< Terug

‘Ons Heydensche Christenen’

Johan Picardt en diens gereformeerde beschouwing over het belang van de oudheidkunde van Noord-Nederland

Het merendeels christelijke Nederland bestaat niet meer. Hoewel de secularisatie ruime aandacht geniet van de theologie, geldt dat in mindere mate voor de tijd vóór het ontstaan van die achteraf tijdelijk gebleken christelijke dominantie. Er is in de afgelopen jaren terecht veel geschreven over het gegeven dat christenen in grote delen van ons land een minderheid zijn geworden die zich dient te verhouden tot een meerderheid die niet of niet langer behoort tot de kerk. Theologie kan zich niet (meer) veroorloven om voorbij te gaan aan gesprek met andersdenkenden. Die relatie boeit mij ook, maar dan in verband met de kerstening. Toen raakten voorchristelijk en christelijk aan elkaar, soms op plaatsen waar nu nog steeds een voor de eredienst gebruikt kerkgebouw staat. Hoe wordt daar door de gemeente omgegaan met de verhouding tussen die aspecten?

Bij de bespreking van deze interactie aan de ‘voorkant’ van de kerkgeschiedenis (tijdens de kerstening, waar ze raakt aan de prehistorie), streef ik naar samenhang met die aan de ‘achterkant’, in het heden, waar theologie zich dient te verhouden tot een grotendeels geseculariseerde cultuur. Daarbinnen thematiseren christenen hun identiteit zowel binnen het veld van hun geloof (catechese, viering, spiritualiteit) als binnen het veld van de algemene geschiedenis van hun woonplaats (waarover kennis wordt opgedaan uit algemene literatuur, musea, enzovoorts).

De onderlinge aansluiting van die velden is niet zelden problematisch en dan met name op het regionale en lokale niveau. Kennis over het christelijk geloof, zoals aanwezig in kerk en theologie, dringt lang niet altijd door in publicaties die bedoeld zijn voor een algemeen publiek. Een voorbeeld is de gereformeerde predikant Johan Picardt (1600-1670), op wie ik hieronder nader zal ingaan en die in 1660 een op feitelijke waarneming gebaseerde studie van prehistorische monumenten liet verschijnen. Dit standaardwerk wordt in recente publicaties over Drenthe terecht nog vaak geciteerd, maar merkwaardig genoeg vrijwel altijd met een sterk vereenvoudigde weergave van Picardts theologische visie. In dat opzicht helpt zelfs de recent verschenen Geschiedenis van Drenthe de lezer niet veel verder: het hoofdstuk over de kerk in de tijd van Picardt gaat vooral in op feiten en jaartallen, niet op de inhoudelijke kant van het christelijk geloof.[1] Dit vormt een opvallende tegenstelling tot de hoofdstukken over de prehistorie in hetzelfde handboek, waarin juist veel moeite wordt gedaan om te komen tot een beredeneerde reconstructie van de denkwereld achter het offer en de begraving.

Beide kanten van de medaille zijn mij bekend, als onderwijzer aan een school en tegelijk student theologie. De uitdaging is om ze op een plausibele manier met elkaar te verbinden. Een focus op inhoud bij de lokale kerkgeschiedenis kan weleens noodzakelijk zijn om het verband daarvan met de algemene geschiedenis te verhelderen. Dat betekent een opening naar buiten toe (kennisname van seculiere inzichten), maar tegelijk een actieve dialoog met die buitenwereld: een beschrijving van een kerkelijk monument kan het niet bij feiten in heden en verleden laten, maar dient die begrijpelijk te maken vanuit een inhoudelijk christelijk perspectief. Een dergelijk streven zou zelfs kunnen worden opgevat als ‘missionair’ (niet alleen feiten worden uitgewisseld, maar ook een onderliggende visie). Bij het nadenken over deze kwesties ben ik mede door de enthousiaste begeleiding van mijn scriptiebegeleider Gert van Klinken geïnspireerd geraakt door het werk van Picardt, in de zeventiende eeuw predikant van Rolde. Alvorens op hem in te gaan, wil ik eerst ingaan op de verhouding van theologische en archeologische thema’s in het betreffende deel van Drenthe.

De kerk van Rolde

Wie van de Drentse hoofdstad Assen naar Rolde wandelt, kan de spits van de Jacobuskerk niet missen. Minder in het oog springend maar minstens zo opvallend zijn achter de vele generaties op het kerkhof twee hunebedden. Ze stammen uit de periode tussen 3400 en 2900 voor Christus. De bezoeker aan Rolde ziet in één oogopslag dat het christelijk geloof vele jaren een letterlijk centrale rol heeft gespeeld in deze omgeving, maar dat religie in deze streek bovendien verbonden is met een al eerder aanwezige prehistorische bewoning. Kerstening begon hier uiterlijk in de tweede helft van de achtste eeuw.[2] De Nederlandse religiegeschiedenis beschrijft ‘een moeizame, maar toch gestage voortgang van de kerstening van Nederland in de laatste eeuwen van het eerste millennium.’[3] De Geschiedenis van Drenthe legt de nadruk op geleidelijkheid en op een proces van de langere termijn. Van der Sanden maant de lezer ‘om te beseffen dat de kerstening in onze regio [Drenthe, AB] geen zaak van jaren of decennia was, maar van vele eeuwen.’[4] Gerding en Van der Meer vallen hem bij door te zeggen dat ‘de bekering tot het christendom geen onmiddellijke ommekeer teweeggebracht zal hebben in de ‘Drentse’ levenswijze.’[5]

Een naam die veelvuldig wordt genoemd in de tijd van de vroege religiegeschiedenis in Drenthe is die van de Angelsaksische missionaris Willehad. Otten heeft gepubliceerd over de Vita Willehadi van circa 845, waarin de kerstening van de bewoners van Thrianta (Drenthe) wordt besproken binnen de conventies van een vroegmiddeleeuwse hagiografie.[6] Hoewel een effectieve kerstening uiteraard zijn weerslag gehad moet hebben op het bodemarchief (vermindering van bijgiften voor de doden, overgang van crematie naar inhumatie, begin met kerkbouw, oprichting van voorraadschuren of spiekers ter inning van de kerkelijke tienden, enzovoorts) gaat Otten daar niet op in. Centraal staan de schriftelijke bronnen.

De verbinding van de geslachten heeft rondom de Jacobuskerk zijn beslag gekregen in het dorpslandschap, wat vooral op het kerkhof te zien is. De hunebedden en de kerk liggen met een verschil van slechts enkele graden in lijn met elkaar. Dit unieke beeld is meerdere auteurs opgevallen. Kamsma ziet in zijn boek over de Rolder kerk echter af van een inhoudelijke bespreking, waarschijnlijk omdat een theoretisch kader vanuit de kerkgeschiedenis daarvoor ontbreekt.[7]

De archeoloog Van der Sanden beschrijft Rolde in zijn Reuzenstenen op de es aan de hand van diverse hypothesen over de (religieuze) functie van de hunebedden.[8] Hij doet echter geen enkele moeite om latere christelijke denkbeelden daarmee in verband te brengen, ook waar dat voor de hand zou liggen (Picardt). De plaatselijke kerkgeschiedenis biedt hier nauwelijks soelaas. Kamsma presenteert weliswaar een rijke documentatie over het wat van dit gebouw, maar niet of nauwelijks over het waarom.

Offer

Voor de theologie is het van belang dat er studie wordt gedaan naar dit thema. In verschillende belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland wordt daarbij uitvoerig stil gestaan. Zo wordt in de Catechismus van Heidelberg de vraag gesteld ‘Welk nut hebben het offer en de dood van Christus aan het kruis nog meer voor ons?’[9] En verderop in hetzelfde leerboek wordt het belang van de sacramenten in verband daarmee geduid: ‘De Heilige Geest leert ons in het Evangelie en verzekert ons door de sacramenten, dat onze zaligheid geheel en al berust op het enige offer van Jezus Christus, dat voor ons aan het kruis is geschied.’[10] In artikel 3 van het tweede hoofdstuk van de Dordtse Leerregels wordt kernachtig de gereformeerde positie weergegeven: ‘Deze dood van de Zoon van God is het enige en volmaakte offer en de genoegdoening voor de zonden, van oneindige kracht en waarde, rijkelijk voldoende tot verzoening van de zonden van de gehele wereld.’[11] Deze drie gedeelten uit de belijdenisgeschriften maken mijns inziens duidelijk dat het christelijk geloof inhoudsloos is zonder het offer.

Het is een open vraag of een dergelijke opvatting alleen binnen het kader van een gedeelde christelijke geloofsopvatting zinvol kan worden uitgedragen of dat hierover ook een gesprek mogelijk is met een zich als levensbeschouwelijk neutraal opvattend vakgebied als de archeologie. Een complicatie is dat de archeologie het offer in menig geval thematiseert binnen het kader van een ‘primitieve’ en inmiddels gedateerde levensopvatting, en zo beschouwt het christendom zichzelf zeker niet. De antropoloog Mauss bespreekt de gave (en het offer als aspect daarvan) in wat nadrukkelijk wordt beschreven als een premoderne context.[12]

Is een gesprek over een dergelijk thema mogelijk, los van de voorstellingen van de eigen geloofsgemeenschap? In de omgeving van Rolde wordt dat in onze tijd geprobeerd door het Drents museum, in de tentoonstelling met ‘het meisje van Yde’[13] Volgens C14-dateringen werd ze ergens tussen 40 voor Christus en 50 na Christus ritueel geëxecuteerd en bijgezet in het veenmoeras.[14] Het Drents Museum presenteert digitaal enkele duidingen: vanuit de schriftelijke bronnen voor zover aanwezig (Tacitus’ Germania), maar ook vanuit het heden: een re-enactment van hoe het in Yde gegaan zou kunnen zijn. De toeschouwer wordt erop gewezen dat het offer ook eigentijdse toepassingen kent. Dat blijkt aanschouwelijk op de begraafplaats in Rolde, waar het ‘offer’ in de vorm van kleine deposities bij de graven recentelijk een comeback lijkt te beleven. Het verleden is minder ver dan het lijkt.

Het lijkt erop dat die dynamiek – onder christenen! – de kerkgeschiedenis soms ontgaat. Een toenemende afstand tot de systematische theologie kan daaraan hebben bijgedragen. Beantwoording van een vraag als ‘wat is de functie van het offer?’ lijkt bij kerkhistorici verschoven te zijn naar een andere (systematische) discipline, terwijl een dergelijke vraag in de context van Rolde toch nauw verbonden is met een analyse van de praxis in en rond de kerk. Theologie, kerkgeschiedenis, hedendaags christendom en archeologie: zijn ze met elkaar in gesprek te brengen? Hoe zou dat eventueel kunnen? Met die vragen in het achterhoofd wend ik mij tot een gereformeerde pionier op dit gebied in de zeventiende eeuw.

Johan Picardt

Deze calvinist geniet bekendheid als de eerste oudheidkundige van Drenthe[15] Hij woonde met zijn gezin in de pastorie van Rhee (boven Assen), vanwaar hij enorme afstanden te voet aflegde door de omgeving. Onder zijn pastorale verantwoordelijkheid viel namelijk een bevolking die verspreid was over een immens groot en toen grotendeels onbewoond gebied. De Antiquiteten van Picardt, waarin hij hierover vertelt, vormen het enige werk van een praktiserende gereformeerde predikant uit Drenthe in de tijd van de Republiek dat integraal is herdrukt voor een publiek in de eenentwintigste eeuw[16] Waarnemingen in de open lucht werden door hem in de studeerkamer aan een onderzoek onderworpen.[17] Het feit dat ‘onze voorouders’ nog niet bekend waren met de ‘wet van Christus’[18] doet in de Antiquiteten niet af aan de piëteit voor hun monumenten.[19]

Deze benadering, zowel principieel belijnd als ruimdenkend, vraagt om een nadere verklaring. Doordat Van der Sanden (bezorger van de prachtige heruitgave van het boek) nauwelijks inhoudelijk ingaat op wat Picardt zelf geloofde en preekte, is hij echter amper in staat om deze calvinist te plaatsen binnen diens eigen voorstellingswereld (zoals wel beoogd wordt bij casussen uit de prehistorie) of uit te nodigen tot een discussie daarover (zoals bij ‘het meisje van Yde’). Het is een duidelijk voorbeeld van de uiterst beperkte rol die de theologie speelt in een vakgebied als de archeologie. In dit geval is dat des te meer opmerkelijk, omdat Picardt ook op godgeleerd terrein het nodige heeft gepubliceerd. Uit 1650 dateert zijn boek Den Prediger, Dat is: Grondige verklaringe en Bewijs, genomen uyt Goddelijcke, Kerckelijcke ende Prophane Schriften: van de Authoriteit, waerdicheyt en uytnementheyt des H. Predigh-Ampts; Boven alle Hoogheden, Digniteyten en Officien deser Werelt.[20] Picardt begint daar met een gebed tot Christus om vervolgens in negentien hoofdstukken zijn visie op het ambt van predikant systematisch te verwoorden.[21] Wanneer de Heidelbergse Catechismus ernaast gelegd wordt is een theologische toelichting op de Antiquiteten niet alleen wenselijk maar ook heel goed mogelijk. Dat hoeft niet eens veel woorden te vragen. In het geval van Picardt zou zelfs een korte samenvatting van Den Prediger in samenhang met de Heidelbergse Catechismus al veel verhelderen voor zowel een kerkelijk als niet-kerkelijk publiek.

Gelukkig beschikken we nu wel over deze mooie, door Van der Sanden verzorgde integrale heruitgave van de Antiquiteten. Daaruit komt een verrassend helder beeld naar voren van de denkwijze van deze predikant over de oudste geschiedenis van Nederland. In zijn dedicatie aan Gedeputeerde Staten van Friesland, Overijssel en Groningen (het dunbevolkte Drenthe kwam nog niet in aanmerking voor een zelfstandige vertegenwoordiging in de Staten-Generaal) komt Picardt meteen ter zake. Onderwerp van zijn boek zijn ‘onse voor-Ouderen, van welcken wy, en onse Voorsaten, onsen oorspronck en afkomste hebben’[22] Om daar iets over te kunnen zeggen staan hem verschillende bronnen ter beschikking. Allereerst is dat de volkerentafel in Genesis 10, waarbij hij ervan uitgaat dat de vroegste Europese bevolking afstamt van de lijn van Japhet. Mensen zijn er in Europa niet altijd geweest, ze hebben zich hierheen verspreid uit het Midden-Oosten. ‘Alle ingesetenen van gantsch Europa, behalve de Joden, zijn Japhets kinderen. En wat is Europa ghestopt en gepropt vol menschen, te vergelijcken by Asia en Africa![23] In dit verband gaat hij ervanuit dat de in Genesis 6:4 vermelde ‘reuzen’ in de vroegste periode van menselijke bewoning hun sporen nagelaten zouden moeten hebben. Een tweede bron van kennis is de plaatselijke overlevering, die hij het best bewaard acht in Friesland (epiek over de ‘machtighe strydtbare Vriesen’ in het verleden), maar waarnaar hij ook verwijst in de vorm van de IJslandse saga’s. In gepopulariseerde maar toch niet te missen vorm zijn er de voorstellingen onder zijn christelijke gemeenteleden[24] Hierop volgen de via de Latijnse scholen bemiddelde kennis van de antieke Oudheid (met name de Germania van Tacitus) en kerkhistorische bronnen die teruggaan op de tijd van de Franken. Een citaat uit de Gotische Bijbel demonstreert hem dat er minstens vanaf deze tijd sprake is van (Germaanse) talen met een vergelijkbare grammatica[25] Vanaf de kerstening is er sprake van een eenduidige doorgaande lijn, de Franken zijn ‘onse oude Broeders’.

Van andere aard zijn de inzichten die hij ontleent aan de fysieke ruimte. Picardt heeft er oog voor dat de bevolking op het Drents plateau ooit groter geweest moet zijn dan in zijn eigen tijd. Hij wijt die teruggang aan het oprukken van ‘Venen en Moren’ ten koste van vruchtbare akkergrond. Schriftelijke bronnen over die vroege tijd zijn er niet, maar dat betekent allerminst dat er niets over valt te zeggen. Het verhaal in Genesis over de zondvloed zou in verband kunnen staan met de veenvorming in Drenthe. Om dat te kunnen bepalen is het allereerst belangrijk om de Bijbel grondig te kennen, maar vervolgens ook aandachtig naar die ogenschijnlijk onaantrekkelijke ‘Venen en Moren’ te kijken (de praktisch ingestelde Picardt is tevens vervener). Nederlanders, zo vindt hij, zouden best wat meer belangstelling mogen tonen voor de geschiedenis van hun eigen land:

In het ondersoecken deser Antiquiteten onses Vaderlandts, en vindt ick onse Landsaten niet seer curieus. Sy bekommeren haer doorgaens meer met vreemde, en uytlandsche, als eygene en In-landsche geschiedenissen. Nochtans […] Godt, die buyten ’s Landts geregeert heeft, die heeft oock hier geregeert: Die menschen, die voortijts hier geleeft hebben, zijn van die selvighe stof opgeleydt, als de menschen die in vreemde Landen verkeert hebben.[26]

Dat deze vroege bewoners geen schriftelijke getuigenissen nagelaten hebben, vormt geen onoverkomelijk beletsel:

Onse voor-Ouders en hebben geen pennen, inkt of pampier gekent […]. En nochtans hebbense ons schriften genoegh naergelaten, kosten wy die selvige maer lesen. Met groote verwonderinge beschouwen wy dickwijls de Stupendas antiquitates van de hooge en ondraeglicke Stenen, hier en daer in de Velden liggende […][27]

Van deze beschouwing van Picardt is vooral de verwijzing naar de reuzen bij de lezers blijven hangen. In feite is zijn redenatie echter helder en samenhangend. De geïnteresseerde onderzoeker begint bij het eigen levensbeschouwelijke referentiekader (voor een calvinist de Schrift). De daar gevonden uitgangspunten worden gerelateerd aan de kennis die ter beschikking staat via school en universiteit. Tenslotte geeft de onderzoeker ook gewoon zijn ogen de kost: in het landschap, in de fysieke ruimte. Picardt bevestigt nadrukkelijk dat de calvinistische levensvisie ruimte biedt voor het type onderzoek dat hem voor ogen staat. Het betreft tenslotte geen ‘Articulen des Geloofs aen welcken de eeuwige Saligheyt hanght’[28]

‘Heidendom’ in Picardts eigen tijd

Heidendom is voor Picardt een term die hij vooral gebruikt voor de christenheid van zijn eigen tijd. Wat over de heidense bouwers van de hunebedden gezegd kan worden bestaat voor een groot deel uit speculatie. Dat geldt niet voor de christenen in Picardts eigen gemeente. Hun heidense wortels blijken concreet in het heden, in hun aanhoudende geneigdheid tot de zonde. Ze dreigen terug te vallen: niet in een pagane religie (daarover is nauwelijks iets meer bekend), maar in zelfzucht, in de boze neigingen van het hart zoals die verduidelijkt worden in de calvinistische zondeleer. Het gevaar van terugval blijft acuut, ook voor wie zich uitverkoren acht of lid is van een ware kerk. Daarom acht Picardt het van groot geestelijk nut dat er sinds de Reformatie ook weer nazaten van Sem in Drenthe zijn komen wonen, te weten de Joden. Zij bepalen de inheemse bevolking bij haar heidense oorsprong:

Maer och! Dat wy Japheten Sems Tente maer inhielden. Voorwaer, Iaphets Patrimonie, de gantsche Christenheydt, stickt voor Godt. Wy en hebben den naem van Christenen, maer niet de daedt. De Christenen, Japhets kinderen, kruysigen alsoo wel Jesum Christum, als hem Sems kinderen gekruysight hebben: waerom zy van Godt tot noch toe zijn verstoten. Wat hebben wy dan te verwachten: even ’t gene de Joden wedervaren is. Heeft Godt de natuerlijcke tacken niet gespaert, Hy en sal ook ons Heydensche Christenen niet verschoonen. Swarte duystere wolcken hangen gansch Christenrijck boven ’t hooft. En daer sal eene volheydt der Heydenen komen, en als dan sal gansch Israël saligh werden, spreeckt de Heere Heere, Rom. 11:25. Wie ooren heeft te hooren, die hoore.[29]

Prehistorische monumenten beveelt Picardt aan in de hoede van de overheden, die in de achttiende eeuw inderdaad zullen overgaan tot beschermende maatregelen. Maar heidendom als streving van het hart wenst hij te bestrijden. Een goed functionerende kerk doet dat door een toepassing van tucht op leer én leven. ‘Christelijcke Religie’, als onderscheiden van heidendom, bestaat niet in de laatste plaats uit

de Wet Christi, door welcke allen Christenen scherpelijck verboden wert te begeeren het goedt des naesten, of te maeyen daer men niet gezaeyt heeft. Daerom heeft men oock bevonden dat vele Natien, die te voren waren niet anders als leeuwen, tygers, wolven, ravens, giers en adderen, sedert dat zy het Euangelium hebben aengenomen, soo seer zijn verandert en bedaert, dat zy in schapen, lammeren en duyven zijn getransformert geworden.[30]

Over geloofsvoorstellingen uit de tijd van voor het christendom, het zij nog eens herhaald, valt weinig of niets te zeggen. Picardt spreekt van ‘heydensche superstitien’: voorstellingen uit een vroeger stadium van de mensheidsgeschiedenis, die sindsdien (met name door de komst van het Evangelie) vervangen zijn door beter inzicht. Voor zover zulke ‘superstitien’ voortbestaan in het volksgeloof wil hij er tamelijk neutraal naar verwijzen, zoals in het geval van de ‘witte wijven’. Zijn voornaamste inzet is echter goed Bijbels: niet onze voorstellingen van deze ‘superstitiën’ in het verleden doen er echt toe, maar een theologisch gefundeerd inzicht in wat heidendom is ook in ons eigen hart. Als de meest bedenkelijke vorm van heidendom in zijn eigen tijd beschouwt Picardt de neiging van vorsten om uit naam van eer en militaire glorie (vergelijk de in Friesland bewaarde epiek) andere landen binnen te vallen en leeg te plunderen.

Christenen zijn ’t dan alleen met den naem, maar Heydenen en Barbaren metter daedt, die geen conscientie daer van maken, sonder manifeste rechtvaerdige redenen en oorsaken in andere Koninckrijcken en Landen te vallen, de selve in yver en bloedt te stellen, duysenden arme menschen, weduwen en weesen te maken; alleen hierom, om hare landen en onderdanen te vermeerderen.[31]

Rolde zal er in 1672 mee te maken krijgen, wanneer het dorp zal worden leeggeplunderd door Munsterse troepen en de kansel vanwaar Picardt gepreekt had in de kerk stukgeslagen om als brandhout te dienen.[32]

Picardt: sporen van godsdienst

Respect voor prehistorische monumenten komt dus niet voort uit de pretentie heidense voorstellingen uit het verleden te kennen, laat staan om die te beamen. De redenen voor die piëteit jegens de ‘antiquiteten’ liggen elders. Gedenktekens uit het verre verleden bepalen ons bij de lange reeks van geslachten, waar we zelf deel van uitmaken. De loop van de geschiedenis wordt in die reeks weerspiegeld en daarmee naar Picardts overtuiging ook Gods voorzienig handelen daarin. Het offer is voor de christen het offer van Christus geworden, voor eens en voor altijd gebracht. Die overtuiging belet ons niet om ook met aandacht naar overblijfselen van andere culturen te kijken. Na bestudering van de vorm van de hunebedden concludeert Picardt (terecht) dat zij een ander doel hadden dan van ‘heydensche autharen’. Vergelijking met de aanvaarde kenmerken van een altaar in de Bijbel en in geleerde literatuur maakt dat duidelijk.[33]

Van even scherpe observatie geeft zijn beschrijving blijk van de overblijfselen van omwalde akkercomplexen uit de IJzertijd. Zulke raatvormige complexen (vanuit de lucht gezien) worden in de hedendaagse literatuur aangeduid als ‘Celtic fields’. Picardt is de eerste geweest die ze in het Nederlandse landschap heeft opgemerkt. In verband met de grafheuvels (zoals we nu weten merendeels uit de Bronstijd) verwijst hij naar de associatie met de al genoemde ‘witte wijven’ in de volksverhalen, maar verwijst daarnaast naar soortgelijke monumenten die hij tijdens een reis door Frankrijk heeft opgemerkt.

Meermalen verwijst Picardt naar toevallig gedane bodemvondsten, vooral bronzen siervoorwerpen en Romeinse munten. Hij verwijst ook naar mensenoffers, waarbij het echter onduidelijk blijft of hij die gewoon aan de Germania ontleent of dat hij ook bekend was met daadwerkelijk gebrachte mensenoffers in de venen in zijn omgeving, zoals dat van het meisje van Yde. Zijn verklaring is de volgende:

Dese levendige menschen, offerden sy hare Af-goden niet alleen om daer door hare gonst te verwerven, en om van haer gezegent te werden, maer oock op dat sy uyt de ingewanden der doode lichamen, als uyt het harte, lever, mage, milte, nieren, blase en harssenen, toekomende dingen souden mogen gewaer werden.[34]

Zijn gereformeerde oordeel erover is genuanceerd. Strikt genomen gaat het bij dergelijke mensenoffers eerder om duivelsdienst dan om godsdienst in eigenlijke zin. Tegelijkertijd blijkt er, hoe onbeholpen ook, iets uit van de eenheid van het menselijk geslacht en een weliswaar verdonkerd besef van gemeenschappelijke oorsprong in God. In de zorg voor het begraven van de doden en het brengen van nederige offers komt al in de voortijd iets naar voren van wat Picardt ‘manifeste vestigia’ noemt: sporen van een aanwezig besef ‘van den rechten waren Godts-dienst’. Uiteindelijk gaat dat besef naar zijn overtuiging terug op de afstamming van Noach.[35] Voor de vestiging van de ware religie is echter meer nodig. Juist omdat de heidense aandriften in het heden nog zo sterk zijn, hecht de predikant Picardt zeer aan de aanwezigheid van een gereformeerde overheid. Hij heeft geen enkele illusie dat de kerstening van Nederland ooit doorgevoerd had kunnen worden zonder de onmisbare steun van Karel de Grote. ‘De loflijcke feyten, in ’t stuck der Religie, der Politie, en Militie, die desen incomparabelen Heldt bedreven heeft, sullen in hoogh-achtinge blijven soo lange de werelt sal staen.’[36]

De kerkelijke gemeenschap en haar visie op het verre verleden

Is er heden ten dage nog iets terug te vinden van de visie van Picardt in diens vroegere standplaats? De beste manier om zicht te krijgen op de christelijke perceptie van het verleden van de eigen woonplaats is uiteraard om de plaatselijke geloofsgemeenschap ernaar te vragen. In Rolde wordt de wandelaar tijdens de zomermaanden door een niet te missen spandoek uitgenodigd om de Jacobuskerk van binnen te bewonderen.[37] Wat dat betreft staat de huidige geloofsgemeenschap voor dezelfde opdracht als Picardt: niet alleen informatie aandragen, maar ook het gesprek aangaan. Een gemeentelid gaf tijdens één van mijn bezoeken in en rondom Rolde aan zo nu en dan de zondagse erediensten bij te wonen, maar het nog belangrijker te vinden dat de kerk ook iedere werkdag open was voor publiek. Ze vond de uitnodiging op het genoemde spandoek niet meer dan logisch: ‘Een kerk moet toch altijd gastvrij zijn?’ Een ander gemeentelid gaf bevestigend antwoord op de vraag of hij vanuit de kerk begraven wilde worden als het zover was: ‘Natuurlijk, ik wil op de begraafplaats komen te liggen waar mijn ouders liggen.’ De doden worden tot op de dag vandaag herdacht, begraven en gecremeerd. De vraag of de visie van Picardt nog herkenbaar is in Rolde, kan daarmee voorzichtig bevestigend beantwoord worden. Een waardering voor de hunebedden komt niet voort uit een voort bestaand of herleefd heidendom. Wat telt is het brede perspectief van opeenvolgende generaties die op een bepaalde manier toch verbonden blijven. Feitelijke kennis van het verre verleden ontlenen we aan onderzoek en aan de verspreiding van onderzoeksresultaten via schoolonderwijs, universiteiten, media en musea. Daarnaast brengt de kerk een eigen visie in, op de Bijbel gebaseerd, wetend van het belang van Israël en niet alleen uitziend naar het verleden maar ook naar Gods toekomst. Het is een visie die ook tégen hedendaagse vormen van heidendom in stelling kan worden gebracht. Picardt zou het allemaal hebben kunnen beamen.

Na de wandeling door Rolde gaat de tocht van de bezoeker richting de bushalte om het Drents Plateau te verlaten. De Jacobuskerk, het kerkhof en de hunebedden blijven achter. De geloofsgemeenschap blijft iedere zondag de lofzang gaande houden en mensen uitnodigen om eens een kijkje te nemen in de kerk.[38]

Noten

[1] W. van der Sanden, Geschiedenis van Drenthe 1 (Een archeologisch perspectief), Assen: Koninklijke Van Gorcum, 2018 en M. Gerding en J. van der Meer (red.), Geschiedenis van Drenthe 2 (Een nieuw perspectief), Assen: Koninklijke Van Gorcum, 2018.

[2] J. van Eijnatten en F. van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis, Hilversum: Verloren, 2006, 25-75 en H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen: Kok, 2010, 19-118.

[3] Van Eijnatten en Van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis, 62.

[4] Van der Sanden, Geschiedenis van Drenthe 1, 273.

[5] Gerding en Van der Meer, Geschiedenis van Drenthe 2, 17.

[6] D. Otten, Willehad. Een Angelsaksische missionaris in Drenthe op de grens van prehistorie en historie. Met een vertaling van en toelichting op de Vita Willehadi van ca. 845, Uitgeverij Drenthe: Beilen, 2017, 72.

[7] A. Kamsma, De Rolder kerk. Een middeleeuwse dorpskerk in Drenthe, Rolde, 2013.

[8] W. van der Sanden, Reuzenstenen op de es. De hunebedden van Rolde, Waanders: Zwolle, 2007.

[9] K. Zwanepol en C.H. van Campenhout (red.), Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland, Heerenveen: Protestantse Pers, 2009, 88.

[10] Idem, 93.

[11] Idem, 204.

[12] Jane I. Guyer (red.), Marcel Mauss. The Gift. Expanded edition, selected, annotated and translated, Hau Books: Chicago, 2016, 144.

[13] https://drentsmuseum.nl/nl/topstukken-uitgelicht/meisje-van-yde (d.d. 29 augustus 2019).

[14] Van der Sanden, Geschiedenis van Drenthe, 210.

[15] Gerding en Van der Meer, Geschiedenis van Drenthe, 52 en 53.

[16] J. Picardt, Korte bescryvinge van eenige vergetene en verborgene Antiquiteten der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Waer bij gevoeght zijn Annales Drenthiae, Amsterdam 1660: Gerrit van Goedesbergh, 1660. Integrale heruitgave met inleiding door Wijnald A.B. van der Sanden, Leiden: Sidestone Press, 2008.

[17] W.A.B. van der Sanden, ‘Johan Picardt (1600-1670) – dominee, ontginner, medicus en oudheidkundige’, in Picardt, Antiquiteten, xx.

[18] Picardt, Antiquiteten, 57.

[19] W.A.B. van der Sanden, ‘Johan Picardt’, xxviii-xxix.

[20] J. Picardt, Den Prediger, Dat is: Grondige verklaringe en Bewijs, genomen uyt Goddelycke, Kerckelycke ende Prophane Schriften: van de Authoriteit, waerdicheyt en uytnementheyt des H. PredighAmpts: Boven alle Hoogheden, Digniteyten en Officien deser Werelt, Zwolle: ‘Gedrukt bij Jan Gerritsz’, nadere gegevens onbekend, 1650.

[21] Het in 1977 verschenen proefschrift van G. Groenhuis, De sociale positie van de gereformeerde predikanten in de Republiek der Verenigde Nederlanden voor ca.1700, verwoordt kernachtig de inhoud van Den Prediger en stelt daarbij een aantal kritische vragen. Het proefschrift is digitaal te raadplegen via www.dbnl.org.

[22] Picardt, Antiquiteten, dedicatie.

[23] Idem, 7.

[24] Idem, 1.

[25] Idem, 70.

[26] Idem, 3.

[27] Idem, 3.

[28] Idem, 5.

[29] Idem, 9.

[30] Idem, 13.

[31] Idem, 13-14.

[32] Een nieuw exemplaar werd in 1677 geleverd door kistenmaker Derck Bymholt in Groningen. Zie voor deze: Rienk Bijma, Een deftig huys met een fraay hoff. De geschiedenis van een oud Gronings huis en het omliggende havenkwartier, Assen, 2019, 43.

[33] Picardt, Antiquiteten, 26.

[34] Idem, 67.

[35] Idem, 68.

[36] Idem, 160.

[37] Tijdens één van mijn bezoeken in Rolde trof ik vier toeristen aan in de kerk die nieuwsgierig waren naar het interieur van de kerk. Door de uitnodiging op het spandoek, zo zeiden ze, voelden ze zich welkom om door de kerkdeur naar binnen te gaan.

[38] Met dank aan Jan Bos, predikant van de Protestantse Gemeente Rolde, voor zijn aan studenten en docenten van de PThU geboden gastvrijheid en gelegenheid tot gesprek.

< Terug