< Terug

Niet de steenbok, maar het geitje

Alternatief bij derde zondag van de herfst (1 Samuël 24:1-23)

Saul wil David doden en probeert hem te vinden. Zijn achtervolging moet hij staken vanwege de strijd tegen de Filistijnen. Maar na een veldslag tegen hen vervolgt hij zijn zoektocht naar David. David zoekt een veilig heenkomen en zet zich neer in het moeilijk toegankelijke gebied van de ‘bron Gedi’ (Hebr.: ‘ein-gèdi – 24:1). Saul gaat daar met drieduizend van zijn beste mannen naar hem op zoek. Hij zoekt hem tegenover de Steenbokrotsen. Dat is de plaatsnaam van een vrijwel ontoegankelijke plek.

Dat hij op de verkeerde plaats zoekt, veel te hoog, heeft hij niet door. In de naam ‘Engedi’ had Saul de aanwijzing in handen om te weten waar David zich werkelijk schuilhoudt: niet in de hoogte bij de steenbokken, maar in de laagte bij de omheiningen (Hebr.: giderot: ommuurde ruimten waarbinnen schapen en geiten gehouden worden, schaapskooien). Het Hebreeuwse woord gedi betekent namelijk ‘geitje’. David moet je zoeken bij het pasgeboren kleinvee dat nog te zwak is om steenrotsen te beklimmen, in de buurt van wie kwetsbaar is.

David spaart Saul

Door ‘zijn voeten te bedekken’ (24:4), een eufemisme voor ‘zijn behoefte doen’ (Rasji e.a.), maakt Saul zich nu juist kwetsbaar. Met zijn kleren naar beneden kan hij zich niet uit de voeten maken. Precies daar houden David en zijn mannen zich schuil. Een uitgelezen kans, zo zien Davids mannen het: ‘Zie, dit is de dag waarop de Heer tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand’, zeggen zij tegen David. Soms zijn er van die dagen, zo messiaans als wat, waarop je schuilend tegen het onheil de kans ziet dat alles zich ten goede keert. Paasdagen zijn het, waarop je zingt: ‘Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt!’ (Ps. 118,24). De mannen zeggen tegen David: Je mag met hem doen wat je wilt (24:5), wat betekent: Je mag hem doden. David doet dat niet. Hij spaart hem. In de Babylonische Talmoed (berachot 62b) staat wat David heeft gezegd tegen Saul toen hij ongeschonden de grot verliet: ‘Volgens de Tora mocht jij worden gedood, je bent immers een achtervolger, en de Tora zegt: “Wanneer iemand op weg is om jou te doden, sta dan vroeg op [voor het licht wordt] en dood hem” [vgl. Exodus 22:1-3]. Maar je zedigheid heeft je beschermd.’ Daarmee verwijst David naar het kleed waarmee Saul zich heeft bedekt toen hij deed wat elke aardse sterveling, ook een koning, moet doen. David zegt tegen zijn mannen dat hij zijn hand niet wil uitzenden tegen een gezalfde van de Heer (24:7). Let hier op het onbepaalde lidwoord ‘een’. David noemt Saul niet dé gezalfde van de Heer. Zelf is hij namelijk ook een gezalfde van de Heer (vgl. 1 Samuël 16:1-13). In het geciteerde talmoedfragment is Davids reden om hem te sparen echter dat hij Saul ziet als een mens die net als ieder ander op kwetsbare momenten bescherming nodig heeft. Hij was even niet de steenbok, maar het geitje dat bescherming zocht in een holte achter de stenen muur van de schaapskooi.

De bekentenis van Saul

David heeft in plaats van Saul te doden ongemerkt een slip van zijn overkleed afgesneden. Het overkleed staat voor het koningschap dat van Saul zal worden weggenomen en aan David gegeven. Eerder, toen Saul een slip van de mantel van de profeet Samuel scheurde, zei deze namelijk tegen hem: ‘Gescheurd heeft de HEER op deze dag het koningschap van Israël van u af en hij geeft het aan uw naaste, die beter is dan gij’ (1 Samuël 15:28 – vert.: Tom Naastepad). Wanneer Saul van David hoort dat degene die hij achtervolgt hem heeft gespaard, weent hij (24;17). Hij bekent dan dat David, niet hijzelf, een tsaddiq, een rechtvaardige is. En dat het koningschap van Israël zal standhouden in de hand van David (24:21). Deze bekentenis van Saul klinkt heel fraai. Maar zijn het wel zijn eigen woorden? Het lijkt er eerder op dat hij de profetie van Samuel herhaalt dat het koningschap naar David zal overgaan, die beter is dan hij. Hoeveel is trouwens Sauls bekentenis waard na Davids spervuur van vragen (24:15) of diens verwijzing naar God, dat ‘Hij zal richten tussen mij en u’ (24:16)? Wie met Gods gericht een ander wil overtuigen, en daarbij ook nog eens zichzelf het eerst noemt (‘mij en u’), moet niet een geheel vrijwillige bekentenis verwachten. Daarbij stelt David zich voor hem op en zegt, haast tergend: Zie, de slip van je mantel in míjn hand! (24;12). Sauls bekentenis: het koningschap is beter af in jouw hand (24:21), is hem daarmee door David in de mond gelegd.

Messiaans normbesef

Niet alleen bij Sauls bekentenis, ook bij het sparen van Saul door David moet je vraagtekens zetten. Want dat is geen daad van edelmoedigheid. Anders zou David hem hebben gespaard zonder een slip van zijn mantel af te snijden. Nee, het is een daad van geslepen raffinement. Hij maakt een koninklijke geste uit messiaans normbesef. Zowel de daad van David als de bekentenis van Saul zijn daarom dubbelzinnig. Ze zijn niet louter en alleen gedaan met het oog op het goede van de mens dat zij voor zich zien. Maar ze zijn bij beiden ingegeven door het besef dat je als gezalfde van de Heer tot redding kunt zijn voor de kinderen van Israël vanuit de diepe overtuiging zelf redding nodig gehad te hebben op kwetsbare momenten, en op het beslissende moment te zijn gespaard. Dat besef, en niet de verwantschap door het huwelijk van David met Sauls dochter, maakt dat beiden ondanks hun verschillen elkaar aanspreken vanuit een diepe verbondenheid: ‘mijn vader’ (David tegen Saul, 24:12), en ‘mijn zoon’ (Saul tegen David, 24:17).

Deze exegese is opgesteld door Henk Schoon.

< Terug