< Terug

Met een mond vol tanden?

Communicatie met pastoranten met een verstandelijke beperking

Stel: je wordt als pastor gevraagd om op huisbezoek te gaan bij iemand met een verstandelijke beperking. Stel: je wordt gevraagd om een speciale kerkdienst te leiden voor mensen met een verstandelijke beperking. Hoe pak je dat dan aan? Hoe ga je om met onmacht en vermijdingsgedrag en hoe kun je leren om op een volwassen en deskundige manier te communiceren met deze pastoranten? Ik wijdde er mijn proefschrift aan.

Met vier jaar ervaring in het basispastoraat solliciteerde ik in 1980 lukraak op een functie als geestelijk verzorger in een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Eenmaal aan het werk bleek ik een heel nieuw vak te moeten leren. Dat kostte veel moeite. Het duurde bijna twee jaar voordat ik me voldoende competent voelde. Ik zag dezelfde moeite optreden bij nieuwe collega’s in het werkveld en bij lokale pastores die voorgingen in aangepaste kerkdiensten.

Door de jaren heen begon mij steeds meer te intrigeren wat het zo moeilijk maakte om te leren communiceren met mensen met een verstandelijke beperking. Ik besloot daarnaar onderzoek te doen, met name ten behoeve van lokale pastores die wilden leren communiceren met deze groep pastoranten.

Sociale context

Het aantal lokale pastores dat te maken heeft met mensen met een verstandelijke beperking is sinds 1990 aanzienlijk toegenomen.

Rond die tijd brak in Nederland een nieuw zorgparadigma door, dat wordt getypeerd met het begrip ‘inclusie’. ‘Inclusie’ staat tegenover ‘exclusie’: de praktijk om mensen met een verstandelijke beperking in instellingen te plaatsen buiten het zicht van de gewone samenleving. Inclusie staat voor de fysieke, functionele en sociale integratie van mensen met een beperking.

Als gevolg van het nieuwe zorgparadigma begonnen grote groepen cliënten de instelling te verlaten om fysiek te gaan wonen in gewone huizen in gewone straten. Ze gingen gebruik maken van gewone functies in de samenleving zoals de bakker en het zwembad, maar ook de kerk in de wijk. De hoop bij dit alles was dat er ook sociale integratie zou plaatsvinden door middel van contacten tussen mensen met en zonder verstandelijke beperkingen.

De rol van de kerken

Een eerste stap in mijn onderzoek was het uitzetten van een vragenlijst onder een groep locatiemanagers van de zorgorganisatie waarvoor ik werkte. Op een schaal van 1 tot 5 gaven zij aan hoe tevreden zij waren over de kwantiteit van de inzet van de kerken voor hun cliënten. Hun gemiddelde score kwam uit op 4-plus. Ze oordeelden dat kerken zich bovengemiddeld inzetten voor mensen met een verstandelijke beperking.

Hun oordeel over de kwaliteit van de kerkelijke inzet was echter laag, een gemiddelde score van 2-min. Gevraagd naar de reden van de lage kwaliteitsscore noemden zij:

a. het feit dat alle activiteiten voor de cliënten van de zorgorganisatie apart en ‘aangepast’ waren in plaats inclusief;

b. de bevoogdende toon van pastores en kerkvrijwilligers in de communicatie met de cliënten;

c. het vermijdingsgedrag van lokale pastores, die nagenoeg geen tijd maakten voor pastorale contacten met de cliënten.

De conclusie van deze sondering was dat het maatschappelijk relevant zou zijn als de kloof tussen kwantiteit en kwaliteit zou kunnen worden gedicht. Mijn interesse ging daarbij vooral uit naar de rol van pastores, als centrale figuren in de geloofsgemeenschap. De basisvraag daarbij was: Wat moeten pastores leren om te kunnen communiceren met pastoranten met een verstandelijke beperking?

Onderzoeksvragen

Voor mijn onderzoek deelde ik mijn basisvraag op in drie onderzoeksvragen:

1. Voor welke leeropgaven staan pastores bij het leren van inclusieve pastorale communicatie?

2. Welke competenties moeten pastores daarvoor leren?

3. Wat is de leerweg waarlangs zij deze competenties kunnen leren?

Om meer zicht te krijgen op deze drie vragen ben ik gestart met een onderzoek bij een groep lokale pastores. Ik woonde een aangepaste kerkdienst van elk van hen bij en besprak met hen mijn observaties.

Een opvallend gegeven uit deze fase van het onderzoek was dat de pastorale communicatie significant verbetert naarmate pastores intensievere persoonlijke contacten onderhouden met kerkleden met een verstandelijke beperking.

Een tweede onderzoeksresultaat was dat pastores beter communiceerden naarmate ze in staat waren om abstraherende taal te vervangen door communicatie waarbij alle zintuigen worden aangesproken: lichaamstaal, zien, horen, aanraken, ruiken, proeven.

Ten slotte bleken pastores beter te communiceren naarmate ze in staat waren om de aandacht vast te houden door uit hun hoofd te (s)preken en dialogische vormen te hanteren in het geheel van de liturgie.

Onderzoeksmodel

Daarna interviewde ik negen geestelijk verzorgers, individueel of in teamverband, en analyseerde ik video-opnames van kerkdiensten en groepsvieringen in hun instellingen. Via hun deskundigheid verkreeg ik inzicht in de leeropgaven, competenties en leerweg van pastores bij het leren communiceren met mensen met een verstandelijke beperking.

Om de onderzoeksresultaten in hun samenhang te kunnen beschrijven, ontwikkelde ik, op basis van bestaande modellen, een nieuw hermeneutisch model waarmee ik de leeropgaven, competenties en leerweg van pastores inzichtelijk kon maken.

Nieuw in het model is de gelaagde innerlijke ruimte van de drie entiteiten die met elkaar communiceren. Ik onderscheid in die innerlijke ruimte vier lagen. Van buiten naar binnen zijn dat de lagen van de feiten, de gevoelens, de identiteit en de spiritualiteit.

Uit de analyse bleek dat de eerste leeropgave van geestelijk verzorgers is om tot een onvoorwaardelijk positieve grondhouding te komen ten opzichte van hun pastoranten. Die grondhouding wordt aanvankelijk op de gevoelslaag verstoord door de onmacht en verwarrende gevoelens die de pastoranten oproepen. Maar door ‘exposure’ treedt er transformatie van de innerlijke ruimte van pastores op. Dat gebeurt in een proces van volharding, gewenning, in vertrouwde kring imiteren van en lachen om vreemd gedrag, groeiende verantwoordelijk en tenslotte loyaliteit. ‘Vriendschap’ is een veelgebruikte term voor deze loyaliteit (Reinders 2010; Nouwen 1998).

De transformatie leidt tot de basiscompetentie dat pastores ‘van binnenuit’ en op alle lagen van de innerlijke ruimte adequaat kunnen handelen.

• Op de laag van de feiten ontwikkelen ze een referentiekader waarbij autocentrisch waarnemen plaats maakt voor tot allocentrisch waarnemen.

• Op de gevoelslaag heersen onvoorwaardelijk positieve gevoelens.

• Op de laag van de identiteit is er oog voor wie de pastorant werkelijk en in wezen is.

• Op de laag van de spiritualiteit is er religieuze verbondenheid.

Parallel aan de transformatie van de innerlijke ruimte staan pastores voor de leeropgave om digitale taal te vervangen door analoge taal. Het is de taal als van kleine kinderen, zonder kinderachtig te worden. Het is communiceren met handen en voeten, gebruikmakend van gelaatsuitdrukkingen, van geluiden, van concrete voorwerpen, van reuk en smaak. Pastores ontwikkelen deze competentie van ‘totale communicatie’ via cursussen en door het afkijken van de kunst bij andere disciplines of collega’s.

Pastores moeten ook de geloofsinhoud leren communiceren op het niveau van hun hoorders. Kenmerkend is dat deze kennis veelal wordt verworven door meester-gezelleren. Eerst doet de meester de werkvormen en inhoudelijke geloofscommunicatie een keer voor, dan doet de gezel hem na en als laatste stap vormen ze, door samen te reflecteren, de stilzwijgende kennisoverdracht om tot expliciete kennis die kan worden toegepast in bredere zin. Hierbij hoort ook het spreken uit het hoofd, in een dialogische vorm, die het best kan worden getypeerd als een ‘vertelgesprek’.

Aanwijzingen

Het onderzoek heeft drie aanwijzingen opgeleverd voor een onderwijsleercurriculum.

1. De noodzakelijke transformatie van de innerlijke ruimte wordt verworven door volhardende omgang met tenminste één pastorant met een verstandelijke beperking, pars pro toto.

2. Totale communicatie kan worden geleerd via cursussen en participerende observatie

3. Voor het leren van geloofscommunicatie op analoog niveau en voor het leren van werkvormen is een meester-gezel-leersituatie van belang.

Deze drie competenties kunnen in een korte training, vergelijkbaar met de opzet van een KPV-training, worden verworven.

Literatuur

Nouwen, H. (1998). Adam, een vriendschap. Tielt: Lannoo.

Reinders, H. (2010). Geen leven zonder vriendschap. Over mensen met een ernstige beperking. Zoetermeer: Meinema

Smit, J.H. (2011). Competenties voor de pastorale communicatie met mensen met een verstandelijke beperking. Een onderzoek naar leerprocessen van pastores. Dissertatie Vrije Universiteit Amsterdam.

Johan (dr. J.H.) Smit werkte onder meer als geestelijk verzorger en beleidsmedewerker Zingeving, identiteit en ethiek in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking en was 25 jaar lang als buitensupervisor verbonden aan het theologische seminarium Hydepark in Doorn. Hij is de auteur van Tot de kern komen, een methode om pastorale gesprekken stapsgewijs te verdiepen. Als coördinator van het Instituut voor Theologie en Sociale Integratie heeft hij een aantal publicaties op zijn naam rond de sociale integratie van mensen met een verstandelijke beperking in de geloofsgemeenschap. 

< Terug