< Terug

Om van Jezus’ naam in woord en daad te getuigen

Bij Maleachi 3,19-24 1en Lucas 21,5-19

In de tempel

Jezus bevindt zich in de tempel. Daaruit had Hij eerst de kooplieden verdreven, waarmee Hij zo veel verzet had opgeroepen dat gezocht werd naar een gelegenheid om Hem om te brengen (Lucas 19,45-48). Zijn leven was in gevaar, maar dat verhinderde Hem niet onderricht te geven en in discussie te gaan met schriftgeleerden, overpriesters, farizeeën en sadduceeën. De afsluiting daarvan is de rede die begint in Lucas 21,5.

De tempel was een indrukwekkend gebouw. Het goud waarmee deze bekleed was verblindde je ogen wanneer de zon erop scheen. Sommigen van Jezus’ leerlingen wijzen op de prachtige stenen waarmee hij versierd was. Jezus reageert: er zullen dagen komen waarin van deze tempel geen steen op de andere zal worden gelaten (Lucas 21,6).

Lucas schrijft ruim na de verwoesting van de tempel in het jaar 70. Voor velen moet die hebben aangevoeld als het einde van alles. Het hart was uit het tot dan toe bestaande jodendom gesneden. Dat dit uiteindelijk het einde niet was, blijkt uit de tweevoudige gestalte waarin het jodendom bleef voortbestaan: het farizese, rabbinale jodendom met de synagoge als centrum, en de hiervan afgesplitste Jezusbeweging.

De reactie van leerlingen en omstanders op Jezus’ uitspraak is opmerkelijk (Lucas 21,7). Niet: waarom gebeurt dat en wat kunnen wij doen, maar meer afstandelijk: wanneer zal dat zijn en wat zal het teken zijn dat het te gebeuren staat?

Laat je niet bang maken

Dan geeft Jezus drie waarschuwingen: dwaal niet, loop niet achter religieuze fantasten aan, en laat je geen angst aanjagen. In crisistijden treden altijd rattenvangers op: laat je niet verleiden, ze doen alsof ze door Mij gezonden zijn, ga er niet achteraan, al roepen ze nog zo hard dat de tijd (Gr.: kairos) nabijgekomen is (Lucas 21,8-9). Daarbij valt te denken aan de dag des Heren, waarover Maleachi (3,19) zegt: die dag komt, brandend als een oven. Een dag van vergelding en van herstel. En zoals Maleachi (3,22) oproept om de wet van Mozes te gedenken, zo klinkt bij Lucas (21,13) de oproep om te getuigen.

Het zijn duistere woorden in Lucas 21,9-11. Duiden ze op voor de eerste lezers herkenbare gebeurtenissen? Of zijn het zaken die voor elke tijd gelden? Oorlogen, opstanden: dat alles ‘moet’ eerst geschieden. Tja, dat geheimzinnige Griekse woordje dei. Moet dat? Van wie en waarom dan? Zie Daniël 2,28. Er komt dus nog meer: volken en koninkrijken die tegen elkaar opstaan (Lucas 21,10; Jesaja 19,2). Het is alsof je de krant leest. Van alle tijden dus? En aardbevingen, hongersnoden en epidemieën: ebola, zika enzovoort (Lucas 21,11). Vreselijke dingen en grootse tekenen vanuit de hemel. Waaraan moeten we hierbij denken? Of is dit samenvattend bedoeld?

‘Het zal voor jullie uitlopen op getuigenis’

Dan een opmerkelijke wending: vóór dat alles zullen ze de handen aan u slaan (Lucas 21,12). Dus vóór al die duistere gebeurtenissen (Lucas 21,9-11). Wie zijn die ‘u’ ? Het lijkt erop dat hier gedacht moet worden aan Jezus’ leerlingen, de prille gemeente. Het lijkt hier te gaan om vervolgingen van de kant van de Joden, niet van de Romeinen. Uit Handelingen is hiervan een en ander bekend. ‘Omwille van mijn naam’! Omwille van Jezus’ naam, dus als gevolg van het getuigenis. Daar valt dan dat woord: getuigenis, martelaarschap. Getuigen van de naam van Jezus is riskant. Het risico dat Jezus zelf liep, zal voor zijn volgelingen niet anders zijn. Daar zal het op uitlopen (Lucas 21,13).

Geloven is getuigen in woord en daad. Het is ernst maken met en metterdaad gestalte geven aan liefde, vergeving, verzoening. Getuigen kan martelaarschap betekenen. Het Griekse martureoo heeft beide betekenissen: getuige zijn, martelaar zijn.

‘Ik zal jullie mond en wijsheid geven’

Dan volgen enkele pastorale, bemoedigende opmerkingen: prent in je hart dat je niet vooraf gaat bedenken hoe je je moet verdedigen. Je weet immers toch niet hoe het zal gaan en je kunt je energie beter besteden aan het getuigenis zelf. Vertrouw erop dat Ikzelf je een mond zal geven. Wat Jezus hier zegt roept Exodus 4,15 op, waar God zegt dat Hij met de mond van Mozes zal zijn. Jezus zal de zijnen, wanneer die ter verantwoording worden geroepen inzake hun getuigenis, vervolgens ook wijsheid geven die de tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken (Lucas 21,14-15).

Niettemin moeten zij ermee rekenen dat ze verraden en soms ter dood gebracht zullen worden, zelfs door mensen die hun het meest nabij zijn. Je echte familie zijn niet degenen met wie je verbonden bent door bloedbanden, maar door de tafel van de Heer. Elders zegt Jezus: ‘Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen die het woord Gods horen en doen’ (Lucas 8,21). De naam roept haat en verachting op (Lucas 21,17). Waarom is dat? Waarom riep Jezus deze haat en verachting van meet af aan op (Lucas 4,28-29)? Omdat er woorden van genade van zijn lippen kwamen (Lucas 4,22) en omdat Hij leerde met gezag en steeds de daad bij het woord voegde. Woord en daad waren bij Hem één, zoals in het Hebreeuwse woord dabar.

‘Maar geen haar van uw hoofd gaat verloren en in de volharding zult ge uw leven verwerven’ (21,18-19). Er staat niet dat de leerlingen geen haar gekrenkt zal worden, maar dat er geen haar verloren gaat. Het getuigenis, ook waar dat op martelaarschap uitloopt, gaat niet verloren, maar draagt vrucht en wordt bewaard, ook door de dood heen. Juist in de volharding wordt het leven verworven. Omgekeerd gezegd: wie het opgeeft, verliest zijn leven. Die raakt kwijt wat het leven tot leven maakt. Elders zegt Jezus: ‘Wie zijn leven liefheeft zal het verliezen, maar wie het prijsgeeft om mijnentwil zal het behouden.’

< Terug