< Terug

Om de liefde: toen, nu en straks

Bij Jesaja 38,1-6, Liedboek 77:4-6, 1 Korintiërs 13 en Lucas 18,31-43

De drie lezingen van vandaag hebben allemaal te maken met terugzien, het moment zelf en vooruitkijken. Het zijn mooie lezingen ter voorbereiding op het keerpunt van de tijd later deze week, Aswoensdag. Dan begint de kerkelijke tijd van opnieuw herinneren en toeleven naar het wonder van Pasen. Het gaat om liefde uit het verleden die in het heden hoop, geloof en bovenal liefde voor de toekomst geeft.

Hizkia

Het verhaal van Hizkia (Jesaja 38,1-6) speelt in het verleden. Hizkia is koning van Juda van 725 tot 697 voor Christus. Tijdens de regering van zijn vader Achaz is Juda een vazalstaat geworden van Assyrië. Koning Sanherib van Assyrië heeft heel het land ingenomen, alleen de stad Jeruzalem niet. Het verhaal van Hizkia en Sanheribs belegering van Jeruzalem staat twee keer in de Bijbel: in Jesaja 36-39 en in 2 Koningen 18-20. Het slot van Jesaja 37 (2 Koningen 19) vertelt hoe de Heer zorgt dat Sanheribs leger wordt gedood en het beleg van Jeruzalem daardoor eindigt (Jesaja 37,35-37).

De profetie geeft toekomst

In Jesaja 38,1-6 volgt het verhaal van Hizkia’s ziekte (2 Koningen 20,1-6). Hizkia is dodelijk ziek en bidt tot de Heer, zoals hem betaamt als voorbeeld van een aan God gehoorzame koning. Hizkia smeekt om vanwege zijn goede levens- en geloofswandel (Jesaja 38,3-4) genezen te worden. Hij vraagt dus om het verleden (de levenswandel) resultaat te laten hebben voor het nu (het ziek-zijn), zodat er weer toekomst (leven) is. En God, als een Heer van verleden, heden en toekomst, geeft Hizkia die toekomst in het land der levenden. Tegelijk geeft hij Hizkia ook de toekomst van zijn stad Jeruzalem (38,6). Want het bijbelse patroon is dat als het goed gaat met de koning, het ook goed gaat met het land en andersom. Dus als de koning geneest, wordt de stad ook genezen – gered. De waarde van wat er in het verleden gebeurd is, als iets waar je in het heden wat aan hebt, is de brug naar het lied van de zondag. In Psalmen 77 (LB 77:4-6) geeft dat wat God deed in het verleden moed voor nu en de toekomst (vgl. couplet 4).

De profetie wordt vervuld

Het verband tussen de lezingen uit Jesaja en Lucas zou kunnen zijn dat in beide iemand genezen wordt. Vanuit pastoraal oogpunt vind ik dat een riskant verband, dat bovendien een verkeerde focus legt. Het is krachtiger om net als in Jesaja ook in de lezing uit Lucas te kijken naar de rol van verleden, heden en toekomst. Jezus schetst in Lucas 18,32-34 een prachtig verband tussen die drie. De profetieën zijn vroeger uitgesproken en krijgen op het moment van spreken hun betekenis voor de toekomst. Dit is inmiddels al de derde lijdensaankondiging in Lucas (Lucas 9,22 en Lucas 9,44 gingen eraan vooraf), maar de betekenis ervan is nog niet tot de leerlingen doorgedrongen in deze lucaanse versie van de gebeurtenissen. Deze zal in de toekomst pas duidelijk worden.

De profetie die Jezus aanhaalt is geen letterlijk citaat uit een van de profeten, maar een gecomprimeerde versie van andere beloften. Het profetische van de lijdensaankondiging wordt onderstreept door de aanspreektitel die de blinde in het vervolg van het verhaal gebruikt. Hij noemt Jezus ‘Zoon van David’. Daarmee verwijst hij naar de Messiasbelofte en de davidische invulling daarvan zoals in de profeten gedaan, en waar Lucas al vanaf het begin van zijn evangelie (Lucas 1,68-75) over vertelt. De blinde heeft het geloofsvertrouwen om te begrijpen wie Jezus is en wat zijn betekenis zal zijn. Overigens heet de blinde alleen in Marcus 10,46-52 Bartimeüs.

De lijdensaankondiging in Lucas 18,31-34 legt sterk de nadruk op wat Jezus moet ondergaan, maar noemt niet expliciet de wijze waarop Hij gedood zal worden, de kruisiging. Het kruis is pas veel later, mede door de theologie van Paulus, zo belangrijk geworden. In deze verzen legt Lucas vooral de nadruk op de rol van mensen bij de dood van Jezus, door het gebruik van de passieve vorm van de werkwoorden in Lucas 18,32-33. Het ‘wordt’ Jezus aangedaan. Maar doordat het wordt gedaan, zal de profetie worden vervuld (Gr.: telesthèsetai – Lucas 18,31). Dat betekent niet definitief afgerond, maar meer: tot voltooiing gebracht worden. Je kunt hier goed het beeld gebruiken van een glas: de vervulling van de profetie maakt dat glas nu tot het einde, de rand, vol. Daarmee wordt de profetie, het glas, niet afgeschreven, maar dient het juist waarvoor het is: om vol te zijn, en leeggedronken te kunnen worden. Zo is het ook met Jezus’ sterven en opstaan: daarmee laat Hij de woorden van de profeten spreken waarvoor ze bedoeld zijn, en kan er uiteindelijk volop uit zijn verhaal, en letterlijk: van zijn bloed, gedronken worden.

Als de profetie wordt vervuld, blijft de liefde

De epistellezing uit 1 Korintiërs 13 is voor velen vooral bekend als huwelijkslezing. De ‘liefde’ (Gr.: agapè) in deze tekst wordt vaak begrepen als die tussen twee mensen. Maar het gaat Paulus primair om de liefde van en voor God. Geloof, hoop en liefde zijn belangrijk. Als Gods Koninkrijk is aangebroken (1 Korintiërs 13,10), zijn de profetieën niet meer nodig (1 Korintiërs 13,8-9), omdat ze immers vervuld zijn. Dan is dat waarin je gelooft en dat waarop je hoopt volledig en werkelijkheid geworden. Wat dan resteert, is de liefde (1 Korintiërs 13,13). Niet de lichamelijke liefde, maar de agapè, de liefde tussen mensen en vooral de liefde van God voor mensen en andersom. Die draagt de vervulling van de profetie. Die liefde is wat ons en God tot in zijn Koninkrijk aan elkaar verbindt.

Geloven en hopen door het verleden, in het heden, om te kunnen liefhebben en te worden liefgehad: toen, nu en straks.

< Terug