< Terug

Onderling pastoraat ontwikkelen

Onderling pastoraat krijgt op veel verschillende manieren vorm, dat is wel bekend. Tijdens de coronacrisis is die verscheidenheid in praktijken meer zichtbaar geworden in de samenleving en ook verder uitgebreid in bereik en vormgeving, bijvoorbeeld het contact via online gesprekken. Binnen de kerken is al langer aandacht voor de verscheidenheid aan praktijken,[1] variërend van appgroep tot groeigroep, van koor tot koffiedrinken en van netwerk tot noabers.[2] Minder duidelijk is hoe onderling pastoraat feitelijk functioneert.[3] Toch leven er bij de pastoraal verantwoordelijken in veel gemeenten juist daarover vragen: hoe organiseren we ons pastoraat? En wat moeten we voor onderling pastoraat anders doen?[4]

Voor een antwoord op die vragen is in samenwerking met predikanten in 2019 een verkennend, praktijkgericht onderzoek uitgevoerd.[5] Vanwege die samenwerking schrijf ik als auteur van dit artikel in de wij-vorm.[6] De onderzoeksvraag luidt: op welke manieren qua beleid en vormgeving ontwikkelen de pastoraal verantwoordelijken in gemeenten binnen de Protestantse Kerk in Nederland het onderlinge pastoraat? Als werkdefinitie van onderling pastoraat zijn we uitgegaan van deze omschrijving: gemeenteleden die in het alledaagse leven persoonlijk of in groepsverband pastoraal en liefdevol omzien naar elkaar en naar anderen die dat behoeven, in de vorm van een gesprek, praktische hulp of een gebaar van meeleven, met als doel elkaar op te bouwen in geloof, hoop en liefde.[7] Deze werkdefinitie bepaalt vooral het subject van pastoraat: het gaat om zielzorg in de gemeente, die we onderscheiden van zielzorg namens of in opdracht van de gemeente.[8] De eerste vorm gebeurt door gemeenteleden, de tweede vorm is het bezoekwerk dat vanuit de kerkenraad wordt georganiseerd en gedaan wordt door (al of niet ambtelijke) vrijwilligers en professionals, zoals predikanten en kerkelijk werkers.

In het vervolg van deze bijdrage bespreken wij eerst twee analysemodellen als theoretisch kader om daarmee het praktijkmateriaal geordend in beeld te brengen. Vervolgens komen de onderzoeksvraag en -methode aan de orde en benoemen we enkele voor- en nadelen daarvan. Daarna geven we de onderzoeksresultaten weer met behulp van de twee genoemde analysemodellen. In een volgende paragraaf doen we een theologische peiling: welke theologische normativiteit is te bespeuren in het materiaal? Tot slot formuleren we enkele samenvattende conclusies en doen we enkele aanbevelingen voor de ontwikkeling van onderling pastoraat op plaatselijk niveau.

Twee analysemodellen

Aansluitend bij de kernbegrippen beleid en vormgeving uit de onderzoeksvraag maken we voor de beschrijving van de onderzochte praktijken gebruik van twee analysemodellen. Het eerste model is ontleend aan Rein Brouwer die vier perspectieven onderscheidt om de dynamiek van geloofsgemeenschappen te onderzoeken.[9] Vanuit het perspectief van de structuur onderzoeken we hoe mensen en middelen doelgericht op elkaar afgestemd worden. Bij het perspectief van de cultuur gaat het om het eigene van de vormgeving: hoe krijgen waarden en overtuigingen vorm in de omgang met elkaar? De andere twee perspectieven komen hier alleen indirect ter sprake, namelijk context (waar bevindt de geloofsgemeenschap zich en welke wisselwerking vindt daar plaats?) en leiding (hoe wordt leiding gegeven en welke rol speelt het ambt?).

Het tweede analysemodel gebruiken we om de verscheidenheid aan vormgevingen van onderling pastoraat te ordenen. Het model sluit aan bij Heitink en De Roest en is gebaseerd op het onderscheid van vier dimensies van gemeentezijn.[10] Heitink onderscheidt (in navolging van Berkhof) de kerk als instituut, gemeenschap en brug-gebeuren of ‘de voortgaande beweging tussen God en de wereld’.[11] Bij deze derde dimensie spreekt Henk de Roest van drie ‘grensoverschrijdingen’ die hij typeert als kerkzijn met en bij de buren en kerkzijn voor de buren.[12] Wij zien daarin twee bewegingen: gemeenteleden bewegen van binnen naar buiten door met anderen samen te werken voor het welzijn van de omgeving en door zich als vrijwilliger in te zetten bij niet-kerkelijke instellingen. Omgekeerd nodigen kerken mensen of organisaties uit om van buiten naar binnen te bewegen door kerkgebouw en/of omringende ruimte voor hen open te stellen.

Met deze vier dimensies van kerkzijn onderscheiden we vier verschillende benaderingen van onderling pastoraat. De ene gemeente richt zich bijvoorbeeld op de organisatie van pastorale taken en activiteiten en ziet het onderlinge pastoraat als een onderdeel daarvan. Veel aandacht gaat naar structuur en afspraken. Deze institutionele benadering noemen we het organisatietype. Een andere gemeente kiest het omzien naar elkaar als uitgangspunt van onderling pastoraat. Centraal staan gemeenschap en onderlinge relaties. Daarom hecht men belang aan de meer flexibele en spontane tussenmenselijke omgang. Dat is het ontmoetingstype. Een derde gemeente wil vooral kerk voor de buurt zijn en zoekt de verbinding. Zij organiseert activiteiten waar iedereen welkom is. Dat noemen we het gastvrije type. Een vierde gemeente kiest voor (diaconale of missionaire) presentie en zoekt naar bondgenoten voor samenwerking om de zorg voor elkaar in de buurt te bevorderen. Dat is het samenwerkingstype. In de praktijk sluiten de benaderingen elkaar niet uit en is er overlap. Zo ziet Henk de Roest de institutionele en de flexibele of spontane benadering niet als tegenstellingen, maar als uitersten op een dynamisch continuüm.[13] Beide veronderstellen elkaar, maar de accenten kunnen verschillen.

Samenwerken als werkwijze

In de schijnbaar enkelvoudige onderzoeksvraag gaan drie onderscheiden belangen schuil. Die hangen samen met de gekozen werkwijze voor het onderzoek als ‘collaboratieve praktische theologie’.[14] Dit betreft samenwerking tussen verschillende partners.

  1. De praktisch-theologische onderzoeker van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) leidt het onderzoek op verzoek van de Protestantse Kerk in Nederland (via de wetenschappelijk beleidsmedewerker pastoraat) ten behoeve van materiaalontwikkeling voor de beroepspraktijk, namelijk het onderlinge pastoraat (contract research).
  2. Het onderzoek wordt samen met acht protestantse predikanten uitgevoerd (joint research). Zes van hen doen dit als deelnemers aan een tweedaagse PAO-cursus ‘onderling pastoraat onderzoeken’ in het kader van de permanente educatie. In de cursus worden zij toegerust als onderzoekers (professional development course).
  3. Voor de dataverzameling in hun gemeenten met kwalitatieve vragenlijsten werken de predikanten als mede-onderzoekers samen met doelgericht geselecteerde gemeenteleden als informanten met ervaring rond onderling pastoraat (focusgroepen). De vragenlijst is als onderzoeksinstrument getest in een pilot waaraan de overige twee predikanten meewerkten. Het onderzoek wordt begeleid door een responsgroep, bestaande uit de senior onderzoeker namens de Protestantse Kerk en een predikant met kennis en ervaring op het gebied van onderling pastoraat, die feedback geeft op de verschillende stadia van het onderzoek.[15] Op hun advies is de analyse van de vragenlijsten met aanvullende vragen ter verheldering of concretisering voorgelegd aan de acht predikanten die daarover per email en/of telefonisch zijn geïnterviewd.

Zoals gezegd hebben de verschillende partijen in dit onderzoek onderscheiden belangen. De praktisch-theologische onderzoeker zoekt inzicht in het functioneren van onderling pastoraat in verschillende geloofsgemeenschappen. Daarom kiest hij voor een vergelijkende onderzoeksvraag: hoe ontwikkelen verschillende gemeenten onderling pastoraat? De kerk wil gemeenten ondersteunend materiaal bieden en heeft daarom belang bij een adviesvraag: hoe kan het ontwikkelen van onderling pastoraat verbeterd worden? De predikanten zijn al druk bezig met dit ontwikkelen en hebben behoefte aan evaluatie en advies: wat werkt goed en wat kan beter? We vatten de verschillende belangen samen in het werkwoord ontwikkelen. Dat duidt op een proces: op welke manieren vindt de ontwikkeling van onderling pastoraat tot nu toe plaats en wat leert ons dat voor de verdere ontwikkeling ervan?

Een beperking van deze verkennende, meervoudige gevalsstudie is dat doelgerichte selectie niet mogelijk was binnen het kader van de vrijwillige deelname aan een PAO-cursus. We weten niet of de verschillende uitingsvormen van onderling pastoraat in de onderzoeksgroep vertegenwoordigd zijn.[16] Er is wel enige variatie doordat de predikanten werken in verschillende contexten. Het gaat om vier kleine dorpen, waarvan twee in het Noorden, namelijk een gereformeerde kerk met een evangelische inslag en een hervormde gemeente, en twee in het midden des lands, namelijk een open Protestantse gemeente en een traditionele gereformeerde kerk. Daarnaast gaat het om een grote, traditionele gereformeerde wijkkerk in een groot dorp; twee gemeenten in een stadswijk, namelijk een veelkleurige Protestantse gemeente en een Protestantse gemeente als kerk in de buurt; en een protestantse centrumkerk in een grote stad.

Een ander nadeel betreft het gebruik van vragenlijsten als onderzoeksmethode, omdat de waarneming van de praktijk daarmee tweemaal gefilterd wordt: eerst door de predikanten als medeonderzoekers, die vervolgens zijn aangewezen zijn op de waarnemingen van de gemeenteleden. De gegevens zijn dus onvolledig en gekleurd door de predikanten en de door hen geraadpleegde informanten. Deze beperkingen van de data zijn enigszins gecorrigeerd en aangevuld door waarnemingen en reflecties van de leden van de responsgroep, voorbeelden van gemeenten op de website van de Protestantse Kerk in Nederland en kennis uit eerder onderzoek.

Om betrouwbaarheid en validiteit te vergroten is gekozen voor methodentriangulatie, waarbij gebruik is gemaakt van de genoemde gevalsstudies, de veldnotities van de onderzoeker tijdens de PAO-cursus, de eindverslagen van de cursusdeelnemers met hun eigen reflecties (op vragenlijst, literatuur en cursusbesprekingen), en de interviews over de aanvullende vragen bij de vragenlijsten. Daarnaast is gekozen voor onderzoekerstriangulatie zowel via de predikant-onderzoekers die in de cursus hun gevalsstudies gedeeld en becommentarieerd hebben en op twee momenten feedback gaven op de voorlopige onderzoeksresultaten (member checks), als via de responsgroep, als kritisch betrokken panel bij het onderzoeksproject (peer debriefing). De predikanten hebben schriftelijk toestemming gegeven voor geanonimiseerd gebruik van hun verslagen en de interviews.

Onderzoeksresultaten

In deze paragraaf schetsen we hoe onderling pastoraat functioneert qua beleid (1) en vormgeving (2) in de onderzochte protestantse geloofsgemeenschappen. Tot slot geven we op basis van de analyse een beknopte typering hoe de verschillende gemeenten onderling pastoraat benaderen (3).

1. Beleid

Volgens het analysemodel van Brouwer is hier het centrale spanningsveld of structuur en middelen gebruikt worden om de situatie te veranderen of te handhaven. In deze paragraaf laten we zien hoe dit spanningsveld er concreet uitziet bij de ontwikkeling van onderling pastoraat. We doen dat aan de hand van drie thema’s: pastorale structuur, beleidsplan en processen. Deze thema’s zijn via de vragenlijst en de interviews uitgevraagd.

1.1. Pastorale structuur

Een belangrijke reden voor de predikanten om deel te nemen aan het onderzoek is dat zij onderling pastoraat zien als een kans om de pastorale arbeid te bevorderen. Het kan daarbij gaan om verbreden (groter bereik), stimuleren (meer participatie), vernieuwen (andere werkwijze) of verdiepen (meer doordacht en gemotiveerd). Ze zien verschuivingen in het pastorale veld en in de culturele context en willen onderzoeken welke kansen onderling pastoraat biedt om daarbij aan te sluiten. Dat vraagt om verandering van de pastorale structuur. De predikanten noemen daarvoor zes motieven.

1) Het vereenvoudigen van de pastorale structuur is een motief dat in vrijwel alle onderzochte gemeenten speelt. Dat betreft twee aspecten: minder wijken en lichtere taken. Minder wijken betekent in de stadswijken en kleinere dorpen dat de traditionele wijkindeling met wijkouderlingen wordt losgelaten. In plaats daarvan is een pastoraal team of een pastoraatsgroep verantwoordelijk voor het pastoraat in de hele gemeente. In de meer traditionele gereformeerde kerken in de dorpen betekent minder wijken het vormen van (wijk)teams voor een kleiner aantal wijken of clusters, al of niet onder leiding van een coördinator.[17] Het andere aspect is dat de taken lichter worden gemaakt door deze over meerdere vrijwilligers te verdelen, waardoor het aantal adressen voor vrijwilligers beperkt wordt, liefst onder de tien. 2) Dat laatste is het tweede motief dat overal speelt: beter aansluiten bij de gaven en mogelijkheden van mensen (waaronder beschikbare tijd). Velen willen geen ouderling worden, maar best in de straat zorgen voor een nieuwe activiteit. Beide motieven vormen de keerzijde van het probleem dat in veel gemeenten speelt: de toenemende moeite om ambtsdragers, met name ouderlingen, te vinden. Vereenvoudiging van de pastorale structuur wordt gezien als kans om onvervulbare vacatures op te lossen. Enkele gemeenten kiezen daarmee bewust voor meer gavengericht dan taakgericht werken.

3) Het motief van beter aansluiten speelt ook aan de kant van wie pastoraat ontvangen. Verschillende predikanten signaleren de verscheidenheid aan pastorale behoeften en wensen van mensen. Ze zien dat bepaalde groepen niet worden bereikt via de bestaande werkwijze of zelf moeilijk aansluiting vinden. In de grote stad ziet de predikant bijvoorbeeld een toenemende behoefte aan evenmenselijke zorg in plaats van de traditionele, meer hiërarchische vorm van ambtelijk pastoraat. Elders geven sommigen aan dat ze niet op ouderlingenbezoek zitten te wachten. 4) Op meer collectief niveau speelt het motief van de verbondenheid met elkaar een rol. Vrijwel alle gemeenten in dit onderzoek hechten expliciet veel waarde aan onderlinge betrokkenheid. De prioriteit ligt dan niet bij de formele vraag of alle adressen bezocht zijn, maar bij de informele vraag of mensen voldoende meeleven van elkaar ervaren.

De laatste twee motieven komen voort uit de context, cultureel en kerkelijk. 5) Cultureel speelt het leven in verschillende netwerken en de diversiteit aan godsdienstige en kerkelijke voorkeuren en wensen een rol. De kerk als instituut met lidmaatschap en (kerk)orde trekt veel mensen niet meer aan en verbondenheid hangt voor hen niet af van kerkgrenzen. Onderlinge contacten worden meer vloeibaar. Predikanten willen inzicht in deze culturele verschuivingen om weloverwogen nieuwe wegen in te slaan en de verandering van de pastorale structuur door onderling pastoraat beter uit te kunnen leggen. 6) Ook de landelijke kerkelijke context speelt een rol. Een gemeente kiest voor de landelijk ontwikkelde waarderende gemeenteopbouw, verschillende gemeenten werken met (evangelische) gemeentegroeigroepen, en de kleine Protestantse dorpsgemeente sluit voor de vormgeving aan bij het jaarthema van de Protestantse Kerk ‘Een goed gesprek’.

In de genoemde motieven zien we het spanningsveld dat Brouwer noemt terug: men wil de pastorale arbeid handhaven door de pastorale structuur te veranderen. Die verandering kan vanuit twee perspectieven gemotiveerd worden: gemis of geschenk.[18] Ligt de start bij wat er niet is, de tekorten en problemen zoals onvervulbare vacatures, dan is de focus: het tekort veranderen om de bestaande structuur te handhaven. Gaat men uit van wat er wel is: de geschonken gaven, de positieve ervaringen, dan is de focus omgekeerd: het tegoed handhaven door de structuur te veranderen. De volgende vraag is dan: hoe functioneert het beleidsplan bij de ontwikkeling van onderling pastoraat?

1.2. Beleidsplan

In dit onderzoek is gevraagd naar de aandacht voor onderling pastoraat in het beleidsplan in relatie tot missie, visie en werkplan. Weliswaar hebben alle gemeenten een beleidsplan met een onderdeel voor pastoraat, maar het geheel overziend bieden deze beleidsplannen onvoldoende houvast voor het te voeren beleid rond onderling pastoraat. We zien vier beperkingen: een gebrekkige visie op onderling pastoraat, het veelal ontbreken van een werkplan, de moeite met beleid en een spanning tussen visie en organisatie.

De eerste beperking betreft de gebrekkige visie. De missie die gemeenten formuleren, wordt meestal niet vertaald naar onderling pastoraat. In de enkele gevallen waarin dat wel gebeurt, is die link heel beperkt: het gaat om betrokkenheid en meeleven met elkaar. Ook de aandacht voor de visie is in de meeste beleidsplannen summier of zelfs afwezig. Een van de predikanten was voor de deelname aan de cursus het begrip onderling pastoraat in de beleidsstukken van zijn gemeente nog nooit tegengekomen. Hier is echter wel een voorbehoud nodig: dat er weinig of niets geformuleerd is, betekent nog niet dat er geen missie of visie is. Uit de vragenlijsten blijkt dat er vaak wel een impliciete visie is, beschreven in een pastorale notitie of ergens besproken door pastoraal verantwoordelijken. Zo blijken alle gemeenten te kiezen voor het uitgangspunt dat het onderlinge meeleven een taak is van alle gemeenteleden. Definities van onderling pastoraat ontbreken meestal, maar er worden wel verschillende typeringen gebruikt zoals meeleven, contact met elkaar, ontmoeting, persoonlijke aandacht; ‘omzien naar elkaar’ is de meest gebruikte aanduiding. Het belang van bestaande groepen als ontmoetingsplekken wordt genoemd, evenals het spontane karakter van onderling pastoraat: het gebeurt op allerlei momenten van het gemeenteleven. Twee gemeenten hebben een wat meer uitgewerkte visie, waarbij het ‘omzien naar elkaar’ ook naar buiten gericht is: de dorpsgenoten of de mensen in de buurt.

Een tweede beperking is het ontbreken van een werkplan met een uitwerking van het beleid in concrete doelen. Als er al een doel genoemd wordt, ontbreken afspraken over wie wat wanneer en op welke manier gaat doen. Ook wordt zelden geëvalueerd wat er van de plannen terecht is gekomen. Twee gemeenten vormen een uitzondering: de traditionele gereformeerde dorpsgemeente werkt doelgericht en stapsgewijs aan de vorming van kerngroepen via WhatsApp en evalueert die stappen ook. De gereformeerde kerk in het kleine dorp bevordert het onderlinge pastoraat doelgericht via een geïntegreerde aanpak over meerdere jaren.

Het ontbreken van een werkplan hangt samen met een derde beperking: de moeite van kerkenraden om (pastoraal) beleid te voeren. Daar zitten twee kanten aan. Soms is het pastorale beleid gedelegeerd naar het pastorale team, waardoor het losraakt van het totale beleid en de uiteindelijke verantwoordelijkheid onduidelijk wordt. In andere gevallen komt de kerkenraad niet toe aan het pastorale beleid door gebrek aan tijd of menskracht of door gebrek aan interesse: in zogenaamd ‘doenerige’ gemeenten (zoals twee dorpen zichzelf typeren) hebben kerkenraadsleden een voorkeur voor activiteiten boven praten.

Een vierde beperking is de spanning tussen de visie op onderling pastoraat als taak van alle gemeenteleden en de feitelijke organisatie waarbij de pastorale arbeid door een beperkt aantal vrijwilligers wordt gedaan. In traditionele gemeenten en bij oudere gemeenteleden is dat vaak ook de verwachting: pastoraat wordt gedaan door ambtsdragers en andere vrijwilligers. In dit onderzoek zien we dat op twee na alle gemeenten in het beleid pragmatisch denken vanuit de organisatie en het onderlinge pastoraat proberen daarin te passen. Principieel kiezen ze echter voor het spontane onderlinge pastoraat als uitgangspunt. In de uitvoering van het beleid hinken zulke gemeenten op twee gedachten. De predikant van de gereformeerde kerk in het kleine dorp herinnert aan een vroegere poging van de kerkenraad. Daarbij werd de pastorale structuur vereenvoudigd, maar zonder begeleiding en toerusting bleven tegelijk de bestaande verwachtingspatronen gehandhaafd. Voor onderling pastoraat betekende dat een gemiste kans.

1.3. Processen

Naast het beleid is via de vragenlijst onderzocht hoe de in de kerkorde genoemde taken worden uitgevoerd. We kijken hier naar het proces, dat wil zeggen de serie activiteiten waarmee de pastoraal verantwoordelijken het onderlinge pastoraat ontwikkelen en begeleiden. Informatie en communicatie vormen daarin belangrijke aspecten. In de Protestantse Kerk gaat het dan om kerkenraad, consistorie (predikant en ouderlingen) en een orgaan van bijstand voor het pastoraat, hier aangeduid als pastoraal team. Niet elke gemeente werkt daarmee. De activiteiten die de kerkorde noemt, zijn opwekken (door kerkenraad c.q. predikant), toerusten (predikant), leiding geven en behartigen (pastoraal orgaan).

De kerkenraad geeft in veel gemeenten gestalte aan zijn verantwoordelijkheid om gemeenteleden op te wekken tot ‘omzien naar elkaar en anderen die dat behoeven’. Dat gebeurt vooral via de kerkdienst (verwelkomen aan de deur, gebedsintenties schrijven in voorbedeboek, aandacht voor bloemengroet, dankgebed en voorbeden); via het koffiedrinken na de kerkdienst (voorbeeldgedrag van predikant en pastoraatsgroep om bij de mensen te gaan zitten voor een gesprek); en via informatie (geven via informatiebord in de kerk, kerkblad, nieuwsbrief, of vragen: geef het ons door als er iets is). Opvallend is dat opwekken via de website of sociale media nauwelijks wordt genoemd. Andere vormen zijn opwekken via bijeenkomsten, bijvoorbeeld rond de presentatie van het nieuwe beleidsplan, of via een maandelijks gemeentegebed of bidstond. Het is een hele lijst, maar in de meeste gemeenten gebeurt het niet beleidsmatig of structureel. De vragenlijst meldt dan bijvoorbeeld dat de predikant het omzien naar elkaar wel eens noemt in de preek of erover schrijft in het kerkblad. In drie gemeenten werkt de kerkenraad wel expliciet aan het opwekken tot onderling pastoraat: via een geïntegreerde aanpak door de predikant of door de aandacht die een daarvoor aangestelde ouderling daar regelmatig voor vraagt.

De tweede activiteit, vorming en toerusting, is in de praktijk gedelegeerd aan de predikant of aan een commissie. Toerusting van gemeenteleden voor onderling pastoraat vindt echter nergens plaats. Dat is opvallend, gelet op de principiële keuze voor onderling meeleven als verantwoordelijkheid van alle gemeenteleden. Voor de meeste predikanten is dit een blinde vlek en we signaleren ook enige verlegenheid hiermee: hoe moet je dit vormgeven? In de gereformeerde kerk in het kleine dorp heeft de predikant hier iets op gevonden in de vorm indirecte toerusting. Hier worden de leiders van de gemeentegroeigroepen toegerust om met de deelnemers te bespreken hoe zij pastoraal aanwezig kunnen zijn voor elkaar.

Ook de derde activiteit, het leiding geven aan het onderlinge pastoraat, wordt niet of nauwelijks door de kerkenraad gedaan, maar gedelegeerd aan de predikant, soms in samenwerking met het pastorale team, een pastorale ouderling of een coördinator. Meestal komt het erop neer dat de predikant het onderlinge pastoraat aan de orde stelt of dat de ouderling op de waarde ervan wijst. In feite overlapt het leiding geven grotendeels het opwekken. Wellicht komt dit door het gebrekkige beleid en het ontbreken van een werkplan.

Ook bij de vierde activiteit, het behartigen, is de oogst vrij mager. Vaak is er geen pastoraal orgaan dat deze taak verricht. Dan ligt het initiatief bij het consistorie, de (wijk)kerkenraad of het moderamen. Als er een pastoraal team is, behartigt dit het onderlinge pastoraat zelden richting de kerkenraad in de vorm van voorlichting of advies. Richting de gemeenteleden doen gemeenten iets meer: organiseren van activiteiten die ontmoeting faciliteren (een maaltijd, een wijkborrel, een bijeenkomst rond een thema, enzovoorts), of informeren als middel om meeleven te stimuleren (zie eerste punt). Eén gemeente, de veelkleurige Protestantse gemeente in de stadswijk, geeft actief vorm aan het behartigen: via inventariseren van behoeften rond onderling pastoraat worden nieuwe activiteiten georganiseerd.

2. Vormgeving

We gaan nu na op welke manieren de vormgeving plaats vindt. De lokale cultuur speelt daarin mee. In ons onderzoek telden we 105 vormen, maar de interviews leverden alweer nieuwe voorbeelden op. Veel van deze voorbeelden worden overigens niet (h)erkend als onderling pastoraat. Dat komt door een traditionele kijk op pastoraat als iets wat ambtsdragers doen en door de grote verscheidenheid waarin onderling meeleven vorm krijgt in het alledaagse leven. Een beschrijving van alle vormen vraagt om een afzonderlijk artikel. Hier brengen we onderscheidingen aan om de verschijningsvormen te ordenen en zo de herkenning te bevorderen. Dat doen we met het genoemde analysemodel van de vier dimensies van gemeentezijn. De ordening maakt zichtbaar op welke vormen een gemeente vooral (meestal niet uitsluitend) de focus richt. Zo kan het model als typologie gebruikt worden om de dominante benadering te typeren. We illustreren de verschillende typen met enkele voorbeelden. Daarbij introduceren we op basis van literatuur enkele subcategorieën.

2.1. Ontmoeting

Het eerste type is de niet-georganiseerde en spontane tussenmenselijke ontmoeting. Niet-georganiseerd doelt op de ruimte van het alledaagse leven in plaats van kerkelijke samenkomsten. Spontaan verwijst naar het subject van pastoraat en geeft aan dat mensen op eigen initiatief contact zoeken met anderen. De ontmoeting kent drie kernvormen (subcategorieën): gesprek, praktische hulp en tekens van meeleven. In de praktijk komen ze vaak in verschillende combinaties voor. Het contact kan op afspraak plaats vinden, of toevallig.

Een gepland contact is bijvoorbeeld dat kerkgangers in de grote stadskerk na de kerkdienst met elkaar afspreken voor een ontmoeting in de horeca in het centrum van de stad. Het ‘supermarktpastoraat’ is een bekend voorbeeld van spontaan gesprek, maar het kan ook plaatsvinden op het voetbalveld. Geplande ontmoetingen kunnen ook meer mensen omvatten van netwerken die op eigen initiatief samenkomen, offline als creaclub of online als app-groep. Praktische hulp is bijvoorbeeld een klusje doen of helpen bij ziekenhuisbezoek. Tekens van meeleven zijn er in vele vormen. Het kaartje en telefoontje zijn bekend. Verrassender is het voorbeeld van een vrouw in de kleine gereformeerde dorpsgemeente die zelf nooit in de kerk komt maar wel het kerkblad leest, op dinsdagmorgen twee bossen bloemen haalt op de markt en die bij mensen brengt van wie ze denkt dat die dat nodig hebben.

2.2. Organisatie

Het organisatie type verwijst naar de institutionele dimensie van kerkzijn met de bijbehorende kerkordelijke structuren en regels. Het onderlinge pastoraat gebeurt in samenkomsten die meestal vanuit of namens de kerk zijn georganiseerd, met een pastoraal doel (groothuisbezoek) of met een ander doel waarbinnen wel ontmoetingen met een pastorale kwaliteit plaatsvinden (pastorale dimensie of bijkomend pastoraat). Meer dan de helft van de voorbeelden in het onderzoek passen in deze categorie. Om in die veelheid enige orde aan te brengen, onderscheiden we vijf kerkelijke handelingsvelden als subcategorieën: vieren, ontmoeten, dienen, leren en besturen.

Bij vieren gaat het zowel om de zondagse eredienst als om doordeweekse, aan de viering gerelateerde, activiteiten. Het koffiedrinken na de dienst wordt in het onderzoek het meest genoemd als voorbeeld van onderling pastoraat. Een verrassend voorbeeld is hoe het in memoriam in een traditioneel dorp het meeleven van de kerkgangers met de nabestaanden stimuleert. Bij vieren door de week worden koren genoemd, maar ook een gebedsgroep.

Ontmoeten gebeurt niet alleen met een pastoraal doel (app-groepen voor pastoraal meeleven in de buurt) of een pastorale dimensie (seniorenmiddagen, een wijkborrel), maar ook met een recreatief doel (samen wandelen, een museumclub, filmavonden met gesprek voor en na) of als teken van meeleven (een roos vanuit de kerk voor eindexamenkandidaten, paasof kerstgroeten). De meest voorkomende vorm bij het dienen is de maaltijd, die allerlei lokale varianten kent. Ook het leren is een plaats voor onderling meeleven, zowel tijdens de bijeenkomst als naderhand. Gemeentegroeigroepen zijn daarvan in drie gemeenten een voorbeeld, maar anderen noemen een kloosterbezoek of pelgrimstochten. Tot slot wordt onderling pastoraat opvallend vaak genoemd in het kader van vergaderingen, van kerkenraad via allerlei commissies tot de schoonmaakploeg.

2.3. Gastvrij

Bij het gastvrije type gaat het om kerkzijn voor anderen, waarbij de beweging gaat van buiten naar binnen: de kerk stelt zich als gemeente of als gebouw open voor de omgeving. Met Jacobine Gelderloos onderscheiden we hier vier subcategorieën van verbinding: via mensen als schakels, via activiteiten, via evenementen en via het kerkgebouw.[19] Een voorbeeld van de menselijke schakel is hoe in de Protestantse buurtkerk iemand namens de kerkenraad een trouwbijbel schenkt aan een wel ingeschreven maar niet meelevend gemeentelid. Het gevolg is dat het bruidspaar contact krijgt met meerdere gemeenteleden. Bij de activiteiten kan gedacht worden aan een Open Deur gespreksgroep in de Protestantse dorpsgemeente die ook mensen van buiten de kerk trekt. In de gereformeerde kerk in het kleine dorp organiseren de jongeren het ‘stamppottenbuffet’ voor alleenstaande, eenzame ouderen. Dat leidt tot gesprekken tussen de generaties over wat hen bezighoudt, zorgen en plezier. Bij de evenementen noemen enkele dorpen (groot en klein) de kerkdienst met de school, in het grote dorp is die interkerkelijk. De pastorale ontmoeting vindt vooral plaats tijdens de voorbereiding en na de viering. Het kerkgebouw zorgt bijvoorbeeld voor contact met en tussen buurtbewoners door de openstelling van de kerk in de veelkleurige Protestantse gemeente in de stadswijk op zaterdagmiddag.

2.4. Samenwerking

Bij het samenwerkingstype gaat het om kerkzijn met en bij anderen. Hiervan worden in dit onderzoek de minste voorbeelden genoemd, vermoedelijk omdat zulke activiteiten niet meteen met onderling pastoraat in verband worden gebracht. Het kan gaan om oecumenische samenwerking (lokaal en regionaal), bijvoorbeeld in de vorm interkerkelijke koren en begeleidingsbands waarvan er in de grote traditionele gereformeerde dorpsgemeente vele zijn. Het kan ook door samenwerking met lokale of regionale organisaties, waarvan vrijwilligerswerk van gemeenteleden bij andere instellingen het meest herkenbaar is: een inloopcentrum (stad), de voedselbank (lokaal), een psychiatrische inrichting (regionaal) of een verpleeghuis (lokaal). Het betekent niet alleen helpen, maar leidt ook tot gesprekken vol luisteren en aandacht. De veelkleurige Protestantse gemeente in de stadswijk noemt een opvallende vorm van samenwerking: de buurtsuper die op verzoek bijdraagt aan ‘De Langste Tafel’, een evenement voor de buurt in de Week tegen de Eenzaamheid (lokaal).

3. Evaluatie

Ondanks de beperkingen in het beleid ontwikkelen gemeenten een veelheid aan praktijken waarin het onderlinge pastoraat geleefd wordt. Er is dus een verschil tussen papier en praktijk. Voor een deel is dat te verklaren vanuit de menselijke behoefte aan verbondenheid en meeleven. Daar hebben ze geen beleid voor nodig. Mensen zijn sociale wezens. Voor een andere verklaring kiezen we voor elke gemeente een best practice waarin een dominant type onderling pastoraat herkenbaar is. Zodoende kijken we naar het functioneren vanuit het perspectief van het tegoed.

Gemeentegroeigroepen staan centraal in de benadering van de kleine gereformeerde dorpsgemeente met evangelische inslag. Het onderlinge meeleven blijkt daar de vrucht te zijn van het samenkomen. Door de ontmoetingen tijdens het kerkbezoek breidt dit meeleven zich uit over de gemeente (type 2). De open Protestantse dorpsgemeente is nog niet toegekomen aan beleidsontwikkeling, maar sluit wel op een creatieve manier aan bij het jaarthema van de Protestantse Kerk in Nederland in de vorm van maaltijden en wandelingen waar mensen enthousiast van worden (type 1 en 2). De kleine hervormde dorpsgemeente is stevig ingebed in de dorpssamenleving en creëert allerlei ontmoetingsplekken voor kerken dorpsgenoten, waarvoor kerkelijke gebouwen worden opengesteld (type 3). De grote, traditionele gereformeerde dorpsgemeente schept verbondenheid door in de wijken kleine connectgroepen te vormen via WhatsApp waardoor het meeleven groeit (type 2). De traditionele gereformeerde kerk in het kleine dorp benut de familiestructuur van het dorp en waardeert de vele groepen waarin mensen hechte banden met elkaar hebben (type 2). De veelkleurige Protestantse gemeente in de stadswijk heeft in de pastorale coördinator een echte ‘verbinder’ die mensen met elkaar in contact kan brengen om met elkaar mee te leven (type 1). In de Protestante buurtkerk is koffiedrinken na de kerk een kernactiviteit van waaruit de mensen die elkaar in deze buurt al heel lang kennen, naar elkaar omzien (type 1 en 2). De grote stadskerk zoekt nog naar wegen om onderling pastoraat vorm te geven en wil daarvoor aansluiten bij de behoefte in de stad aan evenmenselijk pastoraat (type 2 en 3).

De voorbeelden laten zien hoe contextueel bepaald de verschillende vormen zijn. De lokale spiritualiteit, de cultuur van dorp of stadswijk, de (pastorale) structuur van de gemeente (waaronder menskracht) spelen een rol. Ze laten ook zien hoe de gemeenten en de mensen gedreven worden door waarden vanuit de kern van het geloof: de ander waarderen, verbondenheid, Bijbelse inspiratie, dienstbaar zijn aan de buurt. Tot slot blijkt ook de impliciete visie richting te geven aan de manier waarop de gemeente het onderlinge pastoraat vorm geeft. Deze factoren vormen het andere deel van de verklaring voor de veelvormige praktijk van onderling pastoraat: het geloof is sterker dan het beleid. Toch is het beleid nodig om de pastorale kwaliteit te herkennen en te stimuleren. Een duidelijke, theologische visie is daarvoor een eerste stap.

Theologische peiling

De vraag is nu welke rol de theologische normativiteit speelt in de visie op onderling pastoraat. We onderzoeken daarvoor met name de eindreflecties die de predikanten schreven na de cursus. In die reflecties komen op fragmentarische wijze drie thema’s ter sprake: de visie op het ambt en op de gemeente (ecclesiologie) en de visie op pastoraat als heilsmiddel (sacramentsleer).[20] In relatie tot de zich ontwikkelende praktijk roepen deze thema’s bij de predikanten vooral vragen op. In aansluiting daarop geven we beknopt enkele theologische aanzetten.

Centraal in de reflecties staat het priesterschap van alle gelovigen als uitgangspunt voor de opvatting dat de gemeenteleden subject zijn van de pastorale zorg. Meerdere predikanten (en ook gemeenteleden) verbinden dat uitgangspunt met het beeld van Paulus van de gemeente als lichaam van Christus. Bijbelteksten als Romeinen 12:4-5 en 1 Korintiërs 12:12ev spelen in de visie van enkele gemeenten een belangrijke rol in de onderbouwing van het meeleven met elkaar. De vraag is: hoe verbind je die visie met de bestaande pastorale praktijk?

De meest genoemde vragen betreffen de visie op het ambt. Deze vragen komen op door de onduidelijkheid over waar feitelijk het primaat ligt: bij het spontane of het georganiseerde pastoraat, bij de gemeenschap of het instituut? Daarmee hangt samen de onduidelijkheid over wat dit betekent voor de pastorale verantwoordelijkheid, het beleid en het leiding geven. Vrij algemeen is de conclusie dat er plaatselijk gewerkt moet worden aan een visie op dit punt, al is minder duidelijk door wie. Impliciet gaat het hier om vragen uit de ambtstheologie: laagkerkelijk of hoogkerkelijk of daartussen in?[21] Pneumatologisch geformuleerd: de verhouding tussen de gaven van de gemeenteleden en de bijzondere gave van het ambt.[22]

We stellen voor om het pastorale primaat principieel en praktisch te leggen bij de gaven van de gemeenteleden. Het ambt is dan een bijzondere gave om de gemeente bij het heil en haar roeping te bewaren. Dat is in lijn met de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (artikel III en IV over de gemeente gaan vooraf aan artikel V over het ambt). Een verdere doordenking kan aansluiten bij Bonhoeffer volgens wie het ambt opkomt uit de gemeente, maar wel nodig is om de individualisering van het gelovige gemeentelid tegen te gaan. Door het ambt worden gemeenteleden met elkaar verbonden.[23] In deze lijn is georganiseerd pastoraat een verbijzondering van en aanvulling op het onderlinge pastoraat vanwege ambtsgeheim, deskundigheid (toerusting) of professionaliteit (opleiding) en de distantie van de pastorale (al of niet ambtelijke) vrijwilliger en de predikant. Leiding geven aan onderling pastoraat vraagt dan om inspirerend leiderschap: meer faciliteren dan organiseren. Dat kan op twee manieren: 1. door voorwaarden te scheppen voor een pastoraal klimaat in de gemeente, en 2. door voorbeeldgedrag te tonen en voorbeelden aan te dragen, zoals we hier doen in de paragraaf over vormgeving. Dit is precies wat Paulus doet, vooral in de groeten aan het eind van zijn brieven, bijvoorbeeld in Romeinen 16.

Een tweede thema is de visie op de gemeente. Bij onderling pastoraat wordt de verbondenheid met elkaar in veel gemeenten zeer gewaardeerd. Soms wordt de kerk ervaren als een grote familie. Maar dan kan de christelijke identiteit uit beeld raken. Dat is een risico van onderling pastoraat: dat mensen vooral meeleven met degenen die ze goed kennen en hun eigen netwerk versterken. Een predikant vraagt: ‘Vallen er niet mensen buiten de aandacht, terwijl zij ook aandacht behoeven?’ In de vragenlijsten is bijvoorbeeld de jeugd vrijwel afwezig.

Een theologische aanzet kan ook hier gevonden worden bij Bonhoeffer, namelijk in zijn visie op de plaats van de kerk. Die is midden in de wereld, niet de ‘ons-soort-mensen-kerk’.[24] Hij onderscheidt de kerk van een religieuze gemeenschap: we zijn niet uit onszelf één, maar we zijn één in Christus.[25] In de kerk delen we niet primair dezelfde belangen, maar elkaars nood en gebreken.[26] Dat is misschien wat eenzijdig, we delen ook elkaars vreugden. Maar het is wel een kritische vorm van verbondenheid.

Het derde thema in de reflecties is de vraag wat we onder pastoraat verstaan. Die vraag komt voort uit de vele voorbeelden van onderling pastoraat. Gemeenteleden zien die vormen niet altijd als pastoraat. Het onderlinge gesprek bij een maaltijd in de kerk zien ze als ‘gezellig met elkaar praten’, maar niet als onderling pastoraat. Een van de predikanten verwoordt zijn onzekerheid en behoefte aan duidelijkheid zo: ‘Als zo ongeveer alles pastoraat is, weet ik zelf dan nog wel wat ik aan het doen ben in mijn pastoraal bezoekwerk?’ Impliciet stellen de predikanten hiermee de theologische vraag aan de orde of en hoe het gesprek een heilsmiddel is, dat wil zeggen: of de Heilige Geest langs deze weg van het gesprek de mens in gemeenschap met Jezus Christus brengt.[27] Wat is de pastorale kwaliteit van de tussenmenselijke ontmoeting? De predikanten hebben behoefte aan kenmerkende aspecten, maar willen die kenmerken wel vloeibaar houden. Met een te vastomlijnde definitie worden allerlei vormen van onderling pastoraat niet waargenomen. Zoals een predikant zegt: ‘Niet alles is pastoraat, maar misschien is pastoraat wel meer dan we denken.’ Als belangrijke kenmerken noemen ze het persoonlijke kennen en vertrouwen van elkaar, de verbondenheid met de gemeenschap en de geloofsmotivatie als christen.[28] Maar er zijn ook vragen: ‘wat betekent het om een ontmoeting te zien in de context van Gods aanwezigheid’, vraagt een predikant.

De pastoraal-theologische benadering van Wolfgang Drechsel helpt hier verder. Hij benadrukt dat de pastorale kwaliteit niet los van de persoon van de pastor (de individuele dimensie) en de specifieke situatie (de contextuele dimensie) bepaald kan worden.[29] Bij onderling pastoraat is die context de gedeelde, alledaagse leefwereld. Vervolgens noemt hij vijf aspecten die samen de pastorale kwaliteit bepalen.[30] We geven die hier schetsmatig weer als aanzet voor verdere doordenking. 1. Het uitgangspunt in de gemeente is het theologische perspectief dat de ander gerechtvaardigd is voor God, dat God al bij de ander is. 2. Primair is de houding, niet de inhoud. De intentie van de ontmoeting is de liefdevolle toewending in Gods Naam, waarin ik een aanbod doe om er voor de ander te zijn. 3. Het theologische perspectief bepaalt ook de waarneming van de ander in diens huidige situatie: waardering van en respect voor de persoon en de autonomie van de ander. Dit respect houdt ook in: de ander ruimte geven om diens verhaal te doen. 4. In het theologische waarnemingsperspectief zijn existentiële en geloofsvragen geïntegreerd. Ze kunnen, maar hoeven niet afzonderlijk besproken te worden. 5. De ontmoeting is gericht op het ‘midden in het leven zijn’ of zoals het ook wel genoemd wordt: op de geleefde theologie.[31]

Samenvattende conclusies en aanbevelingen

De onderzoeksvraag hoe de pastoraal verantwoordelijken in Protestantse gemeenten qua beleid en vormgeving het onderlinge pastoraat ontwikkelen, hebben we in vier stappen beantwoord. We zagen dat de beleidsplannen voor dit ontwikkelen onvoldoende houvast bieden. De helft van de gemeenten heeft wel enkele impliciete bouwstenen voor een visie, waarmee het onderlinge pastoraat wordt vormgegeven. Toerusting en leiding behoeven verbetering. Vervolgens hebben we de grote verscheidenheid aan vormen met een analysemodel van vier dimensies van kerkzijn kunnen ordenen. Alle gemeenten blijken te kiezen voor het priesterschap van alle gelovigen, maar ze werken dat heel verschillend uit. Binnenkerkelijke vormen van tussenmenselijke ontmoeting en georganiseerde samenkomsten worden ongeveer vijf keer zo vaak genoemd als naar buiten gerichte vormen van gastvrijheid en samenwerking. Er is toerusting nodig zodat gemeenteleden de alledaagse vormen beter als onderling pastoraat herkennen. Bij de verschillen spelen de lokale spiritualiteit, de geografische context van dorp of stadswijk, en de structuur en cultuur van de lokale gemeente een rol. Daarin beschikken gemeenten over een tegoed. Dat werd nog wat beter zichtbaar bij de derde stap, waarbij we het profiel van de gemeenten enigszins grof hebben geschetst met behulp van een typologie. Op die manier verklaarden we de discrepantie tussen gebrekkig beleid en rijk gevarieerde praktijk. Tot slot hebben we drie theologische thema’s geïdentificeerd die uitwerking behoeven om tot een duidelijker missie en visie te komen in het beleid rond onderling pastoraat.

Voor de verdere ontwikkeling van onderling pastoraat noemen we vier aandachtspunten.

  1. Visie. De pastoraal verantwoordelijken formuleren de kenmerken van wat zij zien als de pastorale kwaliteit van meeleven met elkaar in de gemeente. Zij communiceren dit via media en in directe contacten. Daarmee helpen zij gemeenteleden om de verschillende vormen van meeleven in en vanuit de gemeente te zien als onderling pastoraat.
  2. Beleid. De pastoraal verantwoordelijken nemen in het beleidsplan als doel op het scheppen van een pastoraal klimaat in de gemeente. Ze beschrijven welke houding, manier van kijken en omgaan met elkaar en anderen bijdragen aan zo’n klimaat. Zij maken in een werkplan afspraken over wie wat doet en waar, wanneer en hoe, met specifieke aandacht voor de rol van inspirerend leiderschap daarbij.
  3. Inventarisatie. De pastoraal verantwoordelijken ontwikkelen contextgevoeligheid door te inventariseren welke mogelijkheden en behoeften aan ontmoeting en meeleven er bij de verschillende mensen in de gemeente en de buurt aanwezig zijn en bespreken zo mogelijk met enkele van deze mensen hoe zij iets voor elkaar kunnen betekenen op dit punt.
  4. Profiel. De pastoraal verantwoordelijken ontwikkelen een herkenbaar pastoraal profiel van de gemeente door met het analysemodel de bestaande vormen van onderling pastoraat te onderzoeken en het dominante type daarin te bepalen. Zij bespreken de vraag of dat ook het gewenste type is en bepalen eventueel welk beleid nodig is om het onderlinge pastoraat verder in die richting te ontwikkelen.

Met deze aandachtspunten kunnen pastoraal verantwoordelijken zelf nagaan wat er aan veranderingen nodig is om het onderlinge pastoraat te bevorderen.

Noten

[1] Protestantse Kerk in Nederland, Grenzen verleggen in het pastoraat, Kerkinformatie mei 2014. Vgl. voorbeelden in P. Valstar, Verbinding en aandacht. Handreiking voor het pastoraat, Utrecht, 2008.

[2] Over netwerkpastoraat zie: Theo Hettema, ‘Twaalf vormen van pastoraat op een rij’, https://www.protestantsekerk.nl/verdieping/twaalf-vormen-van-pastoraat-op-een-rij/. Vgl. ‘Over noabers als “wijkcontactpersoon-nieuwe-stijl”’: Dick Vos, ‘Noabers als ogen en oren van de gemeente’, https://www.protestantsekerk.nl/verdieping/noabers-als-ogen-en-oren-van-de-gemeente/ [geraadpleegd 29-05-2020].

[3] R.J. de Vries, ‘Aandachtige betrokkenheid. Over de betekenis van onderling pastoraat’, Kerk en Theologie 69/1 (2018), 59-76. Vgl. Inge de Rouwe, Delen om te kunnen geven. (Masterthesis PThU, Groningen 2017). https://www.ewv.nl/media-ew/lezen/masterscriptie-ggg/ [geraadpleegd 29-052020].

[4] Conclusie op basis van waarnemingen van de auteur en informatie van Theo Hettema, wetenschappelijk beleidsmedewerker pastoraat bij de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland.

[5] Vanwege de dataverzameling in 2019 is de impact van de coronacrisis buiten beschouwing gelaten.

[6] Gemeenten en predikanten zijn in dit onderzoek geanonimiseerd. We danken hen voor hun medewerking.

[7] Deze definitie is een uitwerking van artikel XII.2 en ordinantie 8.4.3 van de Kerkorde van de Pro-testantse Kerk in Nederland.

[8] W. Drechsel, Gemeindeseelsorge, Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2015.

[9] Rein Brouwer et al., Levend lichaam. De dynamiek van geloofsgemeenschappen in Nederland, Kampen: Kok, 2007, 49-62.

[10] R.J. de Vries, ‘De spierkracht van de gemeente’, Kerk en Theologie 70/2 (2019), 134v. Hier zijn de drie dimensies uitgebreid naar vier.

[11] G. Heitink, Een kerk met karakter. Tijd voor heroriëntatie, Kampen: Kok, 2007, 37.

[12] H. de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer: Meinema, 2010, 283.

[13] A.w., 159v..

[14] H. de Roest, Collaborative Practical Theology. Engaging Practitioners in Research on Christian Practices, Leiden/Boston: Brill, 2020, 34v.

[15] Ik dank Theo Hettema en Inge de Rouwe voor deze samenwerking.

[16] H. Boeije, Analyseren in kwalitatief onderzoek. Denken en doen. Amsterdam: Boom, 2008, 50-53.

[17] Zie voor een vergelijkbare ontwikkeling in Rijssen als grote gemeente in een orthodoxe omgeving: Vos, ‘Noabers’.

[18] De Roest, Een huis voor de ziel, 128-131. Vgl. J. Hendriks, Goede wijn. Waarderende Gemeenteopbouw. Utrecht: Uitgeverij Kok, 2013, 15.

[19] J. Gelderloos, Sporen van God in het dorp. Nieuwe perspectieven voor kerken op het platteland. Utrecht: Boekencentrum 2018.

[20] H. Berkhof, Christelijk geloof, Kampen: Kok, 82002, 353-356. Vgl. G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Zoetermeer: Boekencentrum, 2012, 553v.

[21] Berkhof, Christelijk geloof, 373.

[22] Van den Brink en Van der Kooi, Christelijke dogmatiek, 557v.

[23] E. van ’t Slot, ‘Naschrift’, in: D. Bonhoeffer, De levende kerk. Teksten over de kerk 1932-1933, Utrecht: Boekencentrum, 2018, 248.

[24] A.w., 241-242.

[25] Bonhoeffer, De levende kerk, 124-128.

[26] A.w., 138.

[27] Van den Brink en Van der Kooi, Christelijke dogmatiek, 543v.

[28] Vgl. R.J. de Vries, ‘Het ABCD van “ik leef met je mee”’, Ouderlingenblad 97 (2020), 20-23

[29] Drechsel, Gemeindeseelsorge, 55.

[30] A.w., 136-142.

[31] P. Ward, Introducing Practical Theology. Mission, Ministry, and the Life of the Church, Grand Rapids: Baker Academic, 2017, 62-67.

< Terug