< Terug

Met de wet van God in je hart

Bij Jeremia 31,31-34, Efeziërs 5,15-21 en Matteüs 22,1-14

De teksten van deze zesde zondag van de herfst lenen zich voor een herinnering aan Pinksteren en de doop. De profeet voorspelt een tijd waarin de wet van God de gelovigen in het hart geschreven zal zijn. Voor de gemeente is dit met Pinksteren realiteit geworden. De Geest vervult de gelovigen en wijst hun de weg naar een leven dat past bij Gods ideeën, een leven dat begint met de doop.

God – onwrikbaar trouw, aldus Jeremia 31 – geeft zijn volk een nieuwe kans. Zij hadden het verbond met Hem verbroken; zelf had Hij er altijd aan vastgehouden. Nu stelt Hij een nieuw verbond in het vooruitzicht. Nauwelijks een vroegchristelijke theologie die niet naar dit nieuwe verbond verwijst (Matteüs 26,28, par. Marcus 14,24, par. Lucas 22,20; Johannes 6,45; Romeinen 11,27; 1 Korintiërs 11,25; Hebreeën 8,8; 9,15; 10,16-17). Alleen was de Griekse versie die de vroegchristelijke schrijvers hadden, vertaald uit een andere, oudere versie van Jeremia 31. In deze versie had ook God zich afgewend van zijn volk nadat dit het verbond had verbroken (Jeremia 38,33 LXX). Hier verandert dus ook God zijn houding; het nieuwe volgt op een tijd zonder verbond.

Perfecte oecumene

Dat voor de christelijke gemeente de tijd is aangebroken waarin niemand de ander meer hoeft te onderwijzen omdat iedereen direct door (de Geest van) God wordt onderwezen (Jeremi 31,32-33), laat ook het pinksterverhaal (Handelingen 2) zien. Lucas verwijst naar een soortgelijke voorspelling van Joël: zonen en dochters, jongeren en ouderen zullen vervuld worden van de Geest (Handelingen 2,17). Niemand meer die God beter kent dan de ander. Geen leraar en geen leerling meer, geen lutheranen en calvinisten, geen gereformeerden en hervormden (vgl. Galaten 3,28). Met Pinksteren en de doop is de eerste stap gezet. Wanneer zetten wij de volgende?

Gerechtvaardigd sola gratia?

Als jonge mensen bleven wij telkens weer stilstaan bij de raadselachtige passage in Matteüs 22,1-14 over het bruiloftskleed. De rest scheen allemaal duidelijk: het ging om het Koninkrijk van God, voorgesteld als bruiloft, en om de vraag wie erbij mocht zijn. Iedereen was uitgenodigd (‘geroepen’ – Matteüs 22,14). Rechtvaardigheid werd zonder aanzien des persoons verleend, sola gratia, alleen door Gods genade. Maar dan die gast zonder bruiloftskleed. Hij had iets niet gedaan wat hij had moeten doen. Betekende dit dan dat rechtvaardigheid toch niet enkel en alleen gave van God is? Dat rechtvaardigheid wél wordt verkregen naar gelang van je werken? Maar dat is toch in strijd met de eerste hoofdstukken van Paulus’ brief aan de Romeinen? Meer dan welkom was dan de toelichting dat gewoonlijk de gastheer zelf de bruiloftskleren ter beschikking zou hebben gesteld!

Toch is deze gelijkenis meer dan een bijdrage aan het dogmatische vraagstuk van de rechtvaardigheid. Hij bestaat immers uit drie delen.

Een elite zonder maatschappelijke belangstelling

Het eerste deel (Matteüs 22,1-7) gaat over de eerste uitnodiging van de gastheer. Wie niet op de eeuwenlange anti-judaïstische (afwijzing van Gods heilsaanbod door ‘de’ joden) en historiserende (verwoesting van Jeruzalem) exegese van deze passage wil voortborduren, vindt in de sociaalhistorische setting aanknopingspunten die kunnen worden uitgelicht. De genodigden zijn de plaatselijke notabelen: landeigenaren en zakenlui, mensen die erop konden rekenen door een koning uitgenodigd te worden. Wederzijdse uitnodigingen voor feesten en diners waren in de oudheid uitermate belangrijk voor het onderhoud van je netwerk. Onze gelijkenis is vrij realistisch: het gebeurde inderdaad weleens dat iemand omwille van zijn zaken verstek liet gaan bij een verplichting die zijn positie met zich mee bracht (zie Plinius, Epistula 9,37), maar dit kon heel beledigend overkomen (zie Plinius, Epistula 1,15). Het verwijzen naar de geboden lekkernijen (Matteüs 22,4; vgl. Plinius 1,15,2-3) mocht niet baten; de bovenklasse had geen belangstelling (letterlijk Matteüs 22,5) voor het feest, en daarmee ook niet voor de toekomstige politieke ontwikkelingen – het ging immers om de opvolger van de koning! Als zij maar hun zaken kunnen blijven doen. Ze nemen niet de verantwoordelijkheid voor de samenleving die hun positie met zich meebrengt. Het oordeel van de gastheer: zij zijn de uitnodiging en het feest niet waard (Matteüs 22,8).

Goede én slechte mensen uitgenodigd

In het tweede deel (Matteüs 22,8-11) wordt een andere bevolkingslaag uitgenodigd: de ‘mensen van de toegangswegen’. Een maaltijd voor de grote massa, verzorgd door een machthebber, was geenszins uniek in de oudheid. Bij openbare feesten en spelen kreeg je weleens een take-away-mandje met eten. Het verschil met deze uitnodiging: het gaat hier niet om een feest buiten of in een arena, het woord ‘binnenkomen’ (Matteüs 22,11) suggereert een zaal, vermoedelijk in het paleis. De gastheer is niet kieskeurig – er wordt breed uitgenodigd. Net zoals de zaaier breed zaait met het gevaar dat een deel van het zaad niet opkomt (Matteüs 13,3-8) en net zoals op de akker het onkruid een tijdje samen met het graan mag groeien (Matteüs 13,24-30), wordt ook hier niet van tevoren geselecteerd. Uitverkiezing (Matteüs 22,14) is geen beperking van de uitnodiging. Deze geldt goede én slechte mensen.

Het bruiloftskleed

De focus van de gelijkenis ligt op de vraag wie erbij mag zijn bij het huwelijksfeest. In zoverre hadden we toen wél gelijk. En ja: er wordt iets verwacht van degenen die aanliggen bij het huwelijksmaal. Maar meer wil de gelijkenis hierover niet kwijt. Het gaat om een algemene waarschuwing: let wel op wat je met je roeping doet. Voor de vraag hoe het passende bruiloftskleed eruitziet, moet je bij andere teksten zijn. Bijvoorbeeld bij Efeziërs 5: gebruik je verstand (Efeziërs 5,17), geef met alle wijsheid vorm aan je leven (Efeziërs 5,15) en laat de Geest je vervullen (Efeziërs 5,18). In principe weet je hoe het moet. Je draagt immers Gods wet in je hart.

< Terug