< Terug

Om de glorie van de Heer van dood en leven

Bij Ezechiël 37,1-14 en Johannes 11,1-44

De profeet

Opnieuw is daar die hand. De hand die de profeet naar buiten leidt, is opnieuw ‘op hem gekomen’ (Ezechiël 37,1). De Heer pakt de profeet als een stuk gereedschap. Terecht vertaalt de NBV met ‘grijpen’. Want die hand gaat niet zachtzinnig om met de profeet.

Zo heeft die hand hem eerder aan de haren van zijn hoofd meegetrokken (Ezechiël 8,1-3). Deze zending van Ezechiël met lichte dwang past bij wat de Heer erbij zegt, als Hij hem naar de leden van het huis van Israël stuurt die naar Babel zijn weggevoerd en daar in ballingschap verblijven: ‘Ze zijn weerspannig, willen de woorden niet horen die je spreekt. Ze zullen je met touwen binden en niet met je willen uittrekken’ (Ezechiël 3). Zeg nou zelf: wie zou vrijwillig naar een volk gaan om woorden te spreken die het niet wil horen?

Instrument

Met wat voor gereedschap zullen we de profeet vergelijken? Met geen ander dan wat de Heer in zijn hand heeft, voordat hij Ezechiël voor de eerste keer grijpt: een boekrol. Sinds de Heer de profeet Ezechiël de boekrol heeft doen opeten, gebruikt Hij hem als zijn instrument dat Hij op diverse locaties inzet om de woorden te spreken die daarin zijn opgeschreven (Ezechiël 3,1-3). De profeet wordt opnieuw als instrument gebruikt wanneer de Heer hem vraagt of de dode botten kunnen herleven. Geen andere opzet heeft de Heer hiermee dan dat niet Hijzelf, maar zijn instrument, het woord van de profeet, dit leven zal opwekken door over deze botten te profeteren (Ezechiël 37,3-10).

Het dal met dorre beenderen

De zending van Ezechiël vindt plaats aan het Kebar-kanaal, een kanaal bij Babel, de plaats waar de ballingen verblijven, waarbij Ezechiël de kabod Adonai heeft gezien (Ezechiël 1,1.28). De NBV vertaalt deze woordcombinatie als ‘stralende verschijning van de Heer’ en de NB als ‘glorie van de Ene’. Het aanzien van deze kabod is zo ingrijpend dat Ezechiël naar dit kanaal blijft verwijzen, telkens als hij op een andere locatie weer wordt gegrepen door de hand van de Heer, of wordt opgetild door de geest die in hem komt en hij vervolgens zicht krijgt op de kabod Adonai.

De profeet krijgt deze kabod opnieuw te zien in een dal (Ezechiël 3 en 37), in de stad en in de de tempel. Wat daar te zien is, staat haaks op de verschijning van de Heer: niets stralends of glorieus, maar duister en gruwelijk. Het dal ligt in een buitengebied. Vandaar dat er staat: ‘Hij leidde mij naar buiten’ (Ezechiël 37,1). Het herinnert aan de woestijn waar het volk doorheen is getrokken. Velen hebben het onderweg niet overleefd. Het dal is beeld voor dat deel van het volk Israël dat in de loop der geschiedenis is vermoord, omgekomen door geweld, door uitputting of ziekte. De inwoners van de stad Jeruzalem, de oudsten en de dienaren, blijken zich te hebben overgegeven aan de dienst aan zogenaamde ‘keutelgoden’ die ze in hun woningen vereren, of aan de zon (Ezechiël 8). Beelden van die ‘keutelgoden’ zijn verstopt in de wanden en muren van de stad en worden zichtbaar als de profeet een muur openbreekt.

De glorie van de Heer woont in de diepte en de hoogte

Ondanks de duistere troep die de mensen ervan hebben gemaakt, verschijnt toch telkens de glorie van de Heer. De betekenis van zijn verschijning op deze duistere plaatsen wordt gegeven door het dreunend geluid dat de vleugels van de cheroebim en de wielen maken, die de profeet ziet op de plaats van de verschijning. Dat geluid verkondigt de boodschap: ‘de glorie van de Heer zij gezegend in zijn woning’ (Ezechiël 3,12). De glorie van de Heer bevindt zich boven die vleugels, die in beweging komen en zich plaatsen boven de oostelijke ingang van de tempel. Uiteindelijk ziet de profeet dat de glorie van de Heer vanuit het oosten zijn intrek neemt in het huis en dat heel de tempel gevuld wordt met zijn glorie (Ezechiël 44). Zo blijkt de boodschap van de vleugels van de cheroebim zowel te gelden voor het laaggelegen dal, als voor het zeer hooggelegen huis, zowel de plaats waar in het verleden mensen gestorven zijn, als het heiligdom dat in de toekomst opnieuw zal worden gebouwd.

Rondom beide plaatsen, het dal (Ezechiël 37) en de zeer hooggelegen berg (Ezechiël 40-43), maakt Ezechiël een rondwandeling. Hij doet dat om vast te stellen dat de glorie van God door wezens met vleugels en wielen in staat is om dáár te verschijnen en om de ruimte geheel te vullen met zijn aanwezigheid. Dit heeft geen andere bedoeling dan om te bevestigen wat de vleugels van de cheroebim verkondigen: dat het passend is om zowel in de diepte als in de hoogte, in duister en in licht, in gruwel en geluk, in sterven en herleven, de glorie van de Heer te loven, die daar woont.

Lazarus opgewekt ter ere van God

Volgens het Evangelie naar Johannes bezoekt ook Jezus meer plaatsen om te bewerkstelligen dat de kabod Adonai – in het Grieks de doxa tou theou – wordt geloofd en geprezen. Alsof hij zeggen wil: laat die glorie niet minder geprezen zijn in Betanië (‘huis van ellende’) bij Maria en Marta, of in het buitengebied waar hun gestorven broer Lazarus ligt begraven, dan in het heiligdom in Jeruzalem. De ziekte van Lazarus loopt namelijk niet uit op de dood maar op de doxa tou theou, dat is ‘de glorie (NB: verheerlijking, NBV: eer) van God’ (Johannes 11,4). Vlak voor het wegnemen van de steen en de daadwerkelijke opwekking van de dode Lazarus herinnert Jezus nogmaals aan dit verheven doel, wanneer Hij tegen Marta zegt: ‘Heb Ik je niet gezegd, dat je, als je gelooft, de glorie van God zult zien?’ (Johannes 11,40). Zelfs zijn afwezigheid bij het sterven van zijn vriend Lazarus verklaart Hij met dit doel: ‘Ik verheug Mij om jullie dat Ik daar niet was, opdat jullie gaan geloven’ (Johannes 11,15).

< Terug