< Terug

Met een zeker dubbel gevoel

Bij Jesaja 6,1-8, Psalm 138, 1 Korintiërs 15,1-11 en Lucas 5,1-11

De teksten voor deze dag kunnen samengebracht worden op de noemer van het mysterium tremendum et fascinans van Rudolf Otto. Huiver gepaard aan fascinatie, terugdeinzen én je aangetrokken voelen. Fraai ook in combinatie met de woorden uit de psalm voor vandaag: ‘De Heer is verheven, toch ziet Hij om naar de nederige’ (Ps. 138,6).

Een ontzagwekkende ervaring valt Jesaja ten deel, wanneer hij geroepen wordt om uit naam van God te profeteren tegen het volk. Hij wordt overweldigd en voelt zich nietig en klein: ‘Wee mij, ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen’ (Jes. 6,5 – NBV). Maar hij wordt wel door God gezonden. Wanneer Paulus in de epistellezing nadenkt over zijn roeping als apostel noemt hij zichzelf een misgeboorte (Gr.: ektrooma), ‘de minste van de apostelen’ (1 Kor. 15,8-9). Uiting van een minderwaardigheidsgevoel omdat hij vóór zijn roeping de gemeente van de Heer zo fanatiek vervolgd heeft? Maar ook Paulus is zich ervan bewust dat hij door God gezonden is. Ingegeven door een weifelende houding ten overstaan van Jezus noemt Simon Petrus zichzelf ‘een zondig mens’, onwaardig om met Jezus te verkeren (Luc. 5,8). Ook hij voelt zich overweldigd door een ervaring die zijn bevattingsvermogen te boven gaat en ook hij wordt geroepen. ‘Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt’ (Mat. 8,8).

Horen, zien en niet zwijgen

De roeping van Jesaja staat in een concrete historische setting: het sterfjaar van koning Uzzia. Uit het voorafgaande weten we dat de situatie van Juda en Jeruzalem op dat moment bepaald niet florissant is. Met de dood van de koning eindigt de oude heerschappij en breekt er een nieuwe periode aan. De reputatie van koning Uzzia had na een lange periode van goed bestuur onherstelbare schade opgelopen door zijn handelwijze in de tempel van de Heer (2 Kron. 26,16-23), die duidelijk maakt hoe macht corrumpeert. Het zal daarom geen toeval zijn dat de roeping van Jesaja eveneens in de tempel gesitueerd wordt, maar wel in de vorm van een visioen. Jesaja is hier een ziener en aanschouwt de Heer op zijn hoogverheven troon. Er klinkt een driewerf heilig als uiting van de transcendentie van God. Heilig betekent immers: afgezonderd van het alledaagse. Het zien van Gods is onvoorstelbaar, en vervult daarom Jesaja met angst en ontzetting. Bij de openbaring op de Sinai had Mozes immers te horen gekregen: ‘geen mens kan Mij zien en in leven blijven’ (Ex. 33,20). Dat zien vormt zo een serieus probleem. Ogen zijn ook zo begerig. Maar Jesaja wordt gered door een gloeiende kool van het brandofferaltaar, waarmee zijn onreine lippen gereinigd worden. Een profeet spreekt uit naam van God en daarom moet dat spreken zuiver zijn. Jesaja wordt na zijn reiniging gezonden en moet profeteren, woorden spreken uit naam van God.

Aangesproken worden

Het bericht over de roeping van de eerste leerlingen vindt bij Lucas plaats in de context van een overweldigende ervaring: een wonderbare visvangst. Hieraan voorafgaand worden enkele belangrijke gebeurtenissen verteld: Jezus’ doop (3,21-22), de verzoeking in de woestijn (4,1-13), zijn optreden in de synagoge van Nazaret en zijn verwerping (4,16-30), een reeks genezingen in Kafarnaüm (4,31-41) en het bericht over zijn afzondering (4,42-44). Pas daarna volgt de roeping van de eerste leerlingen. Daarbij is duidelijk een prominente rol voor Simon weggelegd, want zijn naam wordt in dit gedeelte vijfmaal genoemd. Hij wordt echter niet als enige geroepen: ook zijn compagnons Jakobus en Johannes laten hun boten voor wat ze zijn om Jezus te kunnen volgen (5,10vv). Zij worden evenwel niet direct door Jezus aangesproken zoals wel gebeurt bij Simon (5,10b). De introductie van de naam Petrus door de evangelist (5,8) is natuurlijk opmerkelijk, want Jezus geeft Simon deze naam pas op een later moment (6,14). Simon is wel de enige die hier met Jezus communiceert. Eerst spreekt hij Jezus aan met epistatès (= deskundige, meester – 5,5) en vervolgens met kurios (= Heer – 5,8). Het is niet gezegd dat met deze laatste titel expliciet verwezen wordt naar het paasgeloof van de jonge kerk (vgl. Joh. 21,7). Zoals ook het besef van Petrus van zijn zondigheid niet hoeft te verwijzen naar zijn latere verloochening van Jezus. De gereserveerde reactie van Petrus op het verzoek van Jezus om de netten uit te werpen, kan als een bijbels motief aangemerkt worden. Denk aan de terughoudende reacties van bijvoorbeeld Mozes, Jeremia of Jona toen zij geroepen werden: ‘Heer, U hebt mij verleid, en ik ben bezweken, U was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen’ (Jer. 20,7).

Reddend vangen

De eigenlijke roeping van Petrus – en indirect van Jakobus en Johannes – komt tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen’ (Luc. 5,10). De oproep om niet bang te zijn klinkt, zoals bekend, wel vaker bij Lucas – bijvoorbeeld in 1,30 en 2,10 – en kan begrepen worden als een aansporing om vertrouwen te hebben. Geloof en vertrouwen is leven voorbij aan angst en onzekerheid.

Het ‘vangen van mensen’ mag natuurlijk niet verkeerd worden verstaan. Met ‘in hechtenis nemen’ heeft het niets te maken. Lucas bezigt hier niet de formulering ‘vissers van mensen’, zoals Marcus en Matteüs; hij gebruikt het verbum zoogreoo. De betekenis is niet: mensen van hun vrijheid beroven door ze aan de haak slaan of uit hun levensnoodzakelijk element brengen. Simon krijgt de opdracht om mensen te redden door hen op te vissen uit het water. De betekenis is dus eerder soteriologisch: ‘levend vangen’. Volgens sommigen is het werkwoord ook wel als krijgsterm bekend: ‘een belangrijke krijgsgevangene levend binnen brengen’. In de LXX wordt de term gebruikt voor ‘redden uit gevaren’ (bijv. Num. 31,15).

Bij Jesaja 6:1-8, Psalm 138, 1 Korintiërs 15:1-11 en Lucas 5:1-11

< Terug