< Terug

Ongelooflijk dat we nog geloven

Hoe ontwikkelt geloof zich gedurende een mensenleven? En hoe ontwikkelt het jou? Twee redactieleden, Marga Haas (46) en Stephan de Jong (61), met elkaar in gesprek.

Marga Haas is theoloog en geestelijk verzorger in een hospice.

Stephan de Jong is predikant van de Protestantse Gemeente Oudemirdum-Nijemirdum-Sondel.

We beginnen met de vraag welke mensen voor onze geloofsontwikkeling belangrijk zijn geweest.

Stephan: Allereerst mijn nichtje Willy. Zij stierf toen ze 19 jaar was en ik 17. Haar dood schudde mij religieus gezien door elkaar. God bestaat niet óf Hij is een rotgod – dat was ongeveer mijn gedachte. Voor mij vormde haar overlijden het beginpunt van mijn eigen serieuze denken over geloof. Ik ben opgegroeid in een gereformeerd nest. In mijn puberteit keerde ik me af van de kerk; ik vond het allemaal maar saai. Maar in mijn hart was ik een redelijk traditioneel gelovig jongetje. Ik worstelde met de bijbelverhalen. Hoe kun je los komen van de letterlijke lezing ervan? De dood van mijn nichtje bracht een nog veel diepere vraag in mijn leven: bestaat God wel? Ik kreeg het maar niet bij elkaar.

Ik ging geneeskunde studeren en ontmoette twee vrienden. De ene was rooms-katholiek, de andere atheïst. Als jonge filosoofjes praatten wij eindeloos over de grote vraag: als er een God bestaat en Hij goed is, hoe kan het dan dat er ellende gebeurt? De atheïst won het altijd.

Marga: Bij mij zijn het niet zozeer mensen die mijn geloofsontwikkeling hebben beïnvloed, maar vooral gebeurtenissen. De meest ingrijpende was een depressie toen ik nog maar net predikant was. Die periode is een diepe wond. Toch, als ik erop terugkijk, heeft die wond me niet alleen negatieve dingen gebracht. Ik ging eraan kapot, maar mijn diepste ‘ik’ overleefde. Mijn buitenkant werd gesloopt, maar veranderde ook in een poort waardoor ik dichter bij een diepere laag in mijzelf kwam. Daar vond ik tot mijn verbazing God. Of beter, God vond mij. Ik begon te zien dat Hij mij zag. Wat Hij dan zag? Hij zag zijn kind, een stukje van zichzelf eigenlijk. Wonderlijk dat zoiets kon gebeuren door een depressie, hoe pijnlijk die ook was. Alsof er iets in je sterft en er ook weer iets in je tot leven komt: een grotere ontvankelijkheid. Het is een soort paasgebeuren. Ja, dat is bij mij de essentie van geestelijk leven: sterven en wedergeboren worden. Een levenslang proces van loslaten en zuivering om bij God en mijzelf te komen.

‘Er is iets, iets persoonlijks, dat mij kent. Als een schaduw aan mijn rechterhand. Een koestering in de hitte.’

EEN SCHADUW EN EEN BRON

Het gesprek komt op een ander onderwerp. Beiden zijn wij theoloog. Hoe heeft die studie ons geloof veranderd?

Stephan: Ik denk dat ik daar dezelfde woorden voor zou gebruiken als jij daarnet. Loslaten, zuiveren. En verdiepen. Ik ging theologie studeren vanuit de grote vragen die ik besprak met die twee vrienden over wie ik net vertelde. Hoe moeilijk God het me ook leek te maken, ik kon maar niet om hem heen. Ik wilde helderheid. Duidelijkheid. Een antwoord op mijn grote vraag kreeg ik natuurlijk niet, maar ik leerde wel in de loop der tijd anders naar God te kijken. God doet niets, zegt niets, maar is er wel. Er is iets, iets persoonlijks, dat mij kent. Zoals Psalm 121 zegt: een schaduw aan mijn rechterhand. Een koestering in de hitte.

Marga: De studie gaf me de kans om me mijn geloof eigen te maken. Mijn ouders zijn allebei theoloog; ik wilde dat absoluut niet ook worden. Maar tot mijn eigen grote verbazing werd het uiteindelijk toch theologie. Misschien omdat ik door mijn ouders heb gezien dat het daarin om iets heel waardevols gaat. Maar waarschijnlijk omdat ik als kind al ongeneeslijk religieus was. Geloof voelt voor mij als iets heel ouds. Het heeft te maken met wie ik ben. Het reikt naar een bron die in mij borrelt. En die bron is heus wel eens bedekt geraakt. Door mijn eigen onachtzaamheid, maar ook door een strenge, ethische stem vanuit mijn jeugd en het instituut kerk waarin ik me benauwd en opgesloten heb gevoeld. Maar de bron is inmiddels weer uitgegraven en het levende water welt spontaan weer op.

GEBORGENHEID EN BEVRIJDING

Wat heeft het geloof ons gegeven?

Stephan: Geloof is een levenslang zuiveringsproces. Ik heb ook heel veel ballast moeten loslaten. Ik móest van alles geloven. God keek naar mij en had een oordeel over mij – zo zag ik het als kind. God was een bron van angst. Mijn mazzel is geweest dat ik ervoer dat ook al wil ik afscheid nemen van God, Hij mij niet loslaat. Ik wilde van hem af, maar Hij niet van mij. God werd een bron van geborgenheid. Die schaduw aan mijn rechterhand; dat is de kern. Dat proces gaat tot op vandaag door. Dit geloof geeft mij een bepaalde vrijheid. Wat mensen van mij denken is niet zo belangrijk meer. Ik ben Gods kind en daar moet iedereen het maar mee doen.

‘Geloof heeft te maken met wie ik ben. Het reikt naar een bron die in mij borrelt.’

Marga: Mijn veranderde geloof heeft mij bevrijding gebracht. Bevrijding van mijzelf vooral. Ik was hard voor mezelf en gaf mezelf voortdurend op mijn kop. Het geloof leerde me dat ik milder voor mezelf mocht zijn. Het liet me als het ware met Gods ogen naar mijzelf kijken. Hij ziet mij zoals ik ben, met alles erop en eraan. En Hij kijkt met een glimlach naar mij. Het maakt hem niet uit wat ik doe, wat ik allemaal heb gepresteerd. Voor God ben ik iemand naar wie Hij met plezier kijkt.

Aan het eind van het gesprek, met niet alleen positieve maar ook negatieve ervaringen met geloof en kerk, komen we tot een opmerkelijke conclusie: ongelooflijk eigenlijk dat we zijn blijven geloven! Blijkbaar hebben we allebei, ondanks alles, ergens in de diepte de kracht ervan gevoeld.

< Terug