< Terug

Met mijn wonden opstaan

Ik koester mijn wonden niet, maar ontken ze ook niet. Ik wil er niet toe worden gereduceerd. Een mens is meer dan de klap die hem is toegebracht, meer dan zijn verleden, meer dan het onrecht dat hem aangedaan is, meer dan het geschonden lichaam.

Het is november 1994. Half acht ’s avonds. Ik zit op de fiets, op weg naar een vergadering. Ik rijd op een fietspad. Een kruising. Ik moet hier linksaf en sorteer voor. Een brommer komt mij achterop. De man op de brommer scheldt mij uit in het voorbijgaan. Ik kijk hem verbaasd aan. Of was het agressief? Of uitdagend? Onwetend? Ik weet het niet. Nog geen vijftig meter verderop zie ik hem keren. Hij komt mij achterna, slaat de weg in die ik ingeslagen ben. Hij rijdt mij klem. Ik stop. Hij slaat tegen mijn hoofd. Keihard. Ik schreeuw. Geen hulp. Er dreigt nog een klap. Eén minuut doodsangst. Nog harder schreeuwen. De tweede klap blijft uit.

IK BEN GEEN SLACHTOFFER

Een dag later. Ik lig in het ziekenhuis voor een operatie. Mijn jukbeen is kapot. De politie heeft mij slachtofferhulp aangeboden. Ik weiger dat.

Na twee weken komt slachtofferhulp toch, bij mij thuis. Met een cameraman en een geluidsman. Ze verbouwen mijn kamer. Het is voor een voorlichtingsfilm. Ik heb daarin toegestemd. ‘Ga nog eens met iemand praten’, adviseert de cameraman. Ik wimpel het af. Ik ben geen slachtoffer. En ik weiger het slachtofferschap. Ik heb er ook geen tijd voor. Ik moet werken. Ik moet studeren. Ik moet.

Twee weken later zit ik in het politiebureau van Heerlen. De film is klaar. Het is de avond van de première. Vrolijkheid en ernst vermengen zich. Ik zie mijzelf terug. Timide. Ineengedoken. Een beschadigd mens. Een wond.

Ik wil opstaan. Ik wil hard roepen: Dit is een gewonde versie van mijzelf. Niet naar kijken! Dit ben ik niet. De man die hier zit is beter. Assertiever. Vrolijker ook. Ik wil mij optrekken aan mijn perfecte zelf. Die is er niet. Ik zeg niets. Ik ben dit wel. Een gewond mens.

RAAK MIJN WONDEN AAN

Het is heel veel vroeger in de tijd. We kijken naar een man die grote woorden spreekt. Zijn naam is Thomas. Hij is meegesleept door Jezus van Nazaret. Jezus heeft de wereld van Thomas op zijn kop gezet. Genezingen. Preken.

Twistgesprekken. Samen met elf andere leerlingen banen ze zich een weg door Israël. Nu zijn ze in Jeruzalem. Eén van hen is onlangs weggelopen. En nu is Jezus dood. Al drie dagen. Na drie dagen is dood echt dood. Maar Jezus is opnieuw gezien. Door tien van hen. Thomas weet van niks. Hij gelooft hun verhaal niet. Hij stelt voorwaarden. ‘Laat hij mij zijn wonden tonen! Ik wil ze aanraken. Dan pas kan ik jullie geloven.’

Plotseling staat Jezus in hun midden. ‘Kom Thomas’, roept hij. ‘Raak mijn wonden aan. Leg je hand in mijn zijde.’ Thomas stamelt: ‘Mijn Heer en mijn God.’

PAASMORGEN

Het is 2020. De wond aan mijn hoofd is al lang geheeld. En het verhaal van Thomas is de laatste jaren veelvuldig voorbij gekomen. Altijd heb ik het gelezen onder het motto ‘éérst zien, dan geloven’. Totdat ik de lezing van de Tsjechische theoloog Tomaš Halík onder ogen kreeg. In zijn visie moet Thomas niet zijn ongeloof te lijf. Thomas moet leren zien dat de Opgestane de mens met de wonden is. Het is niet een volmaakt lichaam dat oprijst uit het graf. Het is het lichaam dat beschadigd is aan het leven. Het draagt de merktekens van haat, afwijzing en verwerping. Het toont zich met het schrift van het bestaan zelf. Maar: dit lichaam is meer dan de wonden. Op Paasmorgen staat er een mens op en geen slachtoffer. Die Mens toont het leven zoals het is. Niet alleen het perfecte. En al helemaal niet het heroïsche.

IK WIL HEEL ZIJN

Halík maakt dat ik terugreis in mijn eigen geschiedenis. Ik vind mijzelf na de klap terug op het politiebureau. En zie de reactie van de agenten die niet geloven dat ik in elkaar ben geslagen. ‘Volgende keer een steen meenemen’, zegt een van hen. Ik kan het niet beloven. Ik voel mij niet gezien. Na mijn klap volgt er een zoektocht. Ik vraag naar het waarom en hoe verder. Pas nu herken ik een verlangen naar opstanding. Ik wil meer zijn dan mijn wond. Ik wil niet in een slachtoffergroep. Ik wil niet de mens zijn die bijna gesneuveld was door zinloos geweld.

Ook wil ik nergens in statistieken worden vermeld. Ik wil een heel mens zijn. Een mens die dit prachtige leven omarmt. En zijn wonden kent.

MEER DAN DE KLAP

Ik koester die wonden niet, maar ontken ze ook niet. Ik wil er niet toe worden gereduceerd. Een mens is meer dan de klap die hem is toegebracht, meer dan zijn verleden, meer dan het onrecht dat hem aangedaan is, meer dan het geschonden lichaam. Alle identiteit die zijn oorsprong vindt in het koesteren van een wond, doet zichzelf te kort. In die zin heeft de wond geen plek. De wond heeft wel zijn plaats als merkteken van het leven zelf. Als een beschadiging die een wissel op het leven trekt, het mogelijk bedreigt of moeilijk leefbaar maakt. Nog jaren blijkt de wond de bron van angst: Ik vlucht weg op onverwachte momenten. Ik vermijd mensenmassa’s.

VERLANGEN OM OP TE STAAN

Maar wat sterker is dan alle angst, is het verlangen om op te staan. De angst een halt toe te roepen. Een nieuwe plek te vinden voor onbezonnen vreugde. En de moed te vinden mij uit mijn eigen graf omhoog te laten trekken. Met mijn wonden. ‘Thomas!’ roept Jezus. En Thomas staat op. Iemand moet je helpen opstaan.

Ferdinand Borger, predikant van de Agnus Deikerk (Protestantse Gemeente Waalre).

‘Ik wil een heel mens zijn. een mens die dit prachtige leven omarmt. En zijn wonden kent.’

< Terug