< Terug

Ontsnapping door het raam

Alternatief bij eerste zondag van de herfst (1 Samuël 19:10-18)

Voorafgaand aan deze perikoop horen we dat Saul met ‘een boze geest van de Eeuwige’ te maken heeft (19:9). Daardoor loopt David het gevaar gedood te worden. Michal blijkt het inzicht, de doortastendheid en het handelend vermogen te hebben om haar geliefde echtgenoot David te laten ontsnappen. Themawoorden zijn hier zowel ‘doden’ (Hebr.: moet, hif. – vier keer, in 19:11a.11b.15.17) als ‘ontsnappen’ (Hebr.: malath – vijf keer, in 19:10.11.12.17.18). De liefde van Michal wint het van de negativiteit van haar vader.

De naam van de Eeuwige (Hebr.: jhwh) wordt in deze perikoop niet genoemd, maar wel in de onmiddellijke context (19:9). Daar wordt gesproken over ‘een boze geest van de Ene’ (Hebr.: roeach jhwh ra‘ah, 19:9; vgl. 18:10 – Naardense Bijbel). Die boze geest is over Saul gekomen nadat ‘de Geest van de Ene van Saul is geweken’ (16:14 – Naardense Bijbel). De ‘boze geest’ uit zich in jaloezie van Saul op Davids succes (18:8-9). Saul is levensgevaarlijk voor David geworden. Hij begint op Kaïn te lijken (Genesis 4). Al eerder, in 18:10-11, is verteld dat Saul probeert om David aan de ‘muur’ (Hebr.: bhaqir) te spietsen met zijn ‘speer’ (Hebr.: chanit). Hier (19:10) wordt deze bedreiging herhaald. We horen, hoe David ‘ontsnapt’. Hoe die ontsnapping ‘in die nacht’ (Hebr.: ballailah hu’ – 19:10) eruitziet, wordt verteld in de verzen 11-17.

Michal heeft de hoofdrol

In het voorgaande hoofdstuk is verteld dat Michal ‘houdt van’ David (Hebr.: ’ahab – 18:20.28). Saul hoopte dat zij tot een ‘valstrik’ (Hebr.: moqeesj – 18:21, Naardense Bijbel, Vertaling NBG 1951) zou worden voor David. Hij vroeg een buitensporige bruidsprijs voor haar (18:25). We zullen zien dat de valstrik hier als een boemerang terugkomt naar Saul. Hij zendt boden naar het huis van David om het te ‘bewaken’ (Hebr.: sjamar) en hem in de ochtend te doden (19:11). Michal, ‘zijn vrouw’ (Hebr.: ’isjto) neemt de leiding op zich, als zij David ‘meldt’ dat als ‘jij je ziel niet laat ontsnappen vannacht’ dan ‘ben je morgen al gedood’ (19:11 – Naardense Bijbel). ‘Melden’ (Hebr.: nagad, hif.) is iemand iets belangrijks vertellen. Michal voegt vervolgens de daad bij het woord door een aantal handelingen te verrichten: zij ‘liet’ David ‘naar beneden zakken’ (Hebr.: jarad, hif. – 19:12) door het venster, zij ‘nam’ (Hebr.: laqach) de terafim, zij ‘legde’ (Hebr.: sim) die op het bed, zij ‘bedekte’ (Hebr.: khasah) hem met het gewaad (19:13 – Naardense Bijbel). Na al deze doortastende handelingen horen we Michal bovendien tweemaal haar mond openen: tegen de boden van Saul en tegen Saul (19:14.17). Michal is de handelende persoon. Zij handelt en spreekt uit liefde voor David. In hoeverre is die liefde wederzijds? Het leven van Michal verloopt verder tragisch: als vrouw is zij vaak lijdend voorwerp. Terwijl David andere vrouwen ‘neemt’ (Hebr.: laqach – 25:40.43), ‘geeft’ (Hebr.: natan – 25:44) Saul zijn dochter Michal aan een andere man. Daarna laat David haar ophalen (2 Samuël 3:13-15), terwijl haar nieuwe man om haar huilt (2 Samuël 3:16). Bij dit alles loopt Michals liefde voor David een deuk op. Als David danst voor de ark, zal Michal hem ‘met heel haar hart verachten’ (2 Samuël 6:16). Dit houdt zij niet verborgen (2 Samuël 6: 20-22). Haar lot is kinderloosheid (2 Samuël 6:23).

Terafim en geitenhaar

Het lijkt wel een film, zoals David ontkomt ‘door het venster’ (Hebr.: be‘ad hachallon – 19:12, Naardense Bijbel). Michal legt de ‘terafim’ (Hebr.: terafim, 13.16) op het ‘bed’ (Hebr.: miththah – 13). Je kunt hierbij denken aan de terafim die Rachel meeneemt op de vlucht voor Laban (Genesis 31:19.34). Terafim worden in Tenach als afgoden gezien. Samuel vindt het dienen van terafim een ongehoorzaamheid (1 Samuël 15:23). Ook Hosea en Josia verwerpen terafim (Hosea 3:4; 2 Koningen 23:24). De terafim van Michal (en Rachel) zijn op zijn minst dubbelzinnig. Het woord ‘haar’ (Hebr.: kabhier – 19:13.16) is een hapax legomenon. Toch zou je bij het ‘geitenhaar’ (Hebr.: kebir ha‘izzim – 19:13.16) een associatie kunnen vermoeden met Hooglied 4:1: ‘je haar is als een kudde geitjes.’ Liefde, zelfs in het camouflerende geitenhaar ‘aan zijn hoofdeind’ (Hebr.: mera’asjotav – 19:13.16).

Een valstrik voor Saul

Bedreigde mensen worden beschermd door leugentjes om bestwil. Denk aan de vroedvrouwen Sifra en Pua (Exodus 1:15-19). Michal rekt de tijd door tegen de boden van Saul te zeggen: ‘Hij is ziek’ (Hebr.: cholèh hoe‘ – 19:14). Saul laat zijn kwade bedoelingen nu openlijk horen: ‘Breng hem met bed en al naar mij omhoog, om hem te doden’ (19:15 – Naardense Bijbel). Dan volgt de ontknoping (19:16). Saul roept zijn dochter Michal ter verantwoording: ‘waarom heb je me zo bedot, mijn vijand losgelaten zodat hij kon ontsnappen!’ (19:17 – Naardense Bijbel). Hij gebruikt hier het Hebreeuwse werkwoord sjalach (= zenden, loslaten), dat ook vijf keer in deze perikoop voorkomt (in 19:11.14.15.17a.17b), in vers 17b in het antwoord van Michal. Zij doet alsof David haar bedreigde: ‘hij zei tegen mij: laat me los (Hebr.: sjallechini), waarom zou ik je doden?’ (Naardense Bijbel). In dit antwoord kijkt Saul in de spiegel van zijn eigen gedrag (19:11.15). Alsof David op Saul zou lijken…

David dankzij Michal ontsnapt

Vers 10 en vers 18 omringen het tekstgedeelte, waarin ‘ontsnapping’ centraal staat (11-17). Het begint in vers 10 met een samenvatting: David ‘ontsnapte’ (Hebr.: jimmaleeth). In de verzen 11-17 wordt dit werkwoord driemaal herhaald: ‘als je je ziel niet laat ontsnappen’ (Hebr.: ’im-’eenkha memalleeth ’et-nafsjekha – 19:11), ‘hij ontsnapte’ (Hebr.: wajimmaleeth – 12) en ‘waarom (…) heb je laten ontsnappen?’ (Hebr.: wajimmaleeth – 17a). In vers 18 wordt het verhaal afgesloten met: ‘David (…) is ontsnapt’ (Hebr.: wajimmaleeth). David ‘meldt’ (Hebr.: nagad, hif. – 19:18, vgl. 19:11) Samuel alles over Saul. Door Michals doortastende ingrijpen heeft David een veilig heenkomen kunnen zoeken.

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

< Terug