< Terug

Opdringerige vleugels

In de beeldende kunst komen we heel wat engelen tegen, misschien wel meer dan in de bijbelverhalen zelf. Wisten de kunstenaars hoe ze eruit zien? Hemelse wezens als mensen voorgesteld? Of juist heel anders? Hoe kun je hun wijze van verbeelden duiden?

Als het over engelen gaat, richt ik me graag op de vleugels van deze wezens. Engelen zijn allereerst de boodschappers van God, niet gewend de aandacht op zichzelf te vestigen, althans niet in de bijbelverhalen. In onze dagen komen engelen ook met een boodschap van God. Dat gaat er dan zó verborgen aan toe dat de hemelse wezens hun werking zelf vaak niet steeds herkennen. Een beveiliger bij de supermarkt kan in alle vroegte iets hartelijks zeggen dat hem tot de engel van die dag maakt. Zelf weet hij van niks.

Theologische vleugels

Waar engelen op zich nogal eens in de Bijbel voorkomen, zijn engelenvleugels niet schriftuurlijk. Ze stammen uit de vrome verbeelding van alle eeuwen. Cherubs daarentegen, aanwezig bij de ark of in visioenen, hebben vleugels, soms meer dan twee.

Over engelen is in al die tijd theologisch veel nagedacht. In de vroege middeleeuwen moesten ze er niet al te menselijk uitzien. Onder hun gewaad vermoed je daarom nauwelijks een lichaam van vlees en bloed. Dat wordt in de periode van Rembrandt wel anders. Daar kan hij (of zij) zelfs zichtbaar vieze voeten hebben (waarover hierna meer). Dat is voor sommigen dan al te menselijk.

In de tijd dat Bijbelse kunst in opdracht gemaakt werd, moesten ook de engelen eraan geloven: zij werden volgens voorschrift weergegeven. Het ging dan om de plaats in het beeld, de kleur van het gewaad, de goddelijke dan wel menselijke uitstraling die ze mochten of juist moesten hebben.

De vleugels vallen, voor zover ik weet, buiten dit strikt theologische gezichtsveld. Dat betekent dat de beeldhouwer, de houtbewerker, de miniaturist en de schilder elk in zijn eigen tijd zijn eigen gang kon gaan. Er bestonden geen regels over het afbeelden van de vleugels. Zo is er naar mijn smaak juist daar veel aardigs te zien. En waarom zou ik dat niet theologisch kunnen duiden?

Een paar voorbeelden:

Albani-psalter

In het Duitse Hildesheim wordt het Albani-psalter bewaard, een oud boek uit de 12e eeuw met prachtig gekleurde miniaturen over het leven van Jezus. Rechts onder een afdakje zit Maria, links staat de engel die haar aankondigt dat ze een zoon zal krijgen.

Maria houdt haar hand op in een gebaar van ‘ontvangen’. De engel laat met zijn wijsvinger zien dat hij iets met gezag zegt. De miniaturist(e) is ‘los’ gegaan op de vleugels. Vanwege de vereiste mooi gedecoreerde rand van de miniatuur, heeft hij iets moeten verzinnen voor de vleugels. Zo heeft hij ze keurig om het aureool van de engel gevouwen, waarbij ervoor gezorgd is, dat de uiteinden ervan precies over de rand van de decoratie terecht kwamen. Zo komt de engel als het ware ‘over de rand’ en dus indringender op ons toe. Bovendien staan de vleugels er alert en vrolijk bij. Mij lijkt dat Maria dan ook vooral oog heeft voor de vleugels, meer dan voor degene die ze draagt (of wil ik dat er graag in zien?)

Rembrandt

Een ander voorbeeld is van vier eeuwen later. Rembrandt heeft afgezien van deze tekening, voor zover bekend, nooit een poging gedaan de verkondiging aan Maria weer te geven. Maar als hij het doet, doet hij het goed. Hij doet hier iets wat in de beeldgeschiedenis vóór hem nog niet zo gebeurd is: hij laat niet een rijzige figuur zien die een boodschap kwijt wil, maar een zorgzame pastor die zich bekommert om wat hij door zijn boodschap heeft aangericht.

Maria valt flauw en dreigt van haar krukje te glijden. De engel komt met zo’n vaart nader dat zijn ene vleugel buiten beeld terecht is gekomen, alsof Rembrandt geen tijd had verder ‘in te zoomen’. Overigens roept deze tekening naar mijn ervaring niet alleen nabije geborgenheid op. Een aantal kijkers vindt de engel te close, de vleugels te overweldigend, te opdringerig. Ook in het bekommerende pastoraat is afstand noodzakelijk en kunnen de vleugels beter wat ingeklapt blijven.

Dürer

Er waren nog andere bezwaren tegen Rembrandts engelen. De (in 1994 overleden) begaafde Nijmeegse kerk-en kunsthistoricus Frits van der Meer ziet de engelen graag vooral als goddelijke wezens, op gepaste afstand van de mens, een beetje hetzelfde ontzag oproepend als de Heer. De engelen van Rembrandt vindt hij afstotelijk en veel te menselijk. Ze hebben zichtbaar vieze voeten en je kunt ze onder hun ‘opbollende slaapjurk’ zien, daarbij doelend op een ets waarbij Rembrandt laat zien hoe de engel Rafael wegvliegt van de familie Tobias. Verder zien de vleugels eruit alsof Rembrandt, zo vindt hij, bij de poelier heeft zitten tekenen.

Dat wegdrijven van het symbolische, van het figuurlijke en het onderzoeken van het aardse en lichamelijke is niet met Rembrandt begonnen. Het wordt goed zichtbaar bij Dürer, anderhalve eeuw vóór Rembrandt. Hij verdiept zich niet zomaar in de vleugel als symbool, maar in de feitelijke structuur van de veren en de pennen. Dat levert prachtige beelden op. Dürer onderzoekt de vleugel van een kievit zó dat je uitkijkt naar een echte kievit in het weiland in de buurt. Na het zien van dit aquarel zie je elke kievit nieuw.

Aan de kijker

Het bezien van deze beelden brengt je als kijker bij je eigen verborgen verlangen. Welke engel wens je je zelf? En voor wie engelen een achterhaald begrip vindt: welke God blijk je te zoeken? Eén die je behoedt en beschermt en ‘overvleugelt’? Of één die je vrijheid biedt en je de kans geeft je eigen weg en verantwoordelijkheid te zoeken, maar die wel in de buurt is als het nodig is?

Het zal afhangen van het moment waarin je leeft, maar ook van wie je ten diepste zelf bent.

Anne Marijke Spijkerbroek is emeritus-predikant van de Protestantse Kerk in Nederland.

< Terug