< Terug

Met de genade meewerken

In het bijbelboek Ruth komen we twee kinderloze, arme weduwen tegen, die zich in een uitzichtloze situatie lijken te bevinden. Aan het eind van het verhaal is die situatie danig veranderd. Een kwestie van genade? Of van slim menselijk handelen?
Willien van Wieringen is docent Oude Testament en Hebreeuws aan de Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing.

 

Het verhaal begint met hongersnood. Die drijft Noömi met haar man Elimelech en hun zonen Machlon en Kiljon weg van hun woonplaats Betlehem in Juda (in het zuiden van Israël). Ze ‘emigreren’ naar de velden van Moab. De twee zoons trouwen daar met Moabitische vrouwen, Orpa en Ruth. Dan sterven alle drie de mannen.

AANKLEVEN

De situatie waarin de vrouwen aanvankelijk verkeren, lijkt genadeloos. Ze zijn als kinderloze weduwen arm en weerloos, zonder de bescherming die familie biedt. Geen echtgenoten meer die zorgen voor economische veiligheid, geen kinderen die de toekomst veiligstellen. Ze staan er alleen voor. Maar Noömi zit niet bij de pakken neer en besluit terug te gaan naar haar geboortegrond. Orpa besluit in Moab te blijven. Ruth gaat met Noömi mee en verlaat haar eigen thuisland. In het Hebreeuws staat hier een werkwoord dat ook wordt gebruikt om aan te geven hoe een man zich tot zijn vrouw verhoudt: Ruth ‘kleeft aan’ Noömi (Ruth 1:14) zoals een man zijn vrouw ‘aankleeft’ (Genesis 2:24). Door hun besluit veranderen ze beiden van positie: de ene weduwe was een vreemdeling in Moab, de andere wordt een vreemdeling in Juda. Noömi staat Ruth toe met haar mee te gaan naar Betlehem, waar geen hongersnood meer is. Ruth zorgt ervoor dat Noömi niet alleen is op haar terugtocht. Zo zorgen ze voor elkaar: ze zijn aan elkaars genade overgeleverd én zijn elkaar tot genade.

AREN OPRAPEN

In Betlehem komen ze genade tegen in een vorm die ze kennen: de mogelijkheid tot aren lezen. Bij de oogst lieten de werkers gevallen korenaren achter op het land. De landlozen en armen konden die dan oprapen en zich zo alsnog van graan voorzien. Genadebrood. Ruth gaat aren lezen op akkers die van Boaz blijken te zijn, een verre verwant van Noömi. Hij neemt haar in bescherming tegen mogelijke onheuse bejegening door zijn mannen, en zorgt zelfs voor extra aren om te rapen. Dat is nog eens een daad van genade! Hij geeft, en hoeft er niets voor terug.

NACHTELIJKE ONTMOETING

Dan besluit Noömi met de genade te gaan meewerken. Ze voorziet kennelijk hoe ze hen uit hun benarde positie kan bevrijden en maakt een plan. Daarbij maakt ze gebruik van de familiebanden en de waarschijnlijke reactie van een man op een vrouw in zijn bed. Ze bereidt Ruth voor op een nachtelijke ontmoeting met Boaz en instrueert haar hoe te handelen. Ruth luistert naar haar schoonmoeder en gaat ’s avonds in het bed van Boaz liggen. Zo werkt zij op haar manier ook met de genade mee. Boaz stuurt haar niet weg, en doet zelfs een trouwbelofte, als zich geen andere verwant meldt met meer recht op haar. Boaz koopt het land van Noömi’s familie en vervult zijn zwagerplicht door te trouwen met Ruth. (‘Zwagerplicht’: een weduwe trouwde met de kinderloze broer van haar man. Hun eerste zoon wordt dan gezien als het kind van de gestorven man. Hij krijgt diens naam en wordt diens erfgenaam.) Is dit genade? Hij krijgt meer land in zijn bezit en heeft op deze koop toe ook nog eens een vruchtbare vrouw! Hij werkt vooral aan zijn eigen ‘genade’, zo lijkt het.

Wat kunnen we zeggen over genade in dit verhaal? Noömi en Ruth zijn elkaar tot genade. Noömi werkt met de genade mee, Ruth doet dat ook én ontvangt genade van Boaz. Boaz schenkt genade aan Ruth. En God schenkt hun uiteindelijk een zoon, Obed. De voorvader van David, en Jezus. Als dat geen genade is.

< Terug