< Terug

‘Op zoek naar een ‘lichte’ vorm van kerk-zijn’

Ton Bernts is vanaf 1992 verbonden aan het Kaski, onderzoekscentrum voor religie en samenleving. Aanvankelijk begon hij als senior-onderzoeker en sinds 2003 is hij directeur van dit centrum. Hij studeerde cultuur- en godsdienstpsychologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en promoveerde in 1991 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam in de sociale wetenschappen, op een onderzoek over attitudes in de gezondheidszorg. Zijn onderzoek richt zich op hedendaagse religieuze ontwikkelingen in Nederland. Zijn expertise betreft de positie van kerkgenootschappen en identiteitsgedreven organisaties, en ontwikkelingen binnen de geestelijke verzorging. Momenteel doet hij evaluatieonderzoek naar nieuwe pastorale initiatieven in de Rooms-Katholieke Kerk.

U bent directeur van het Kaski. Waar staat dit instituut voor?

Het Kaski is een van de oudste sociaalwetenschappelijke instituten in ons land en is opgericht in 1946, de wederopbouwfase na de Tweede Wereldoorlog. Katholieke intellectuelen wilden de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) na de oorlog opnieuw een duidelijk plaats geven in de samenleving. Toentertijd maakten we deel uit van de rooms-katholieke zuil, maar we waren geen katholieke organisatie. Het Kaski is opgericht als een burgerlijke stichting.

In het verleden werd onderzoek gedaan naar alle aspecten binnen de rooms-katholieke zuil, zowel kerkelijke zaken als ook onderwijs en welzijn. Later, met het uiteenvallen van deze zuil, is de focus meer op het kerkelijke en het brede religieuze veld, dus ook buiten de RKK, komen te liggen.

Sinds tien jaar zijn we onderdeel van de Radboud Universiteit en gesitueerd binnen de faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen. We zijn geen stichting meer met een eigen bestuur, maar nu eigenlijk een task force binnen de faculteit die vooral toegepast onderzoek doet op het bredere terrein van religie en samenleving. Het katholieke vraagstuk speelt hierin nog altijd een rol, maar de nadruk ligt op religie in het algemeen. Voorbeelden van recent onderzoek zijn een evaluatie van de geestelijke verzorging bij justitie, het gebruik van gebedshuizen in Nederland en de ontwikkeling van secularisatie. Momenteel doe ik evaluatieonderzoek binnen het programma Space for Grace. Dit is een initiatief van de stichting Porticus, gericht op vitalisering en innovatie binnen de Rooms-Katholieke Kerk.

Uw onderzoek is dus vooral gericht op de plaats die religie inneemt binnen de samenleving. Is religie voor u persoonlijk belangrijk?

Voor mij persoonlijk niet zo. Ik ben katholiek opgevoed en heb de katholieke volkskerk vanbinnen meegemaakt. Ik ben altijd wel kerkelijk betrokken gebleven, maar enigszins op afstand. Ik ervaar in mezelf dezelfde verwijdering tussen kerk en dagelijks leven die je eigenlijk breed in de samenleving ook ziet. De rol en mogelijke betekenis van de kerk gaan me wel ter harte.

Religie en de kerk zijn veel mensen lange tijd ter harte gegaan. Het thema van dit nummer van Handelingen is ‘kerkverlating’. Hoe kijkt u naar dit begrip?

De term ‘kerkverlating’ gebruik ik zelf eigenlijk nooit. Ik denk dat er eerder sprake is van verwijdering. Als we het vanuit de samenleving bezien, zien we dat het religieuze steeds minder betekenis, steeds minder positie heeft. Dat uit zich dan vervolgens in minder participatie in de kerken. Kerkverlating klinkt natuurlijk erg als ‘ik ga de kerk uit’. Misschien is het een protestants begrip. Bij katholieken zie je het eigenlijk nauwelijks: men drijft langzaam af van religieuze gewoontes. Het is een proces waarin het religieuze geleidelijk uit het leven verdwijnt. Af en toe komt het dan wel weer op, met bijvoorbeeld Kerstmis of Pasen. Of – zoals vooral in Limburg – bij de eerste communie. Kenmerkend voor deze uitingen van religie is dat ze ook bij uitstek een sociale component hebben.

‘Nadenken over de zin van het leven gebeurt niet alleen in de kerken’

Dit proces van wegtrekken van religie is vooral in de jaren 1960 in een enorme stroomversnelling terechtgekomen. De oorzaak hiervan is, kort door de bocht genomen, individualisering van de maatschappij. Natuurlijk spelen er ook allerlei andere zaken een rol, maar ik zou hier toch dit woord voor willen gebruiken. Wij zijn in ons denken ons eigen project geworden. Dat is een ingrijpende gedachte. Met zaken als autoriteit en traditie, waar religie uit bestaat, kunnen wij in het Westen, West-Europa, niet meer goed uit de voeten. En dit zie je ook op andere terreinen: het gezag van leraren, politici en politieagenten ebt weg.

Van dat proces maakt het religeuze dus ook deel uit, bij uitstek eigenlijk. Vandaag de dag leven we in een historisch ongekende tijd, waarin de emancipatie van individuen voorop staat met alle goede en ook wel minder goede kanten.

Zou dit proces ooit kunnen stoppen?

Ik zie geen aanwijzing dat dit proces stopt, in ieder geval wat de kerk betreft. Kerkbezoek en ledenaantallen blijven afnemen. Daarom is het belangrijk om een eigentijdse vorm te vinden. Het huidige kerkmodel is nog erg gericht op traditie en – zeker bij de rooms-katholieken – op een bepaalde top-down benadering. Het gaat ook uit van een intensieve participatiegraad, met in principe een wekelijkse kerkgang. Dat model, dat ook impliceert dat er overal kerken zijn, is niet meer functioneel en zal ook gaan verdwijnen. Bovendien zijn het onderhoud van gebouwen en de personeelslasten in een situatie van krimp niet meer te betalen.

Geldt dat ook voor de migrantenkerken in Nederland?

Nee, er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen. En tegenover individualisering staat ook altijd een bepaalde groepsfunctie. Bij migrantenkerken zie je dat sterk: migranten komen hier en zijn in eerste instantie op elkaar aangewezen, waarbij kerken een belangrijke rol vervullen. Daarbij speelt religie in het land van herkomst vaak een veel grotere rol dan hier, en die betekenis van religie nemen ze mee.

‘Mensen zoeken naar nieuwe wegen die meer individualistisch zijn’

Aan de andere kant zie je dat kleine protestantse kerken zichzelf wel kunnen continueren in de huidige tijd. Daar heerst een sterke sociale cohesie met een duidelijke plaats voor religie. Maar dat is een kleine groep. Hoewel er in deze kerken geen grote oplevingen zijn en er ook mensen wegtrekken, zullen de aantallen – mede ook door wat hogere geboortecijfers – wel ongeveer gelijk blijven.

Kan het bestaan van deze migrantenkerken voor een opleving zorgen binnen de langer bestaande protestantse en katholieke kerken?

Dat denk ik niet. In Nederland gaat het om een vervreemding van het religieuze. Er zijn in onze levens uiteraard veel dingen onzeker en we moeten steeds opnieuw zoeken naar de betekenis van dingen. Ik denk echter niet dat traditionele vormen van religie, zoals de islam of evangelische migrantenkerken, voor de grote groep enige aantrekkingskracht hebben.

Ik denk eerder dat mensen binnen het christendom zoeken naar nieuwe wegen die meer individualistisch zijn. En ook meer democratisch. Het moet ‘iets van mezelf’ zijn, in combinatie, of wellicht eerder confrontatie, met ‘iets dat mezelf overstijgt’. Dat maakt het spannend.

Dus ik denk dat we nieuwe vormen zullen zoeken, zoals je momenteel sterk ziet binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Dat roept weer allerlei discussies op, maar dat hoort bij fundamentele vernieuwing. Bijvoorbeeld: de discussie over de pioniersplekken en het kerkelijk ambt. De visie hierop van nieuwe groepen geïnteresseerden wijkt duidelijk af van de huidige kerkorde. Ook is er natuurlijk altijd discussie over de geldstromen. Maar dat institutionele hoort mijns inziens deels bij een bepaalde tijd die nu voorbij is.

Naar wat voor vorm zouden we dan toe moeten?

Je moet op zoek naar een ‘lichte’ vorm van kerk-zijn, naast de huidige vormen. Mensen zullen zich af en toe graag aan de hand mee laten nemen in een religieus weekend, pelgrimage, muziek, kunst of een diaconaal project, het kan van alles zijn. Dat moet je ook organiseren, daar ben ik me van bewust, maar het moet wel simpeler, zou ik bijna zeggen. Ik vind religie zelf ontzettend complex. Als ikzelf in de kerk zit, is het moeilijk om de betekenis van alles te kunnen vatten. Gezien vanuit de traditie kan alles betekenis hebben, maar zonder duidelijke aansluiting bij de huidige tijd gaat deze betekenis aan velen voorbij. Daarbij hoef je de traditie niet weg te drukken, maar ze hoeft ook niet altijd de boventoon te voeren.

Ik was begin dit jaar toevallig in de Dom van Keulen toen daar om 12.00 uur de dagelijkse gebedsdienst werd gehouden, een heel eenvoudige dienst. Er was een pastoraal werkster die een paar mooie, pakkende woorden sprak, er klonk een kort gebed, er was muziek. Toen dacht ik: ‘Ja, dit is het. Dit spreekt mij aan.’ Thema’s als ‘waar komen we vandaan’, ‘samenzijn’, ‘troost’ en ‘inspiratie’ kunnen op een simpele manier doorgegeven worden. Dat lukte in deze gebedsdienst en dat vond ik heel knap. Overigens zag ik deze thema’s ook prachtig verbeeld in het aangrenzende Museum Ludwig voor moderne kunst – heel anders en toch ook weer verwant.

Is de kerk in staat zich aan te passen aan de huidige tijd en het autoritaire los te laten?

Dat is een goede vraag. Je ziet velden waarin dat geprobeerd wordt, in parochies en protestantse gemeenten uiteraard. Tegelijkertijd wordt het christendom erg overheerst door het institutionele karakter ervan. Vroeger ook nog met een maatschappelijke macht, al is dat nu voorbij en zul je dat dan ook moeten loslaten. Er moet meer stem worden gegeven aan het profetische karakter, en dat wordt nu weleens weggedrukt. Het is er wel, maar voor de buitenwacht is de kerk een plek van regels en dingen die je ‘moet’.

 ‘Het moet wel simpeler, zou ik bijna zeggen. Ik vind religie zelf ontzettend complex’

Kijk bijvoorbeeld naar paus Franciscus die het institutionele wat probeert los te laten. Je ziet hoeveel moeite hem dit kost en dat is al veelzeggend. Voordat je het weet is er een nieuwe paus en zou alles zomaar weer terug kunnen gaan naar het oude. Dus ik heb wel twijfels of de Rooms-Katholieke Kerk zichzelf bij de tijd kan brengen. Daarbij speelt ook dat het een wereldkerk is. In andere delen van de wereld hoeven problemen niet als zodanig ervaren te worden en is er weinig beweging.

Het is dus lastig. Enerzijds heeft religie te maken met onderdeel zijn van een groep, je hoort ergens bij. Het heeft daardoor ook iets verplichtends, het heeft iets dat jou kan gezeggen, het heeft gezag en autoriteit. Anderzijds willen we natuurlijk ook onze eigen agenda bepalen, daarin zijn wij heel erg geëmancipeerd. De uitdaging zit hem juist hierin. Het is heel moeilijk om een vorm te vinden die het traditionele en collectieve kan combineren met het individualistische.

Zou een deel van de uitdaging ook te verklaren kunnen zijn doordat de kerk zich minder opstelt als een plek om betekenis te vinden en meer opstelt als brengster van eigen betekenis?

Soms lijkt het inderdaad dat binnen kerken de antwoorden belangrijker zijn dan de vragen. Terwijl het natuurlijk allereerst draait om de vragen. Aan de randen van de kerken of op pioniersplekken zie je kerkvormen die meer responsiever en meer op de samenleving gericht zijn. Die tendens zie ik wel. Dit is iets wat zich verder zal ontwikkelen.

Vaak wordt er ook gedaan alsof nadenken over de zin van het leven alleen in de kerken gebeurt, maar dat is natuurlijk niet zo. Er zijn meerdere betekenissystemen en rituele repertoires die prominenter zichtbaar worden in een geseculariseerde samenleving. Ik kan me voorstellen dat de grenzen tussen het religieuze en het levensbeschouwelijke nog meer gaan vervagen. In de samenleving spelen vragen als ‘waar komen wij vandaan?’ en ‘wie zijn wij?’ een grote rol. Kijk maar naar de interesse voor geschiedenis, lokale geschiedenis, maar ook de discussies rond de Nederlandse canon. Het heilige hoeft niet alleen in de kerk gevonden te worden. De 4 mei-herdenking op een lege Dam was een sacrale gebeurtenis. Dus het loopt in elkaar over. Het religieuze is onderdeel van een cultuur en daar staan seculiere en religieuze vormen van heiligheid naast elkaar. Dus ook daar ervaren wijzelf de spanning tussen onszelf en de traditie waartoe wij ons zullen moeten verhouden. En er zijn dus dingen waar wij niet aan durven te komen, 4 mei als herdenkingsdag zal blijven bestaan. Dat is toch wel interessant, die heiligheid.

Je krijgt een gemixt veld van ons overstijgende waarden die soms meer religieus en soms meer seculier van aard zijn. Vormen van betekenisgeving die verder gaan dan louter individualiteit. Dat opent ook mogelijkheden voor kerken. Een boeiende uitdaging, waarbij we als Kaski via het Space for Grace-project graag bij betrokken zijn.

Tom (T.A.H.M.) Lormans MA is historicus en geestelijk verzorger. Hij is als promovendus werkzaam bij het Expertisecentrum Palliatieve Zorg Utrecht.

< Terug