< Terug

Nieuwe en oude dingen uit de opslag

Bij Efeziërs 4,(1)7-16

In Matteüs 13,52 vergelijkt Jezus een schriftgeleerde die een leerling van het Koninkrijk is geworden, met een huisvader die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt. Net zo is het met de schrijver van de brief aan de Efeziërs. Hij put uit de leer van Paulus; Paulus dient hem als inspiratiebron. Maar gewoonweg Paulus’ gedachten herhalen lijkt hem in zijn situatie niet te volstaan. Hij denkt Paulus’ gedachten verder, geeft er een nieuwe draai aan en past ze daardoor toe op zijn tijd. Ik betrap me op de wens dat zijn creatieve benadering van de traditie besmettelijk mag zijn…

Paulus had in 1 Korintiërs 12 de metafoor van het lichaam gebruikt in een situatie waarin verschillende groepen zich van elkaar afbakenden. Hoe kon het toch dat deze groepen meenden elkaar niet nodig te hebben? In Christus, aldus Paulus, vormen zij immers als het ware één groot lichaam waarvan de onderdelen verschillende taken hebben, maar niet zonder elkaar kunnen. De schrijver van Kolossenzen vond het een geschikt beeld, maar werkte het in een andere richting uit: Christus moet het hoofd van het lichaam zijn! Door beide teksten liet onze schrijver zich inspireren. Nog steeds drukt het beeld de eenheid uit van de Christusgelovigen wier hoofd Christus is. Maar nu wordt het gezamenlijke groeien het hoofdaspect. Alle diversiteit van ambten, alle persoonlijke geloofsontwikkeling in de gemeente dienen maar één doel: de voortschrijdende opbouw van de gemeente.

Groei

Onze schrijver denkt in doelen. Een loutere beschrijving van de status quo is niet zijn ding. Alles gaat ergens naartoe of móét ergens naartoe gaan. De gave van Christus (Efeziërs 4,7.8.11), namelijk de ‘apostelen, profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren’ (Efeziërs 4,11), heeft een functie. Deze gave moet ‘de heiligen toerusten voor het werk in zijn dienst’, ‘voor de opbouw van het lichaam van Christus’ (Efeziërs 4,12). De dingen zijn nog in beweging, het lichaam van Christus heeft nog niet de volwassenheid bereikt, het is nog in groei (Efeziërs 4,13). Volmaaktheid is een doel voor de toekomst, in zijn tijd ziet de schrijver wat er nog moet gebeuren: de eenheid van het geloof is nog niet voltooid, de kennis van de Zoon van God heeft nog niet de laatste diepte bereikt (4,13), de gelovigen zijn nog ontvankelijk voor ‘dwaalleren’ (Efeziërs 4,14). Om in het beeld te blijven: de gewrichtsbanden die het lichaam bijeenhouden zijn nog zwak (Efeziërs 4,16). Door gezamenlijke groei in de richting van het hoofd, Christus, verkrijgt het lichaam de nodige stevigheid.

Terugkijken naar de basics

Hoe bevorder je de eenheid onder gelovigen? De schrijver van Efeziërs begint het vierde hoofdstuk met een ‘vermaning’ in de stijl van Paulus – althans, dat is de vorm die hij aan dit tekstgedeelte geeft. Inhoudelijk is het meer een reminder: denk aan de grondbeginselen van je geloof, dan zie je dat eenheid ons vertrekpunt is. Want het is één lichaam, één Geest, één Heer, één geloof, één doop en één God (Efeziërs 4,4-6). Misschien stammen delen van deze opsomming uit de catechese, de onderwijzing die de geadresseerden aan het begin van hun geloofsleven voor het toetreden tot de gemeente hebben ontvangen. In ieder geval zijn het allemaal aspecten waarmee niemand het oneens zal zijn. Door je bewust te worden van wat je verbindt, creëer je een tegenwicht bij de actuele meningsverschillen of twistpunten.

Eenheid en individualiteit

Het streven naar eenheid betekent voor onze schrijver niet dat de individualiteit moet verdwijnen. Hij weet maar al te goed hoeveel de gemeenteleden van elkaar verschillen, en dat een gemeente sterker wordt als er ruimte is voor iedereen als individu. Gemeenteopbouw en gezamenlijke groei zijn maatwerk. Drie keer gebruikt onze tekst het woord voor ‘maat’ (Gr.: metron), waarvan twee keer om de verschillen tussen de gelovigen aan te duiden: overeenkomstig de ‘mate’ waarin ieder enkel lichaamsdeel werkzaam is, komt de groei tot stand (Efeziërs 4,16), de genade is ieder enkel ten deel gevallen naar ‘de maat’ van de gave van Christus (Efeziërs 4,7). Niet iedereen hoeft hetzelfde te zijn of te doen; niet iedereen is alles in dezelfde mate toebedeeld. Ruimte laten voor elkaar – dat lukt als iedereen zijn leven leidt ‘in alle deemoed, zachtmoedigheid en geduld’ (Efeziërs 4,2).

Oude deugden in de eenentwintigste eeuw

Deemoed, nederigheid, een mindset die vrijwillig de positie van de mindere kan innemen – wat een contrast met de denkbeelden van onze tijd, dacht ik tijdens het lezen. Getriggerd door de samenstelling van het Griekse woord tapeinophrosunè uit ‘laag’ en ‘gezindheid’, stond ik er even bij stil dat een ‘laag zelfbeeld’ soms nagenoeg als een onwenselijke psychische ontwikkeling wordt geduid. Maar hoe zit het eigenlijk met het Griekse woord? Wat de Nieuwe Bijbelvertaling als ‘bescheidenheid’ weergeeft, speelt onder de waarden van de Griekse Oudheid over het algemeen geen positieve rol. Wel is dit een deugd in Qumran, het rabbinisme en überhaupt in het jodendom. Je nederige positie ten opzichte van God kennen geldt als prijzenswaardig. Via die lijn wordt nederigheid een christelijke deugd. Op zoek naar een weergave van het Latijnse equivalent humilitas kwamen de Germanen later uit bij ‘ootmoed’, ‘gemakkelijkheid van geest’, dat wil zeggen: ‘inschikkelijkheid’, of ‘deemoed’, een houding van dienstbaarheid.

Misschien ligt bescheidenheid niet alleen in de eenentwintigste eeuw niet helemaal in de culturele mainstream. Dit geldt trouwens lang niet voor alle christelijke deugden. Zo was bijvoorbeeld ‘zachtmoedigheid’, een andere vanuit de joodse traditie in het christendom terechtgekomen deugd (Matteüs 5,3.5; 11,29), in de hellenistische wereld wél een positieve eigenschap. En met gebrek aan een goed zelfbeeld heeft nederigheid niet per se te maken. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407) definieert iemand als ‘nederig’ wanneer hij/zij zich bewust is van voortreffelijke aspecten in zijn persoon, maar daarmee niet te koop loopt.

Bij Efeziërs 4:(1)7-16

< Terug