< Terug

Met Jezus op weg

‘De Weg’ in Handelingen als Joods begrip

Een van de karakteristieke kenmerken van het bijbelboek Handelingen is het gebruik van de aanduiding ‘de Weg’ voor de volgelingen van de opgestane Jezus. In deze bijdrage bespreek ik de betekenis van de term en laat ik zien dat het gebruik ervan in Handelingen onderdeel is van een bredere vroeg-Joodse uitlegtraditie die zich richt op ‘de weg van de Heer’. Het Joodse karakter van de term laat zien dat Handelingen met goede redenen als Joods boek gekarakteriseerd kan worden.

Bärry Hartog is als docent Vroeg Jodendom en Nieuwe Testament verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit van Groningen. Daarnaast is hij van 2019–2020 als Humboldt Fellow werkzaam aan het Institutum Judaicum Delitzschianum in Münster.

In mijn bespreking van de term ‘de Weg’ betrek ik zowel het boek Handelingen als het Evangelie naar Lucas. Dat heeft te maken met een van de belangrijkste discussiepunten in het huidige onderzoek naar Lucas en Handelingen: het verband tussen deze twee werken. Ik ben er niet van overtuigd dat Lucas en Handelingen noodzakelijkerwijs door dezelfde auteur geschreven zijn: het kan, maar het hoeft niet. Wel is er in mijn optiek een doorgaande verhaallijn van Lucas 1 tot aan Handelingen 28 te herkennen. Als Handelingen van een andere auteur afkomstig is dan Lucas, dan heeft deze auteur zijn werk bewust als vervolg op Lucas geschreven (zie ook Handelingen 1,1).

‘De weg van de Heer’ in Handelingen en het Tweede Tempeljodendom

Om de uitdrukking ‘de Weg’ in Handelingen te verstaan, moeten we terug naar de Hebreeuwse Bijbel. De wortels van de terminologie die Handelingen gebruikt om de volgers van de opgestane Heer te beschrijven, liggen in Jesaja 40,3: ‘Hoor, een stem roept: “Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God”’ (alle vertalingen van de Bijbel volgen de NBV). In hun oorspronkelijke context verwijzen deze woorden metaforisch naar de weg van God die zijn volk zal voorgaan op weg uit de ballingschap, terug naar Juda. In de Tweede Tempelperiode (ongeveer 500 voor Christus – 70 na Christus) werd deze tekst meer en meer eschatologisch gelezen, waarbij het ‘bereiden van de weg van de Heer’ werd gezien als het vertonen van bepaald gedrag, vooruitlopend op het einde der tijden en het laatste oordeel.

Een belangrijke passage in dit verband komt uit de Gemeenschapsregel uit Qumran (1QS). 1QS 8,12–16 beschrijft de studie van de wet door de gemeenschap als het bereiden van de weg van de Heer:

Wanneer dezen tot een gemeenschap in Israël geworden zijn 13 volgens deze normen, zullen zij zich afscheiden van de woonplaats van de mannen van het onrecht door naar de woestijn te gaan om daar de weg van HEM te bereiden, 14 zoals geschreven staat: ‘Bereidt de weg van ****, effent in de wildernis een baan voor onze God’ (Jesaja 40,3). 15 Dat is het onderzoek van de Wet, die Hij door bemiddeling van Mozes bevolen heeft, om te handelen naar alles wat van tijd tot tijd geopenbaard is 16 en zoals de profeten hebben geopenbaard door zijn heilige Geest. (vert. García Martínez–van der Woude–Popoviç)

De aanhaling van Jesaja 40,3 in de Gemeenschapsregel lijkt in twee aspecten op het gebruik van ‘de Weg’ in Lucas en Handelingen. In beide geschriften verwijst ‘weg’ zowel naar daadwerkelijke reizen (het zich terugtrekken in de woestijn van Judea, de reizen van Jezus en Paulus) als naar correct gedrag (het onderzoek van de Wet, het accepteren van Jezus als de messias). Daarnaast heeft de term in beide werken een eschatologische lading. In de Gemeenschapsregel bereidt de studie van de wet de weg voor de Heer die komt om het laatste oordeel te vellen; in Lucas-Handelingen vormen de volgers van de Weg de eschatologische gemeenschap van Joden en niet-Joden die de profeten hadden voorspeld en die wacht totdat Jezus terugkeert ‘op dezelfde wijze … als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan’ (Handelingen 1,11).

De verschillen tussen de Gemeenschapsregel en Lucas-Handelingen maken een directe verwantschap tussen beide teksten onwaarschijnlijk. Tegelijkertijd laten de overeenkomsten tussen deze geschriften zien dat Lucas en Handelingen participeren in een bredere exegetische traditie die Jesaja 40,3 eschatologisch leest. In deze traditie participeren ook de andere evangelieschrijvers; Lucas gaat echter zijn eigen weg. Waar Marcus zijn Evangelie opent door het optreden van Johannes de Doper te karakteriseren met een samengesteld citaat van Exodus 23,20, Maleachi 3,1 en Jesaja 40,3 (dat hij in zijn geheel aan Jesaja toeschrijft), citeren Matteüs en Johannes enkel Jesaja 40,3 (Matteüs citeert Exodus 23,20 en Maleachi 3,1 elders) en lossen zo het probleem van Marcus’ foutieve toeschrijving van het citaat aan Jesaja op. Lucas verwijst ook naar Jesaja 40 in het begin van zijn Evangelie, terwijl hij net als Matteüs, Exodus 23,20 en Maleachi 3,1 verderop citeert. Bij Lucas vinden we echter niet één, maar twee citaten uit Jesaja 40,3. In Lucas 1,76 roept Zacharia uit: ‘En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste, want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken’. Deze uitroep bereidt de lezer voor op het citaat uit Jesaja 40 in Lucas 3,4-6. Dit citaat is langer dan dat van de andere evangelisten en omvat Jesaja 40,4-5: ‘Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel verlaagd (…). De luister van de HEER zal zich openbaren voor het oog van al wat leeft’. De nadruk op het feit dat ‘al wat leeft’ Gods redding zal zien, weerspiegelt het universele blikveld dat in Lucas en Handelingen naar voren komt.

‘De Weg’ wordt de uitdrukking voor de volgers van de opgestane Heer.

Als Jesaja 40,3 zo belangrijk is voor de auteur(s) van Lucas en Handelingen, dient de vraag zich aan hoe de term ‘de Weg van God/de Heer’ uit Jesaja zich heeft ontwikkeld tot ‘de Weg’ zonder meer in Handelingen. In mijn optiek zijn Lucas 9 en 10 van centraal belang om deze ontwikkeling te begrijpen. In Lucas 9,1-6 stuurt Jezus zijn discipelen eropuit ‘om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken gezond te maken’ (Lucas 9,1). Deze episode komt – met verschillen – ook in de andere synoptici voor (Marcus 6,7-13; Matteüs 10,1.7-11.14). In tegenstelling tot Marcus en Matteüs voegt Lucas 9,3 echter het bepaalde lidwoord toe (ἡ): bij Lucas stuurt Jezus zijn discipelen ‘de weg op’ (εἰς τὴν ὁδόν) in plaats van ‘op weg’ (εἰς ὁδὸν). Dit verschil kan, net als in het Nederlands, simpelweg een verschil in stijl aanduiden (in de Septuaginta worden εἰς τὴν ὁδόν en εἰς ὁδὸν als synoniemen gebruikt). Lucas’ toevoeging van Lucas 10,1-16 – verzen die niet in de andere synoptische evangeliën voorkomen – suggereert echter dat er meer aan de hand is. In deze passage stuurt Jezus tweeënzeventig leerlingen ‘voor zich uit (πρὸ προσώπου αὐτοῦ) naar alle steden en plaatsen waar Hij zelf nog komen zou’ (Lucas 10,1). De uitdrukking ‘voor zich uit’ (πρὸ προσώπου αὐτοῦ) verwijst terug naar het citaat uit Exodus 23,20 en Maleachi 3,1 in Lucas 7,27, waar we lezen: ‘[Johannes] is het over wie geschreven staat: “Zie, Ik zend mijn bode voor U uit (πρὸ προσώπου σου) om voor U de weg te banen”’. In Lucas 10 worden de discipelen dus ‘de weg’ (Lucas 10,4) opgestuurd om de weg van de Heer te bereiden, net zoals Johannes de Doper dat voor hen deed. Het intertekstuele verband tussen Lucas 10 en Exodus 23,20 en Maleachi 3,1 suggereert dat de toevoeging van het lidwoord aan ‘de weg’ in Lucas 9–10 inderdaad betekenisvoller is dan een stilistische verklaring zou suggereren. De weg die de discipelen getuige Lucas 9–10 gaan, wordt hier gepresenteerd als het antwoord op de oproep in Jesaja en Maleachi om de weg van de Heer te bereiden. In Handelingen wordt dit beeld verder uitgewerkt en wordt ‘de Weg’ de uitdrukking voor de volgers van de opgestane Heer.

Wegen van God, wegen van anderen

Op de plekken waar Handelingen naar de volgelingen van de opgestane Heer verwijst als ‘de Weg’ (Handelingen 9,2; 19,9.23; 22,4; 24,14.22), is vaak niet duidelijk wat de term precies behelst. Om meer licht op de bedoelingen van Handelingen te werpen, helpt het om te zien hoe de auteur van dit bijbelboek over ‘de weg van God/de Heer’ en over wegen van anderen spreekt.

In het Evangelie volgens Lucas – dat ofwel van dezelfde auteur stamt als Handelingen ofwel als voorbeeld diende voor de auteur van Handelingen – wordt Jezus ondervraagd door spionnen die waren uitgezonden door de Schriftgeleerden en hogepriesters (Lucas 20,20-26). Zij doen zich voor als leerlingen van Jezus en zeggen hem: ‘Meester, we weten (…) dat u in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God (ἡ ὁδὸς τοῦ θεοῦ)’ (Lucas 20,21). Deze verwijzing naar Jezus’ onderricht geeft goed weer waar het Lucas om te doen is: de weg van God kan gekend worden door naar Jezus’ onderwijzingen te kijken. Jezus onderwijst in Lucas regelmatig in synagogen, maar Lucas vermeldt slechts zelden de inhoud van zijn lessen. Een belangrijke uitzondering is Lucas 4,14-30, de eerste keer dat van Jezus wordt gezegd dat hij ‘onderwijst’ (Lucas 4,15.41). Deze verzen beschrijven Jezus die in de synagoge een boekrol neemt, uit Jesaja citeert en de gelezen verzen op zichzelf toepast. Zo maakt Jezus zich bekend als de messias. De weg van God die Jezus onderwijst, is hier het geloof in Jezus als de messias.

Verwijzingen naar ‘de weg van God/de Heer’ in Handelingen bevestigen dit beeld. In Handelingen 13,6-12 worden Paulus en Barnabas ontboden bij Sergius Paulus, de proconsul van Cyprus, die ‘meer wilde horen over het woord van God’ (13,7). Een Joodse magiër, Bar-Jezus (‘zoon van Jezus’, ongetwijfeld een ironische naam) genaamd, ontneemt hun echter de mogelijkheid om met de proconsul te spreken. Wanneer Paulus Bar-Jezus bestraft, verwijt hij hem dat hij ‘de rechte wegen van de Heer [verandert] in kronkelpaden’ (13,10). In vers 12 accepteert Sergius Paulus alsnog het geloof, dat hier wordt beschreven als ‘wat hij over de Heer had geleerd’. De ‘rechte wegen van de Heer’, waar Bar-Jezus de proconsul van wilde afhouden, worden hier wederom gelijkgesteld aan de leer van/over Jezus: namelijk de overtuiging dat Jezus de messias is.

Een vergelijkbaar idee vinden we in Handelingen 18,24-28. In deze verzen wordt Apollos geïntroduceerd: ‘een uit Alexandrië afkomstige Jood, die (…) onderricht gekregen [had] in de weg van de Heer en (…) geestdriftig de leer over Jezus [verkondigde]’ (18,24.25). Ondanks zijn geestdrift was Apollos’ kennis echter ontoereikend totdat Priscilla en Aquila ‘hem terzijde [namen] en (…) hem uit[legden] wat de weg van God precies inhield’ (18,26). Gesterkt door deze kennis reist Apollos naar Achaje, waar hij ‘de Joden in het openbaar in het ongelijk (…) [stelde] door op grond van de Schriften aan te tonen dat Jezus de messias is’ (18,28). Net als in Lucas 20 en Handelingen 13 staat kennis van de weg van de Heer hier gelijk aan acceptatie van Jezus als de messias. De centrale rol van Jezus in deze verwijzingen naar de Weg wordt minder uitgesproken wanneer we de verwijzing in Handelingen 14,16 naar de volken die ‘hun eigen wegen’ (αἱ ὁδοὶ αὐτῶν; de NBV vertaalt hier een enkelvoud) gingen, bezien. De context is het bezoek van Paulus en Barnabas aan Lystra, waar ze als goden onthaald worden, waarna zij hun toehoorders voorhouden: ‘Wij zijn mensen, net als u’. Vervolgens vertellen zij de Lystriërs over ‘de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft’ (14,15) en roepen zij hun publiek op om hun vroegere wegen achter zich te laten en zich tot deze God te keren. Een opvallend kenmerk van deze redevoering is dat de naam van Jezus er niet in voorkomt. Het is mogelijk dat deze is voorondersteld, maar het kan ook zo zijn dat ‘de Weg’ die Paulus en Barnabas verkondigen (en die contrasteert met de wegen van de volken), in bredere zin verwijst naar Gods werken in de geschiedenis, waarvan Jezus het hoogtepunt is.

Handelingen als Joods boek

De vraag naar het Joodse karakter van Handelingen is een van de meest bediscussieerde kwesties in de studie van dit bijbelboek. Waar de meeste wetenschappers een niet-Jood als de auteur van Handelingen aannemen, hebben sommigen beargumenteerd dat Handelingen door een Jood is geschreven. De belangrijkste argumenten voor deze positie zijn de kennis van deze auteur van Joodse wetten, rituelen en gebruiken; de wijze waarop deze auteur andere Joodse tradities in zijn geschrift. verwerkt; de nadruk op Jeruzalem als plaats van handeling en het feit dat Paulus’ activiteit met nadruk als eerste in synagogen plaatsvindt. De discussie zal nog wel even doorgaan; in mijn optiek is het echter waarschijnlijk dat Handelingen het werk is van een Jood in de diaspora, vergelijkbaar met andere Joodse auteurs zoals Philo van Alexandrië en Flavius Josephus. De observatie dat het gebruik van de term ‘de Weg’ in Handelingen teruggaat op een antiek-Joodse traditie die Jesaja 40,3 eschatologisch las, ondersteunt een Joodse achtergrond van Handelingen.

‘De Weg’ blijft een term die veeleer een Joodse dan een christelijke bijklank heeft.

De vraag naar het al dan niet Joodse auteurschap van Handelingen is niet slechts een theoretische kwestie. Het maakt een wezenlijk verschil of we het boek Handelingen lezen als een binnen-Joods conflict of als een eerste stap op weg naar een vastomlijnd, niet-Joods christendom. Er zijn goede redenen om meer naar het eerste scenario te neigen dan lang gebruikelijk is geweest. De dingen die Handelingen zegt over de Ioudaioi (‘Joden’ of ‘Judeeërs’), sluiten een binnen-Joods conflict niet uit. Uit de Dode Zeerollen weten we dat dergelijke conflicten op het scherpst van de snede uitgevochten konden worden. Daar komt bij dat christianoi (vaak vertaald als ‘christenen’) in Handelingen een zeer lokale term is, die voornamelijk in Antiochië werd gebezigd (Handelingen 11,26). De term had bovendien een negatieve bijklank en werd waarschijnlijk slechts van buitenaf op volgers van de Weg toegepast (vergelijk Handelingen 26,28). De auteur van Handelingen noemde de groep waartoe hij behoorde ‘de Weg’: een term die veeleer een Joodse dan een christelijke bijklank had.

Literatuur

• Joseph Blenkinsopp, Opening the Sealed Book: Interpretations of the Book of Isaiah in Late Antiquity (Grand Rapids: Eerdmans, 2006).
• George J. Brooke, “Isaiah 40:3 and the Wilderness Community,” in: New Qumran Texts and Studies: Proceedings of the First Meeting of the International Organization for Qumran Studies, Paris 1992, red. George J. Brooke (Leiden: Brill, 1994), 117-132.
• Bärry Hartog, “Joodse reizigers in het Romeinse rijk: Tussen globalisering en zelfbehoud,” NTT Journal for Theology and the Study of Religion 74 (2020): 23-38.
• Klyne Snodgrass. “Streams of Tradition Emerging from Isaiah 40:1–5 and Their Adaptation in the New Testament,” Journal for the Study of the New Testament 8 (1980): 24-45.

Dit artikel past binnen Bärry Hartogs onderzoeksproject ‘Identities on the Move: Travel Narratives from the Early Roman Empire’, dat financieel ondersteund wordt door de Humboldt Stiftung.

< Terug