< Terug

Nog meer geloof? Doe je plicht!

Bij Habakuk 3,1-3.16-19 en Lucas 17,1-10

Vraag om mededogen

Als het wereldtumult losbarst – en is het niet altijd al begonnen? – vraagt de profeet Habakuk de HEER om mededogen. De politieke situatie is ernaar. Heel de vruchtbare schepping kan uitsterven. Nochtans belijdt Habakuk zijn vertrouwen, ja zelfs zijn vreugde in de HEER. Hoe is dat mogelijk? Jezus’ leerlingen willen een graantje meer geloof. Zijn antwoord komt hierop neer: wees nuchter en waakzaam. Doe wat je te doen staat.

Klacht, protest, gebed. Zo zou je het kleine profetenboek Habakuk kunnen samenvatten. En in die volgorde. De profeet klaagt, hij protesteert. En hij bidt. Waarom? Omdat hij wordt gekweld door de vraag waarom het kwaad goede mensen, of in elk geval onschuldige mensen treft, en waarom hij dat allemaal moet aanzien, dat geweld en dat onrecht (Habakuk 1,3). Ook in zijn eigen huis. Daarom protesteert hij bij de HEER, zijn God, want Hij luistert niet (Habakuk 1,2.12-17). De profeet neemt zijn verantwoordelijkheid: ‘ik ga op mijn wachtpost staan’ (Habakuk 2,1 – NBV), en het visionaire antwoord van de HEER op zijn protest schrijft hij op: ‘grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is’, en geeft hij door (Habakuk 2,2-20).

Toch zal ik juichen voor de HEER

De profeet toont daarbij begrip voor de reactie van de HEER. In ieder geval heeft hij er ontzag voor (Habakuk 3,2). De HEER moet immers zijn woord gestand doen, bekendmaken, dat mag duidelijk zijn. Maar de reactie van de Eeuwige zal terecht niet mals zijn. Dat begrijpt hij ook. Hoe dan ook, de profeet vraagt om mildheid: ‘toon uw mededogen als het tumult losbarst’ (Habakuk 3,2). De aarde wordt gegeseld (Habakuk 3,5-15), maar er is behoud: ‘Om uw eigen volk te redden trekt U uit, U komt tot redding van uw gezalfde’ (Habakuk 3,13). Het zal erom gaan dat Israël het hoofd koel houdt, al wordt het geteisterd. Daar is reden voor, maar de HEER zal het definitief niet zo ver laten komen dat een ander volk (concreet: de Chaldeeën) het zal overwinnen. Intussen heeft de profeet het niet meer, lichaam en ziel trillen en beven (Habakuk 3,16), maar hij blijft zijn volk een houding van vertrouwen voorleven: ‘toch zal ik juichen voor de HEER’, die hij al eerder ‘mijn God, mijn Heilige’ heeft genoemd (Habakuk 1,12). De profeet spreekt de taal van het psalmgebed, met een uitstapje naar een ander profetisch visioen (vgl. Habakuk 3,19 met Jesaja 52,7vv.)

Onderricht onderweg

Bij het evangeliegedeelte is het goed om de gang in het verhaal te blijven zien. Dan besef je ook dat gesprekken onderweg, die Jezus met verschillende ‘meelopers’ voert, niet altijd even samenhangend kunnen zijn. Het is een grote en langdurige (jarenlange?) reis; het meeste wordt lopend afgelegd. We horen als het ware gespreksfragmenten tijdens een wandeling; de groep staat stil en gaat weer verder. Van het een komt het ander. En Lucas vat soms samen, houdt de grote lijn in de gaten en voegt her en der gedeelten van gesprekken ergens tussen.

Het begint in Lucas 9,51: Jezus richt zich definitief op zijn weg naar Jeruzalem. Geregeld staat er ‘terwijl ze hun weg vervolgden’ (Lucas 9,57), ‘toen ze verder trokken’ (Lucas 10,38), of ‘op weg naar Jeruzalem’ (Lucas 13,22). Jezus gaat huizen in en uit, eet bij mensen, geneest mensen. En al die tijd is er een voortdurende stroom van uitspraken, gelijkenissen, die afwisselend is gericht tegen de farizeeën, zijn eigen leerlingen en de menigte. De perikoop van vandaag vormt een voorlopig slot van zo’n gespreksverslag, want na onze tekst staat: ‘Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea’ (Lucas 17,11). De ‘opgang’ gaat weer verder.

Omgangsvormen

De gelijkenis van vorige week (Lucas 16,19-31) was gericht tegen de farizeeën (vgl. Lucas 16,14vv.), maar nu (Lucas 17,1) zijn het opnieuw de leerlingen tot wie Jezus spreekt. Als je de tekst onbevangen in samenhang met de vorige leest, lijkt het wel alsof Jezus dacht, toen Hij sprak over de vijf broers van de rijke man (Lucas 16,28): ‘O ja, over broederschap moet Ik nog wat zeggen tegen de kleine kring rondom mij, mijn voorbeeldgroep, over broers, die onze broeders zijn.’ Dat aantal is trouwens opmerkelijk en benadrukt dat de gelijkenis in het kader van Mozes en de profeten staat. Maar ook de overgang is treffend: eindigt de gelijkenis met (de) opstanding (Lucas 16,31), in de volgende verzen komt de val ter sprake!

Dan volgt een verzameling uitspraken, bijeengehouden rond thema’s als ‘ergernis’, ‘vergeving’, ‘geloof’ (vertrouwen), ‘doen wat je behoort te doen’. Bij elkaar drie enigszins losse ‘spreuken’. De eerste (Lucas 17,1-4) kan worden samengevat met de kern ervan: ‘Let goed op jezelf’, of ‘houd u in’. Hij staat precies in het midden: houd je in, het is je broeder! De tweede scène (Lucas 17,5-6) is een antwoord op een vraag van de leerlingen, met als kern: ‘Als je vertrouwen hebt, kun je veel, zelfs een boom zal je gehoorzamen.’ De derde spreuk (Lucas 17,7-10) is een praktijkvoorbeeld, aansluitend bij het antwoord in de tweede scène over ‘gehoorzaamheid’, of ‘doen wat gedaan moet worden’.

Het zijn drie adviezen om de grondhouding van de leerlingen te toetsen. Niets gaat van een leien dakje. Het is onvermijdelijk dat er ergernissen komen, dat er mensen ten val worden gebracht. Maar laat het niet door jullie zijn. Erken dat je knechten bent, en niets dan je plicht zult doen. Het klinkt streng. Toch klinkt hier ook de vanzelfsprekende belofte van het volk van de Tora in door: ‘Al wat u ons hebt bevolen, we zullen het doen’ (vgl. o.a. Jozua 1,16 en Deuteronomium 6,1-3). De ordeningen, inzettingen en geboden, heel het heilig onderricht, het moet gedaan worden, in vanzelfsprekende gehoorzaamheid aan Mozes. En daarmee sluit dit gedeelte toch ook weer aan bij Lucas 16,19-31.

< Terug