< Terug

Met het oog op de A/ander

Bij Deuteronomium 24,17-22, Psalmen 113 en Lucas 14,1.7-14

Wet

’elèh ha debarim: ‘Dit zijn de woorden (…)’. Zo begint het laatste boek van de Pentateuch, en ‘deze woorden’ herinneren aan de boekrol die werd gevonden tijdens de hervormingen van Josia, koning van Juda (ca. 639- 608 v.Chr., vgl. 2 Kon. 22,8). Om de welig tierende afgodendiensten uit te bannen, werd iedereen tijdens een plechtige voorleesceremonie opnieuw herinnerd aan de voorschriften aan Mozes gegeven op de Sinai.

In deze ‘tweede wetgeving’ (= Deuteronomium) komt ook de houding ten aanzien van bijwonende vreemdelingen, wezen en weduwen opnieuw aan de orde. Zij mogen niet worden onderdrukt of uitgebuit, en verdienen bescherming, zoals die van hun mantel in koude nachten, ook wanneer zij die hebben verpand (Deuteronomium 24,17-22; vgl. Exodus 22,20-26). Een voorschrift verbiedt meestal iets wat nog steeds gebeurt. Vandaar de steeds herhaalde herinnering aan de tijd dat het volk zelf in een onmenselijke situatie verkeerde, en aan de bevrijding daaruit door de Eeuwige (Deuteronomium 24,18.22).

Laat wat achter van je oogst

Deze twee verzen omsluiten hier voorschriften voor het binnenhalen van de graan-, olijven- en druivenoogst. Vooral in tijden van schaarste werden ze in de liturgie extra onder de aandacht gebracht. Het was iedereen toegestaan om al gaande door gaard en veld een druifje te plukken of een graantje mee te pikken, maar alléén voor gebruik ter plaatse en niet om mee naar huis te nemen (Deuteronomium 23,25-26). Hier krijgen landbezitters de opdracht bewust wat van hun oogst achter te laten voor de armen. Ook andere volken lieten koren achter op hun akkers, maar dan als offer voor hun goden. Hier houdt het voorschrift in dat de Eeuwige de schenker is van de oogst, en de akker eigendom van de Eeuwige. Het voorschrift is dan ook niet alleen bedoeld als steun voor de armen, maar ook om de bezitters daarop te wijzen en hen ervoor te waarschuwen niet inhalig te zijn. Door het ‘vergeten’ van schoven, olijven of druiven laat de eigenaar zien dat hij zichzelf niet beschouwt als eigenaar van de oogst. Een mooi voorbeeld hiervan vind je in het verhaal van Ruth en Boaz (Ruth 2).

‘Halleluja’!

Psalmen 113 klinkt als een uitbundige reactie op ‘deze woorden’, en grijpt misschien ook al vooruit op wat Jezus aansluitend leert. Maar liefst vier keer klinkt hallelu: lof aan de Eeuwige (Psalmen113,1-2.9). Mooi is dat de psalmist zowel de verhevenheid van de Eeuwige boven alles bezingt als ook zijn diepe betrokkenheid bij alles hier beneden en in het bijzonder bij berooiden, die moeten leven in het ‘vuil’ (Psamen 113,7 – NBV) van mensonwaardige omstandigheden: mensen met alleen een mantel. Onwillekeurig doemt daarbij het beeld op van de stoeten mensen die door modder en kou naar een veilig onderkomen zoeken, afhankelijk van ‘vergeten schoven’. Zo veel moeders, zo veel kinderen. Vinden zij een huis en kunnen zij weer vrolijk zijn? Mogen zij wonen bij ‘hooggeplaatsten’ (Psalmen 113,8 – NBV)?

‘Wir sind allen Bettler’ (Luther)

Maaltijden zijn belangrijk in het Evangelie van Lucas. Ze verbeelden bij hem ook deelname aan het Koninkrijk van de Eeuwige. Ook de episode van vandaag valt binnen het kader van een maaltijd, op sabbat bij een belangrijke farizeeër, waarvoor Jezus is uitgenodigd. Twee zaken komen aan de orde: je plaats weten en de keuze van genodigden. Vooraf geneest Jezus een man die aan waterzucht lijdt. En anders dan bij de eerdere genezing op sabbat van een vrouw (Lucas 13,10-17) komt er nu geen commentaar van de kant van farizeeën en schriftgeleerden. Men zwijgt, maar je kunt je voorstellen hoe Jezus met argusogen wordt gevolgd. Maar ook Jezus let op de gasten. Hij ziet hoe bepaalde mensen als vanzelfsprekend de beste plaatsen innemen, net zoals vaak gebeurde in de synagoge (Lucas 11,43; 20,46), en net zoals in veel kerken en openbare gelegenheden de elite de voorste rijen bezette. Het is soms ook nu nog een herkenbaar sociaal patroon, dat ook al door Socrates onder kritiek werd gesteld. Tegenwoordig wordt er vaker met tafelschikkingen gewerkt of met de vraag aan de gastvrouw: ‘Waar had je me gedacht?’ De pointe zit in Lucas 14,10-11, wanneer de gastheer een betere plaats aanwijst met een veelzeggende wijsheidsspreuk als afsluiting (vgl. Spreuken 25,6-7).

Nodig uit wie jou niet kan terugvragen

Maar het gaat Lucas niet alleen om wat de gasten doen, maar ook om wat de Gastheer doet, die ‘hart en nieren doorgrondt’ (Jeremia 11,20), en ook valse bescheidenheid doorziet. Die kleine mensen aanzien geeft, maar bazen van hun tronen stoot, zoals Maria zong in haar Magnificat (Lucas 1,52). Schillebeeckx schrijft: ‘God lijkt een partijdige voorliefde te hebben voor wie niet tot de elite of de religieuze clan behoort. Daarom vlecht Lucas, zoals hij vaker doet, een tweede parabel in zijn verhaal.’1

In de tweede parabel bekritiseert Jezus de uitnodigingstactiek van de gastheer, gericht op het verhogen van het eigen aanzien. Dit lijkt heel radicaal, want de gastheer nodigt ook familie uit, en het is toch goed om als broers en zussen samen te zijn (vgl. Psalmen 133,1). Maar Jezus’ kritiek betreft het gangbare maatschappelijke patroon, waarbij gemikt wordt op een tegenuitnodiging ter verhoging van de eigen status. Nee, zegt Jezus, je moet juist mensen uitnodigen aan je tafel die jou niet kunnen terugvragen. Vier groepen mensen stelt Jezus tegenover elkaar: van wie de gastheer wél een uitnodiging kan terugverwachten en van wie niet.

Een van de plaatsen waar juist ook die laatste groep naar voren wordt gehaald en waar verder iedereen welkom is, is in de eucharistie: het beeld van het feestmaal in het Rijk van de Eeuwige. Jammer dat er nog steeds gastheren zijn die mensen daarvan uitsluiten.

< Terug