< Terug

Om de reiniging van Jeruzalem

Bij Jesaja 1,18-26 en Lucas 19,41-48

Aanklacht

In zijn eerste visioen ziet Jesaja dat de HEER Juda en Jeruzalem aanklaagt over de zonden die ze begaan. In Jesaja 1,10 verandert de aanklacht in een oproep tot gedragsverandering: luister naar Gods Tora – neem die dus ter harte. Nog uitgebreider klinkt die oproep in Jesaja 1,16-17, waarbij Jesaja 1,18 met ‘pleiten in een rechtszaak’ (een vorm van Hebr.: jakhach) direct aansluit. De inzet van het rechtsgeding is: kunnen de zonden van het volk uitgewassen, ofwel uitgewist, tenietgedaan worden?

De kleuren scharlaken, rood en karmozijn doen denken aan bloed, afkomstig van offers aan afgoden. Maar gezien de co-tekst, waarin vaak over ‘recht doen’ gesproken wordt, is het waarschijnlijker dat het om sociaal onrecht gaat. Overigens zijn de genoemde kleuren niet gemakkelijk uit te wassen, zodat ook valt te denken aan onuitwisbare zonden.

Wees gewillig en luister

De mogelijke uitspraak van het proces kan positief of negatief zijn (Jesaja 1,18b-20). Aan de positieve kant besteedt de HEER de meeste woorden. Ook krijgt het aangeklaagde volk de kans zelf invloed op de uitslag uit te oefenen, waaraan zelfs een belofte is verbonden: ‘Als jullie gewillig zijn en luisteren, zullen jullie het goede van het land eten’ (Jesaja 1,19). Dat goede zal dan niet meer aan de onderdrukkers en de vijanden ten deel vallen, maar weer aan Jeruzalem en Juda zelf.

Jesaja 1,21-26 vormt één geheel, omsloten door dezelfde term: ‘trouwe stad’ (Hebr.: qirjah ne’èmanah). Een insluiting is niet zomaar een mooie stijlfiguur, maar trekt ook de aandacht en versterkt de inhoud, hier: de stad was trouw en zal weer trouw worden. In 1,9, waar sprake was van een klein aantal ontkomenen (uit Sodom en Gomorra), werd daarop gepreludeerd. Zoals Lot met zijn vrouw en twee dochters uit Sodom kon ontsnappen (Genesis 19,15-23), zo kan dochter Sion uit de zonde van hoererij (d.w.z. afgodendienst en heulen met de bezetter) ontsnappen (Jesaja 1,8; vgl. Klaagliederen 4,6). Zoals al opgemerkt komen in deze tekst veel woorden voor die met ‘recht’ te maken hebben. Zo komen vormen van het Hebreeuwse werkwoord sjafath (= rechtspreken) tweemaal voor in Jesaja 1,17 en vier keer in de perikoop van vandaag (Jesaja 1,21.23.26.27). Het gaat God om het recht, maar Hij is daarbij meer uit op zuivering dan op wegvagen van de mensen (Jesaja 1,22.25).

Jezus weent over Jeruzalem

Jezus ziet de stad en weent over haar. Meer staat er niet. Hij bevindt zich dan ofwel nog op de Olijfberg, ofwel tussen de Olijfberg en Jeruzalem; in het Grieks staat er Kai hoos èngisen (= toen Hij nabijgekomen was – Lucas 19,41). De Olijfberg ligt op ongeveer 300 meter van Jeruzalem, en ook van de tempel. Jezus gaat ‘op naar Jeruzalem’, en dus ook naar de tempel. Naar verwachting doet Hij dat met de woorden van Psalmen 122 – een van de ‘pelgrimsliederen’ – op de lippen, maar Hij keert de woorden van deze psalm om. David is verheugd, maar Jezus weent. David spreekt van ‘vrede’ en ‘het goede’, maar Jezus somt alle ellende op die een veroverde stad doormaakt. En David spreekt over Jeruzalem als ‘een stad die hecht samengevoegd is’, maar Jezus over een stad waarin de vijanden ‘geen steen op de andere’ zullen laten (Lucas 19,44).

Als Jezus dan over vrede spreekt, blijft Hij even steken. Letterlijk vertaald staat er: ‘Als je op deze dag wist/kende, ook jij, de (dingen) ten vrede…’ (Lucas 19,42). Gaat het om weten, de kennis wat te doen om vrede te hebben/krijgen, of om kennen, ondervinden? Jezus maakt zijn zin ook niet helemaal af; Hij laat open wat er zou kunnen gebeuren als Jeruzalem wist/kende wat tot vrede strekt. En Hij benoemt de dingen ten vrede niet. Vervolgens verwijst Hij naar komende oorlogshandelingen die tegen Jeruzalem gericht zijn (Lucas 19,43-44). Jeruzalem zal letterlijk geen vrede kennen. Het gaat om de tegenstelling oorlog en vrede. Zinspeelde Jezus daarbij op het Hebreeuwse woord sjaleem (= onaangeraakt, intact) dat in de naam Jeruzalem is te horen?

Om haar komende verwoesting

Jezus’ wenen over Jeruzalem moet niet worden opgevat als een allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie; met zijn woorden over de dagen die komen staat Hij veeleer in de traditie van teksten als Jesaja 29,3 en Psalmen 137,7.9. Niet minder klinken Jezus’ woorden als een verwijzing naar bijna de laatste verzen van Tenach, het eind van de Ketoebhim: 2 Kronieken 36,17-19. Nog andere citaten (o.a. 2 Koningen 8,12; Jeremia 6,6; Hosea 10,14; 14,1) laten zien dat in Jezus’ gedachten de inname van Jeruzalem en de verwoesting van de stad in 587 voor onze tijdrekening door de Babyloniërs model heeft gestaan voor de belegering en de inname van Jeruzalem in 70 door de Romeinen. Hij heeft dus niet – zoals een aantal commentatoren beweren – zijn persoonlijke tegenstanders op het oog.

Om een reine eredienst

Bij het wegdrijven van de verkopers (Lucas 19,45) citeert Jezus Jesaja 56,7: ‘Want mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken’, maar in verkorte vorm. En Hij doet wat Zacharia (14,21 – NBV) heeft voorzegd: ‘Op die dag zal er geen handelaar meer zijn in het huis van de HEER van de legerscharen.’ ‘Die dag’ is de dag van de eindstrijd, de ‘Dag des Heren’. Het zal vanwege deze verwijzing zijn dat Jezus daarna in de tempel kan voortgaan met zijn onderricht en verkondiging van de Goede Boodschap (Lucas 19,47; 20,1). Hij bestrijdt het verkeerde gebruik van de tempel en bevestigt het belang ervan.

Wellicht ten overvloede zij gezegd dat Lucas in zijn beschrijving veel soberder is dan Matteüs (21,12-13) en Marcus (11,15-17) – en dan de HSV hier vertaalt! – waar Hij ook de kopers uit de tempel verdrijft, en dan Johannes (2,15; reeds aan het begin van zijn evangelie), waar Hij dat zelfs doet met een zweep.

< Terug