< Terug

Mozes, zoon van twee werelden

Alternatief bij 6e zondag van Epifanie (Exodus 2:1-10)

Als in een Hollywoodfilm zoomen we na het algemene verhaal over het Hebreeuwse volk in Egypte (Exodus 1) in op het kleine verhaal van één gezin. Dit is geen beproefde verteltechniek om het grote verhaal dichtbij te brengen, maar gaat om veel meer. Als Exodus 2:1-10 gelezen is, beseft de lezer dat het grote verhaal juist nu begint. Het verhaal van bevrijding begint door deze kleine jongen uit dit ene gezin uit de stam van Levi.

In Exodus 2:1 wordt verteld dat twee leden uit de stam Levi trouwen. Omdat in dit gedeelte van Exodus juist alleen de naam van Mozes moet klinken, horen we de namen van Amram en zijn tante/vrouw Jochebed pas later, in Exodus 6:18-20. Zij krijgen twee kinderen, Aäron en Mirjam (zie o.a. Exodus 2:4; 15:20). Deze andere kinderen zijn hier slechts bijzaak, want vers 2 vertelt van de zwangerschap van Jochebed alsof het haar eerste kind is.

Drie maanden verborgen

Het jongetje, dat Mozes zal gaan heten, wordt geboren en vervolgens drie maanden verborgen. (Mannelijke) auteurs die zeggen dat het kind na drie maanden teveel hoorbaar was, slaan de plank mis, want juist in de eerste maanden huilt een kind veel. Misschien zijn de drie maanden een verwijzing naar andere mythische verhalen over leiders, die als zevenmaandskind werden geboren, en pas drie maanden later verwacht. Het was dus makkelijker om een vroeggeboren kindje te verbergen omdat men het nog niet verwachtte. Of misschien is het een symbolische periode vanwege het getal drie, dat voor een vorm van volheid staat. Hoe dan ook: het past in Gods plan dat het jongetje na deze maanden een bijzondere weg gaat. En daarvoor moet het het huis uit, en door het water van de Nijl gaan.

Reddende doodskist

De moeder van Mozes maakt een ‘mandje’. Maar het Hebreeuwse tebhah (Exodus 2:3.5) kun je veel beter vertalen met ‘arkje’, want het is exact hetzelfde woord als voor de levensreddende kist die Noach bouwt (Genesis 6:14). Een doodskist die de dood buiten en het leven binnen houdt. Door dit kistje in de Nijl te plaatsen, geeft Mozes’ moeder gehoor aan het bevel van Farao om alle jongetjes in de Nijl te werpen (Exodus 1:22), zij het dat ze dan net niet helemaal letterlijk doet wat Farao vroeg.

‘Een Hebreeuws kind’

‘De zuster van het kind’ mag op wacht gaan staan (Exodus 2:4). In de midrasj wordt gezegd dat het wachten van Mirjam later in de woestijn beloond wordt met het wachten van het volk op haar (Numeri 12:15). Nu is ze naamloos, omdat het gaat om haar rol in het verhaal van Mozes. Onder haar ogen wordt het mandje uit het water genomen door de slavinnen van de dochter van Farao. Die herkent het meteen als een Hebreeuws kind (Exodus 2:6). Dat kan niet zijn vanwege de besnijdenis, omdat dit ritueel pas aan Mozes wordt gedaan in Exodus 4: 24-26. Hoe ze het kind dan wel herkent als Hebreeuws, blijft onduidelijk. Wel duidelijk is haar reactie: ‘ze voelde medelijden’ (Hebr.: chamal), en daarmee is ze compleet anders dan haar vader, die zich juist bedreigd voelt door de Hebreeuwse jongetjes.

Een voedster

Mirjam is als zuster geheel vanzelfsprekend ineens op het toneel in Exodus 2:7, en biedt aan om een voedster te zoeken. Doordat het gevonden kind door een Hebreeuwse zal worden gevoed, keurt de prinses het goed dat het kind dus deels zal opgroeien in die door haar vader zo verafschuwde bevolkingsgroep. Een keuze met grote gevolgen, zo zal blijken. Voor de prinses is belangrijk dat het kind gevoed wordt, voor het verhaal is het belangrijk dat Mozes in deze zo belangrijke eerste jaren opgroeit in de context van zijn eigen volk en dus primair als kind van de stam van Levi wordt grootgebracht. Er is nog een ander verschil tussen de benadering van vader en dochter Farao. De vader laat de Hebreeuwse slaven werken om niet, de dochter van Farao betaalt de voedster voor haar diensten (Exodus 2:9). Een veel eerlijker verhouding dus. Met dat de betaling geregeld is, verandert ook de benoeming van de moeder van Mozes. Ze is niet meer ‘de moeder’ die ze was in het perspectief van zus Mirjam (in Exodus 2:8), maar is vanuit het perspectief van de prinses ‘de vrouw’ (in Exodus 2:9).

De naam ‘Mozes’

Deze hele perikoop werkt toe naar de naamgeving van het kind in Exodus 2:10. Ongetwijfeld had de zoon van Jochebed en Amram daags na zijn geboorte een naam van hen gekregen. Die naam wordt in het verhaal niet meegedeeld. Wel de naam die door de prinses gegeven wordt en die voor het verhaal van belang is: ‘Mozes’. De eerste en belangrijkste naam die in dit gedeelte klinkt. Het navolgende ‘ik heb hem uit het water gehaald’ is niet de etymologische uitleg van de naam, maar meer een spel met de werkwoordsvorm mesjiti (van Hebr.: masjah = uittrekken) waarin de klank van de naam Mozes terug komt (zie ook Jesaja 63:11). Piet van Midden zegt in zijn inleidend artikel in dit nummer (van De eerste dag 2020, nr. 1) (zie p. 5) al dat de naam veel waarschijnlijker een Egyptische achtergrond heeft, en ‘zoon van’ betekent, zonder dat wordt gezegd van wie. Daarmee is in de naam vervat dat Mozes vanaf het begin een zoon van meer werelden is. Hij is een zoon van de stam Levi, een zoon van het Hebreeuwse volk. En hij is een zoon van de prinses, kleinzoon van Farao. Hebreeuws en Egyptisch tegelijk. Juist dit dubbele zoonschap maakt dat hij weet hoe het aan het hof van Farao eraan toegaat, en hoe hij daar voor zijn Hebreeuwse volk moet opkomen. Dat verhaal kan nu gaan beginnen, nu Mozes zijn plek en zijn naam gekregen heeft.

Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.

< Terug