< Terug

Mozes en Elia ter bemoediging

Bij Marcus 9,2-10

Met drie van zijn leerlin gen bestijgt Jezus een berg om daar alleen te kunnen zijn. Of ruas het om in die eenzaamheid dichter bij God te kunnen komen? Jezus deed ruat Mozes al eerder deed, hij ging de berg Sinaï op en heeft daar de nabijheid van God ervaren. Elia deed het ook, hij besteeg dezelfde berg (maar dan anders genoemd) en heeft daar ‘iets van God’ ervaren, in het suizen van een zachte bries.

Tijdens zijn gebed op de berg ondergaat Jezus een gedaanteverandering. Zijn uiterlijk krijgt een totaal ander aanzien en Hij straalt. En dan verschijnen Mozes en Elia – geestverwanten, dat kan niet anders. De drie leerlingen die bij Jezus zijn, maken een meer dan wonderlijke gebeurtenis mee.

Getallensymboliek

Wie in het evangelie leest over een ‘derde dag’ (Joh. 2,1 bijv.) kan terstond de oren spitsen: nu staat er écht iets te gebeuren! De derde dag is de dag van de doorbraak, waarop een belangrijke wending plaatsvindt. Wie elders in het evangelie leest over een gebeurtenis die ‘zes dagen later’ (Mar. 9,2) plaatsvond op een berg, mag vanuit een vertrouwdheid met de Schriften eveneens iets verwachten: ‘Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk’ (Ex. 24,16). De zevende dag is de dag van de theofanie, van bekendmaking en openbaring. Zoals ook de veertig dagen en nachten van Mozes’ verblijf op de Sinaï in het evangelie een echo hebben gekregen in het verhaal over het verblijf van Jezus in de woestijn. En zo zijn er nog wel meer reminiscenties aan Exodus. Zou het drietal Petrus, Jakobus en Johannes bedoeld kunnen zijn als herinnering aan Aäron, Nadab en Abidu die samen met Mozes de berg Sinaiï beklommen (Ex. 24,1)?

Driemaal

Ieder jaar presenteert het Oecumenisch Leesrooster ons op de tweede zondag van de Veertigdagen het verhaal van de Verheerlijking op de berg, ook wel aangeduid met ‘Gedaanteverandering’ of ‘Transfiguratie’. Het verhaal komt voor bij de drie synoptische evangeliën (Mat. 17,1-9, Mar. 9,2-9 en Luc. 9,28-36) en daarom lezen we er ieder jaar een andere versie van. Vaak wordt in de exegese over deze drievoudige perikoop beweerd, dat het hier handelt om een naar voren gehaald opstandingsverhaal: de opgestane Heer verschijnt aan enkele van zijn leerlingen en Hij openbaart hun zijn heerlijkheid. Enkele elementen in de tekst geven aanleiding tot deze interpretatie: een berg (locus theologicus!) als ‘openbaringsplaats’ (vgl. bijv. Mat. 24,3); het verlichte uiterlijk van Jezus (9,2); de vrees die over de leerlingen komt (9,6). Toch lijkt het geen redactionele misser van de evangelisten om dit verhaal vóór Pasen te vertellen. We beschouwen enkele aspecten van de versie van Marcus om de betekenis te kunnen achterhalen.

Mozes en Elia: overeenkomsten

In het verhaal van de Verheerlijking op de berg, door de vroege traditie reeds geïdentificeerd met de berg Tabor, worden Mozes en Elia in één adem genoemd. Dat is in de Schrift niet voor het eerst: in Maleachi 3,22-24 is dat ook het geval, terwijl de impliciete verwijzing naar beiden in Openbaring 11,3-12 voor het oprapen ligt. Nu vertonen de verhalen over Mozes en Elia ook raakvlakken: beiden vertoeven geruime tijd in de woestijn en hebben een indringende Godservaring op de Sinaï/Horeb, beiden zijn actief in het bestrijden van de afgodendienst (Ex. 32 en 1 Kon. 18) en beiden gaan gebukt onder de last van hun roeping, waardoor zij op enig moment liever sterven dan leven (vgl. Ex. 32,32 en Num. 11,15 met 1 Kon. 19,4). Mogelijk is ook de formulering van Maleachi 3,1 (tegen de achtergrond van 3,23) bedoeld als een link naar Exodus 33,2. Al deze gegevens mogen duidelijk maken dat de verschijning van beiden op de berg van de Verheerlijking in het verlengde ligt van de onderlinge overeenkomsten. Laten we daar nog wat langer bij stilstaan.

‘Wet en profeten’

Vaak wordt beweerd dat Mozes en Elia in dit verhaal de Wet en de profeten representeren. Jezus is met hén in gesprek, omdat zij de exponenten bij uitstek zijn van Israëls profetische traditie. Deze interpretatie heeft recht van bestaan, maar er zijn ook aanwijzingen om te veronderstellen dat hun aanwezigheid op de berg nog anders uitgelegd kan worden. Zo staat bijvoorbeeld dit verhaal in de context van de lijdensvoorzeggingen (Mar. 8,31-38 – bij Lucas valt bovendien de term exodos als verwijzing naar het levenseinde dat Jezus in Jeruzalem moet volbrengen). Misschien kan daarom de verschijning van Mozes en Elia begrepen worden als een verwijzing naar hun persoonlijk lijden. Elia verzucht bijna ten einde raad: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien’ (1 Kon. 19,10). Ook Mozes en Elia hebben het bij het gehoor geven aan de stem van God zwaar te verduren gehad, maar konden hun taak volbrengen doordat zij bevestigd werden in het vasthouden aan hun oorspronkelijke roeping.

Zó wordt ook Jezus op de berg van de Verheerlijking bevestigd door de hemelse stem die daar klinkt (Mar. 9,7b), op identieke wijze als bij de doop in de Jordaan, toen Jezus begon met de verkondiging van het evangelie (Mar. 1,11). Op twee cruciale momenten in Jezus’ leven, bij het begin van zijn missie én bij het begin van zijn lijden, klinkt de bat kol ter bemoediging. Mozes en Elia staan volgens deze interpretatie model voor de mens die zich door God geroepen weet met een opdracht en die tot het laatst toe daaraan vasthoudt, ondanks tegenkanting en persoonlijk lijden. Dat juist Mozes en Elia op de berg verschijnen, kan dan bedoeld zijn om Jezus te sterken op de weg die Hij gaat, nu Hij zich weldra voor de zware taak gesteld ziet om zijn roeping ten einde toe te volbrengen. Jezus verkeert, met andere woorden, in uitstekend gezelschap.

< Terug