< Terug

Op vredesmissie

Derde zondag van de zomer (Jesaja 66:10-14 en Lucas 10:1-20)

Zijn we nog missionair, of is inmiddels de missiemoeheid toegeslagen? Dan is de lezing uit Lucas een ongenode gast. Jezus zendt zeventig mensen vooruit. Hij gebiedt ons te bidden om meer: ‘Bidt dan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzendt in zijn oogst’ (10:2). Voor ‘uitzenden’ of ‘sturen’ staat letterlijk: uitwerpen. Dat weinig zachtzinnige woord hoor je meestal als het gaat om demonen die eruit gesmeten worden. Maar misschien is het voor missiemoede mensen soms wel net zo nodig uit de onwillige schuchterheid gewórpen te worden, de oogst in.

In de handschriften is onduidelijkheid over hoeveel mensen Jezus uitzendt. Zeventig of tweeënzeventig? Al in het Oude Testament bestaat die twijfel. De Hebreeuwse tekst kiest liever voor zeventig, waar de Septuagint voor tweeënzeventig kiest. Zo worden er in de Hebreeuwse tekst van Genesis 10 zeventig volken genoemd tegenover tweeënzeventig in de Septuagint. Het getal zeventig staat voor de volheid van de volkeren enerzijds, anderzijds ook voor Israël met bijvoorbeeld zijn zeventig oudsten (Exodus 24:1). Kortom, het getal laat zien dat de missie op Israël gericht is, maar tegelijk een preview is van de komende wereldzending.[1]

Als lammeren onder de wolven

De missie voltrekt zich in een paradoxaal samengaan van gezag en kwetsbaarheid. De kwetsbaarheid staat voorop. ‘Lammeren onder de wolven’ (10:3). Geen cash, geen koffers, geen hotelovernachtingen, maar aangewezen zijn op de gastvrijheid van mensen. Eten wat daar de pot schaft, als Franciscaner bedelmonniken. Maar in die uiterste hulpbehoevendheid en kwetsbaarheid hult zich Jezus’ gezag, dat Hij overdraagt op zijn gezondenen (10:16). Ze brengen zijn vrede in huizen (10:5). Ze genezen zieken en verkondigen metterdaad dat het Koninkrijk vlakbij is (10:9). Ze onderwerpen demonen aan zich, in Jezus’ naam (10:17). Niets kan hen schaden, ze vertrappen slangen en schorpioenen (10:19). Het zijn lammeren die adders vertrappen. In deze paradox leeft een christen. Hij overwint met zijn geloof de wereld (1 Johannes 5:4) en lijdt in diezelfde wereld verdrukking (Johannes 16:33). Het is de paradox van de Gekruisigde, die regeert vanaf het hout.

Onder de spanning van het oordeel

De missie kenmerkt zich ook door een grote urgentie. Niemand moet onderweg gegroet worden (Lucas 10:4). Voor gemoedelijkheid is nu geen tijd. Als een stad Jezus’ boden niet verwelkomt, gaat de reis verder (10:10-11). Maar niet voordat het Koninkrijk is aangekondigd. Jezus voegt een dreiging toe, gericht aan de steden Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm (10:13-15). We hebben de afgelopen decennia het laatste oordeel terecht leren verstaan als een goddelijke daad van heil en liefde. Maar dat maakt het allemaal niet minder huiveringwekkend. Want juist dat God brandende liefde is, en wij zo vaak koele, berekenende behoudzucht, zet alles onder spanning. Het oordeel is geen lachertje en ook geen hamerstuk van een God voor wie vergeven zijn metier is (Heine). Het Dies Irae heeft ergens nog steeds zijn goed recht. Wat de christelijke boodschap zijn urgentie geeft, is mede het naderende oordeel van God. ‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen’ (2 Korintiërs 5:10).

Satan eruitgebliksemd

Een van de zinnen die bij mij het meest blijft hangen, is deze: ‘Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen!’ (Lucas 10:18). Elders zegt Jezus iets soortgelijks: ‘Nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden’ (Johannes 12:31). Blijkens Openbaring 12:7-12 is hij de hemel uitgebliksemd door aartsengel Michaël. In Job 1:6 wandelt hij nog zomaar bij God binnen. ‘Satan’, aanklager is zijn ambt. Hij zwerft over de aarde rond en komt bij God verslag uitbrengen (Job 1:7). Maar dat kan hij nu niet meer. Hij is ontslagen en eruitgebliksemd. God heeft hem niet meer nodig, nu Hijzelf in Christus over de aarde rondwandelt. Wat er met mensen mis is, heeft Jezus aan den lijve ondervonden. Maar zijn eindrapport klinkt anders. Satan adviseert God: Gooi dat hele zootje toch in de verdommenis. Jezus zegt tegen God: Weggooien is zonde. Hij betaalt zelf de prijs die nodig is om afval te recyclen, om mensen een nieuw bestaan te geven.

Vrede die alle verstand te boven gaat

Het kernwoord van dat nieuwe bestaan is: vrede. Het woord klinkt driemaal in Lucas 10:5-6. De missie van iedere christen is een vredesmissie. Ongewapend worden we op pad gestuurd. Hier raakt de evangelielezing aan de profetenlezing. Want daar stroomt de ‘vrede als een rivier’ (Jesaja 66:12). Het lied van de Kerstnacht komt nu bij mensen thuis. ‘Vrede op aarde’ (Lucas 2:14). ‘Vrede in de strijd’ (Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk 2013, 669). Iedereen kan je alles aandoen, en toch kan niemand je wat maken. Je bent een onaantastbaar lam tussen de wolven, een Daniël in de leeuwenkuil. Want het zit zielsgoed tussen God en jou, er is vrede ‘die alle verstand te boven gaat’ (Filippenzen 4:7). Zalig zijn de vredestichters, de mensen die vrede om zich heen verspreiden. Hun innerlijk geheim: een voortdurend gebed. ‘Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank Hem in al uw gebeden. Dan zal de vrede (…)’ (Filippenzen 4:6). Hoe kunnen we ooit missiemoe worden, als Gods vrede ons bewoont? Iedere viering stroomt de vrede ons weer tegemoet. ‘De vrede van de Heer zij altijd met u.’ En ten slotte: ‘Ga dan heen in vrede.’ De kerk uit, de oogst in.

Deze exegese is opgesteld door Wouter van Voorst.

Noot

[1] J. de Heer, Lucas-Acta / 2. Het verhaal van Jezus, Zoetermeer 2006, 264-26

< Terug