. het vervolgens in handen te leggen van iemand die zegt: “Verloren – dus laten leven!”

< Terug