< Terug

Om het ware leven

Tweede zondag van de herfst (Amos 6:1-10, 1 Timoteüs 6:17-19 en Lucas 16:19-31)

Het onbekommerd genieten van wat je hebt is niet zo vanzelfsprekend en onschuldig als het lijkt. Dat maken de perikopen die voor deze zondag op het leesrooster staan ons wel duidelijk. Het zijn ongemakkelijke teksten voor een gemiddelde Nederlandse kerkganger, die zich toch eerder met de rijken uit deze teksten kan vergelijken dan met de armen.

Het is dus ook ongemakkelijk voor de voorganger, die haar of zijn kerkgangers niet met een schuldgevoel naar huis wil laten gaan. Het is niet moeilijk om te gaan moraliseren. De kunst is het om dit zo veel mogelijk te omzeilen en toch de teksten recht te doen.

Achteloos leven

Voor een uitgebreide analyse van de perikoop uit Amos verwijs ik naar de website www.joods-christelijke-dialoog.nl. Onder ‘Tenach’ vindt u een prima exegese van dit gedeelte. Waar het Amos om gaat, is niet de rijkdom van de leiders van Israël op zich. Rijken en armen zijn er nu eenmaal, en op zich hoeft dit geen probleem te zijn. Het is de achteloosheid van de rijke leiders die het werkelijke probleem is. Deze leiders leven vanuit de gedachte dat hun niets kan gebeuren, omdat ze alles goed voor elkaar hebben. Zij zijn toch het ‘uitverkoren volk’, een term die Amos met bijtende ironie gebruikt (6:1). God zorgt voor hen, dus wat kan er gebeuren? Ze zijn daarnaast trots op hun sterke stad, op hun verdediging, op hun voorspoed. Ze nemen het er goed van en genieten van hun overvloed. Hun leven in weelde wordt erg beeldend beschreven; we kunnen ons de braspartijen heel goed voorstellen. De leiders hadden er beter aan gedaan om een beetje te letten op wat er om hen heen gebeurt. Ze hadden zich beter kunnen bekommeren om hun onderdanen. Om degenen voor wie zij verantwoordelijkheid droegen. Om hen, die niet profiteerden van de welvaart van hun land. Aan dit achteloze, rijke leven zal nu een einde komen, zegt Amos. En juist de rijke leiders zullen het eerst ten onder gaan als hun land wordt ingenomen. Ook de rampspoed wordt met veel beelden omschreven. De laatste zinnen van de perikoop (6:9-10) zijn ronduit huiveringwekkend.

Lazarus voor de poort

Achteloosheid speelt ook een grote rol in de gelijkenis uit Lucas. Interessant genoeg is dit de enige gelijkenis waarin een van de hoofdpersonen een naam heeft. De arme Lazarus wordt niet beschreven als een goed mens, noch wordt de rijke naamloze man beschreven als een slecht mens. Rijkdom of armoede zijn ook hier geen morele categorieën. Het gaat er dan ook niet om dat de arme na zijn dood beloond wordt in de hemel en dat de rijke na zijn dood gestraft wordt in de hel. De rijke man gaat na zijn dood naar ‘de Hades’, het dodenrijk (16:23), dat in de gedachtewereld van die tijd een tijdelijke plaats was waar de doden wachtten op het oordeel van God. Lazarus wordt getroost met een ereplaats in Abrahams schoot. Hij heeft al genoeg geleden. Deze gelijkenis doet geen poging om een precieze beschrijving te geven van wat ons na onze dood te wachten staat. Het is een verhaal dat een heel ander punt wil maken: leef niet achteloos voorbij aan hen die je hulp nodig hebben. Als de rijke man had geleefd zoals het hem geleerd was door ‘Mozes en de profeten’ (16:29), had hij acht geslagen op Lazarus, die voor zijn poort lag. Dan had hij zijn rijkdom niet alleen ten gunste van zichzelf gebruikt, maar ook om anderen te helpen, die minder bedeeld zijn. Nu hij dood is, kan hij niets meer doen en niemand kan hem nog helpen. De poort die Lazarus en de rijke man van elkaar gescheiden hield, is nu een onoverbrugbare kloof geworden (16:26).

Nog steeds: Mozes en de profeten

De laatste uitspraak van Abraham is veelzeggend. Mensen die niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat (16:31). De boodschap van Jezus is niet iets heel nieuws, zegt Lucas. Wat Hij verkondigt is niet nieuw en ook wat zijn dood en opstanding te zeggen hebben is niet nieuw. Alles is al gezegd in de Tenach. De rijke man, zijn nog levende broers en alle andere mensen die achteloos aan elkaar voorbij leven, hadden beter kunnen en moeten weten. Het is niet de rijkdom die verkeerd is, maar wat je doet met je rijkdom. De valkuil van rijkdom is dat je zo bezig bent met het verwerven en behouden van wat je hebt, dat je geen oog meer hebt voor ‘het ware leven’ (Gr.: tè ontoos zoè – 1 Timoteüs 6:19). En daarbij gaat het niet om een eventueel leven na de dood, maar om het leven zoals God het bedoeld heeft. Een goed leven met elkaar, inclusief de mensen die jouw hulp nodig hebben. De woordspelingen die Paulus in vers 17-19 maakt met de woorden ‘rijk’, ‘rijkdom’ (Gr.: plousios, ploutos) zeggen genoeg: rijkdom vind je niet zozeer in bezit, maar in de gaven van God en in goede daden.

Hoeveel Lazarussen voor je poort?

Nu is in mijn beleving het punt bij veel kerkgangers niet zozeer dat ze achteloos met hun geld smijten en zich niets aantrekken van de wereld om hen heen. Integendeel zelfs, velen weten maar al te goed van al die mensen die hun hulp nodig hebben, en bezwijken haast onder de morele last van al deze mensen. Er ligt in onze geglobaliseerde samenleving niet één Lazarus voor onze poort, maar er liggen honderden Lazarussen. Enige relativering is dus broodnodig. Ja, onze daden doen ertoe, maar één Lazarus per persoon is al uitdaging genoeg.

Deze exegese is opgesteld door Marise Boon.

< Terug