< Terug

Muren en poorten

Bij Jesaja 26,1-13 en Johannes 20,(19)24-31 /Johannes 20:24-31

Het schrijven over Jesaja 26,1-13 werd onderbroken door een fietsvakantie van mijn woonplaats naar Berlijn. Tussen alle bezienswaardigheden daar stond een gebouw met torens en een gouden koepel. Uit de politiebewaking voor het gebouw kon worden afgeleid dat het om een joodse synagoge ging. Boven de gesloten deuren stonden op de gevel Hebreeuwse letters. De woorden kwamen mij bekend voor.

Het bleken de woorden te zijn die ik gelezen had alvorens te vertrekken: ‘Doet open de poorten, – laat binnenkomen het rechtvaardige volk dat de trouw heeft bewaard’ (Jes. 26,2 – NB). Op de dag dat ik in Berlijn die woorden las, werden de mensen herdacht die vermoord waren bij hun pogingen om over de muur naar West-Berlijn te vluchten. Bij de Brandenburger Tor werden we herinnerd aan het verleden toen de nazi’s met fakkels onder die open poort door waren gelopen. De geschiedenis van een volk is in het algemeen af te lezen aan de muren die de stad bouwt en aan de poorten die zij opendoet.

Gods blijken van trouw

Toen ik na thuiskomst de woorden van de profeet Jesaja opnieuw las, en terugdacht aan de synagoge die na de oorlog opnieuw was opgebouwd, werd mij duidelijk welke kritische vraag verborgen zit in deze woorden. Te allen tijde zullen de inwoners van de stad zich moeten afvragen: de poorten die wij hebben gebouwd – voor wie doen wij ze open? De muren die wij hebben gebouwd – wie houden wij daarmee tegen? Dit doet denken aan Psalm 24, waarin de oproep om de poorten wijd open te doen bij herhaling wordt verbonden met de vraag: Wie is het die daardoor naar binnen treedt? Bij Jesaja valt de nadruk op de rechtvaardigheid van het volk waarvoor de stad de poorten moet opendoen. Uit de rechtvaardigheid blijkt namelijk dat het volk dat zal binnentreden heeft vastgehouden aan de ‘trouw’. In dit bijbelvers is ‘trouw’ in het Hebreeuws weergegeven in het meervoud: ’emoenim, terwijl dit woord elders in de Bijbel vrijwel altijd in het enkelvoud staat en dan de trouw van God betreft. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft gekozen om het meervoud te vertalen met ‘getrouwen’. Nadeel hiervan is dat trouw niet meer gezien kan worden als object van het werkwoord ‘bewaren’ (Hebr.: sjamar). Het gebruik van ‘trouw’ als object of subject doet er wel degelijk toe. Lees hiervoor Psalm 89(,2.6) en je merkt dat de psalmist de trouw (van God) als object in de mond neemt om die bekend te maken. Het subjectieve gebruik van ‘trouw’ beperkt de psalmist tot die gevallen waarin God blijk geeft van zijn trouw (89,3.9). In plaats van Jesaja 26,2 zo uit te leggen, dat het volk dat binnentreedt rechtvaardig zou zijn door de trouw die het zelf doet, kun je beter lezen dat het rechtvaardig is omdat het heeft vastgehouden aan Gods blijken van trouw.

De vrede die God bewaakt

‘Trouw’ komt van een werkwoord (Hebr.: ’aman) dat meer betekenissen kan hebben, die te herleiden zijn tot ‘vast zijn’ of ‘op één plaats zijn’. De veiligheid van de stad wordt verzekerd door de muren die om de stad heen zijn gebouwd. Het opendoen van de poorten betekent geenszins een verzwakking van die veiligheid. Belangrijk om te weten is namelijk dat veiligheid ook – of misschien wel beter – wordt verzekerd doordat de rechtvaardigen die binnentreden de trouw bewaren. Want zie hoe het iemand vergaat die zo doet: hij wordt ‘standvastig’ (Jes. 26,3). Het Hebreeuwse woord samoekh betekent ‘ondersteund zijn’, door de NBV vertaald met ‘standvastig’. Vers 3 maakt duidelijk dat de stevigheid en de veiligheid worden ontleend aan Degene die de vrede, jawel vrede! – het staat er twee keer – bewaakt. Het Hebreeuwse werkwoord natsar betekent ‘bewaken’. Wie er nog niet van overtuigd is dat het rechtvaardige volk zijn steun, ja zelfs de vrede, ontleent aan Degene op wie het zich verlaat, leze vervolgens vers 4. Daarin staat dat een mens gesteund (NB: ‘geschraagd’) is wanneer die zijn gevoel van zekerheid voor eens en altijd vestigt op de Heer, de ‘rots der eeuwen’ (NB). Dat gevoel van zekerheid (Hebr.: bathoeach, door de NBV vertaald met ‘vertrouwen’, door de NB met ‘toevlucht’) is slechts in één enkel ander vers in de Bijbel terug te vinden, namelijk in Psalm 112,7. Prachtig is het om net als bij Jesaja ook bij de psalmist te lezen hoe het hart van degene die de Heer vreest wordt ondersteund (Hebr.: samoekh) en bij Hem vast is en veilig (Hebr.: bathoeach).

Ook wij

Vanaf vers 4 wordt in Jesaja 26 verder uitgeweid over wat het betekent om je op de Heer, op zijn rotsvaste steun, te verlaten. Grote woorden klinken, zoals ‘gerechtigheid over heel de aarde’ (26,9) en opnieuw ‘vrede’ (26,12). Opmerkelijk in deze verzen is het woordje ‘ook’ (Hebr.: ’af, in vers 8; Hebr.: gam, in vers 12). Het markeert de overgang van de aandacht voor het rechtvaardige volk dat wordt opgeroepen om door de geopende poorten de stad binnen te treden, naar die voor onszelf. De legitimatie voor de bede dat de rechtsspraak van de Heer vrede is ‘ook voor óns’ (26,12) is gegeven in de vaststelling dat ‘ook wij’, net als dit rechtvaardige volk dat binnentreedt, ‘ons op U’ – in het bijzonder op uw blijken van trouw – ‘verlaten’ (26,8).

De deuren wijd open

De vinger van Tomas (Joh. 20,27) wijst in het evangelie de weg naar Degene die het einde betekent van de geslotenheid, waarin de angst mensen gevangen houdt (vgl. 20,19). Het geopende lichaam waar hij de vinger in steekt, wijst op het leven dat uit Hem stroomt en op zijn liefde die het mogelijk maken om – net als Jesaja ons leert – standvastig te zijn en vol vertrouwen te leven met de deuren wijd open.

< Terug