< Terug

Opleiden van humanistisch geestelijk verzorgers: de ontwikkeling van dialogische professionaliteit

Erik Borgman betoogt dat het eigene van geestelijke verzorging verloren gaat nu de geestelijke verzorging steeds meer een seculiere professie is geworden. Hij pleit voor een versterking van de theologische basis onder de geestelijke verzorging, om de publieke rol goed te kunnen vervullen. In deze bijdrage gaat Gaby Jacobs in op het wedervaren van de humanistisch geestelijke verzorging, tot voor kort nog humanistisch raadswerk geheten.

De humanistisch geestelijke verzorging kan niet bogen op een theologische traditie, maar baseert zich op filosofische en psychologische perspectieven, die van meer of minder recente aard zijn.

Vanuit haar ontstaan als levensbeschouwing voor de ‘niet-kerkelijken’, is het voor deze geestelijk verzorgers altijd gemakkelijker geweest om aan te geven wat ze niet zijn dan wat ze wel zijn. De professionele crisis waar Borgman over spreekt, is de humanistisch geestelijke verzorging dan ook niet vreemd. Deze crisis neemt echter net een wat andere gedaante aan, bij alle overeenkomsten die er zijn. De humanistisch geestelijke verzorging heeft – door de afwezigheid van een geloofstraditie waarop zij berust – altijd dichter aangeschurkt tegen het werk van psychologen en maatschappelijk werkers.

De inmiddels klassieke vraag naar het domein en de specialisatie van geestelijke verzorging ten opzichte van andere professies is met de ontwikkeling van Geestelijke Verzorging Thuis (zie de bijdrage van Guido Schürmann – red.) nieuw leven ingeblazen. Wat is nu die eigen kleur van de GV Thuis ten opzichte van andere beroepsgroepen in de eerstelijnszorg en het sociale domein of breder, van geestelijke verzorging ten opzichte van andere hulpverlenende professies?

In deze bijdrage zal ik allereerst op grond van de literatuur twee belangrijke ontwikkelingen schetsen voor de humanistisch geestelijke verzorging (HGV) en wat deze betekenen in termen van de humanistische inspiratie die aan het werk ten grondslag ligt. Uiteraard zijn er ook andere veranderingen gaande, maar deze twee komen het sterkst naar voren in publicaties over geestelijke verzorging in het afgelopen decennium.

Het gaat enerzijds om de veranderingen in het levensbeschouwelijk landschap in Nederland (en West-Europa). Nederland is een seculiere en tegelijk pluriforme samenleving geworden, waarin de invloed van religieuze en niet-religieuze tradities en organisaties sterk is verminderd, en die een diversiteit aan – vaak niet geïnstitutionaliseerde – levensbeschouwingen laat zien.

Anderzijds is er een trend gaande van professionalisering van de geestelijke verzorging, waar ook Borgman op wijst, die zich met name in de zorgsector voltrekt en die zich toont in de herpositionering van geestelijk verzorgers binnen zorginstellingen, onderzoek naar effecten van geestelijke verzorging, territoriaal (in plaats van naar denominatie) werken en een toename van samenwerking met andere disciplines.

Na de korte bespreking van deze twee ontwikkelingen zal ik laten zien dat deze ook vragen oproepen over de competenties die nodig zijn voor geestelijke verzorging en het opleiden van deze geestelijk verzorgers.

In het zoeken naar een mogelijk antwoord in de literatuur valt het concept van dialogische professionaliteit op, dat onder meer gebaseerd is op de Dialogical Self Theory (Hermans & Hermans-Konopka 2010). Dit concept vestigt de aandacht op de meerstemmigheid van de geestelijke verzorging in een complexe omgeving. Een sterke professionele identiteit is daarin verbonden met beweeglijkheid en kunnen werken met verschillen – in levensbeschouwelijkheid en in maatschappelijke posities van cliënten; en in doelen en referentiekaders van beroepsgroepen. Daarbij hanteer ik het uitgangspunt dat een opleiding maatschappelijke ontwikkelingen dient te volgen om relevant te kunnen zijn voor de samenleving, maar daar ook een eigen – kritisch – standpunt dient in te nemen.

Secularisatie en pluralisme

Aan het begin van de twintigste eeuw nam de Nederlandse politiek een vrij unieke structuur aan voor de organisatie van haar samenleving, met als doel het vreedzaam naast elkaar bestaan van de vele kerken, religieuze stromingen en wereldbeelden die kenmerkend waren voor Nederland. In een systeem van ‘zuilen’ mocht elke geloofsovertuiging een zelfstandige deelmaatschappij ontwikkelen, met eigen scholen, zorginstellingen, politieke partijen en verzekeringsmaatschappijen.

Na de Tweede Wereldoorlog viel dit verzuilde systeem geleidelijk uit elkaar onder invloed van diverse complexe processen, zoals globalisering, individualisering en de secularisatie die het leven in moderne westerse samenlevingen kenmerkt. De filosoof Charles Taylor omschrijft dit als een proces van verandering van een samenleving waarin het vrijwel onmogelijk was om niet in God te geloven, naar een samenleving waarin dit een optie is geworden, zelfs een lastige optie in bepaalde omgevingen (Taylor 1989, 2007).

Daarbij hebben globalisering en de vestiging van uiteenlopende bevolkingsgroepen in Nederland en Europa geleid tot een toename van het aantal levensbeschouwingen en religieuze en spirituele tradities, waaronder moslimen boeddhistische tradities. Mensen die niet religieus zijn aangesloten kunnen daarbij wel degelijk behoefte hebben aan spiritualiteit en nieuwe, meer gepersonaliseerde vormen van spiritualiteit of geloofspraktijken ontwikkelen, die een hybride samenstel zijn van verschillende religieuze of spirituele tradities.

Een fundamentele paradox van deze eeuw is dan ook dat secularisatie en een toegenomen belangstelling voor spiritualiteit hand in hand gaan (Heelas & Woodhead 2005). Deze veranderingen hebben eveneens gevolgen voor het humanisme, voor humanistische organisaties en ook voor de humanistisch geestelijke verzorging.

Humanisme en humanistisch geestelijke verzorging

Geïnspireerd door bekende Nederlandse humanistische filosofen zoals Erasmus en Spinoza, zijn humanistische waarden zoals zelfbeschikking en sociale rechtvaardigheid diepgeworteld in de Nederlandse samenleving (Van Praag 1946/1978; Cliteur & Van Houten 1993; Derkx 2015). In 1946 werd in Amsterdam het Humanistisch Verbond opgericht, dat het officiële ‘thuis’ moest vormen voor het groeiende aantal mensen dat niet religieus was. In 1962 werd het Humanistisch Opleidingsinstituut (HOI) opgericht, waar het humanistisch raadswerk en de humanistische pedagogiek verder werden ontwikkeld. De officiële erkenning als georganiseerd wereldbeeld gaf de humanistische beweging in 1989 het recht om een eigen, door de Nederlandse staat erkende, universiteit te starten.

De Universiteit voor Humanistiek (UvH) biedt de opleiding voor het beoefenen van het ambt van humanistisch geestelijke verzorging, met zending door het Humanistisch Verbond. Haar missie is om door middel van onderzoek en onderwijs op basis van haar humanistische inspiratie bij te dragen aan de ontwikkeling van een humane, zorgzame en duurzame samenleving waarin ieder mens een zinvol leven kan leiden.

De hiervoor geschetste context maakt dit echter geen gemakkelijke opgave. Waar er ooit schijnbaar duidelijke grenzen waren tussen verschillende levensbeschouwingen in hun rol als betekeniskaders bij het omgaan met existentiële vragen, lijken deze grenzen nu vaag en steeds veranderend. Hoe kan in zo’n complexe, pluriforme samenleving de humanistische ambitie gestalte krijgen dat alle mensen een ‘zinvol leven’ leiden? Wat betekenen humanistische tradities en waarden in de 21e eeuw?

Het humanisme is – net als de andere levensbeschouwingen en religies – meervoudig en aan verandering onderhevig. Er zijn humanisten die een uitgesproken atheïstisch standpunt bepleiten en daarmee de grenzen van hun levensbeschouwing markeren; en er zijn humanisten die de dialoog en raakvlakken met andere levensbeschouwingen zoeken. De secularisatie lijkt zich daarnaast ook uit te strekken tot het humanisme als levensbeschouwing, in de toenemende neiging om zichzelf niet te bekennen tot welke levensbeschouwing dan ook, dus ook niet als ‘humanist’, omdat humanistische waarden als ‘van iedereen’ worden gezien.

Deze ontwikkelingen en vragen spelen ook door in de humanistisch geestelijk verzorging in Nederland. De vraag naar het humanisme – en breder: geloof en levensbeschouwing – in deze tak van geestelijke verzorging, is ook langs een andere weg op scherp gesteld en dat is door de recente wijzigingen in de Beroepsstandaard van de Vereniging voor Geestelijk VerZorgers (VGVZ). In de bewerkte versie van 2015 wordt geestelijke verzorging gedefinieerd als ‘professionele begeleiding, hulp en counseling bij vragen over zingeving en levensbeschouwing’ (VGVZ 2015). Deze definitie markeert een groeiende nadruk op de professionele kwaliteit van het werk, ondersteund door professionele standaarden, registratie, onderzoek, opleidingsregisters en gedragscodes voor het beroep.

Drie uitdagingen

Deze professionalisering brengt minstens drie uitdagingen voor de geestelijke verzorging met zich mee. Ook ik richt me hier vooral op het domein van de zorg, omdat de spanning rondom professionalisering hier het meest gevoeld wordt.

Samenwerking

De eerste uitdaging betreft de samenwerking tussen geestelijke verzorging en andere beroepen in de gezondheidszorg. Van oudsher wordt de geestelijke verzorging binnen de gezondheidszorg als aanvullend gezien op andere gezondheidsberoepen, want als deskundig op het terrein van levensbeschouwelijke en religieuze aangelegenheden. In de afgelopen decennia worden echter ook andere zorgberoepen zoals verpleegkundigen, huisartsen en social workers opgeroepen om aandacht te besteden aan de existentiële behoeften van mensen, waardoor zij het expertisegebied betreden dat traditioneel door geestelijk verzorgers wordt bekleed. Dit vereist dat geestelijk verzorgers in de gezondheidszorg hun gespecialiseerde kennis en expertise op het gebied van zingeving en levensbeschouwing duidelijker verwoorden en samenwerken met andere disciplines om goede zorg te bieden. Zij dienen, zoals Edwards (2010) dat uitdrukt, relationele professionals te worden. Dit roept vragen op als geestelijk verzorgers als enige een vrijplaatsfunctie hebben. Als die vrijplaatsfunctie als typerend voor het werk wordt gezien, zal dat een belemmering kunnen vormen voor interprofessionele samenwerking. Die belemmering ontstaat dan door de consequenties die aan de vrijplaats worden verbonden, bijvoorbeeld het niet registreren van cliëntcontacten of het niet articuleren van de eigen aard van het werk. Wordt het echter ingevuld als ‘beroepsgeheim’, dan is dat in de gezondheidszorg niet nieuw en hoeft het samenwerking niet in de weg te staan.

Eigen expertise articuleren

Ten tweede en aansluitend bij de eerste uitdaging, wordt van geestelijk verzorgers gevraagd om hun eigen expertise te articuleren binnen de context van evidence based gezondheidszorg, waarin elk beroep zijn meerwaarde moet bewijzen door middel van empirisch wetenschappelijk onderzoek.

Dit vereist dat geestelijk verzorgers de taal van de gezondheidszorg en van evidence based practice leren spreken en dat zij een bijdrage aan kosteneffectieve patiëntenzorg leveren (zie bijvoorbeeld De Vries, Berlinger & Cadge 2008; Kelly 2012; Cobb 2007). We zien dat er onderzoek wordt gedaan naar uitkomsten van geestelijke verzorging om op die manier de professionalisering van het vak te versterken en om de meerwaarde voor zorginstellingen te bewijzen (Fitchett 2017; Snowden & Telfer 2017).

Er is echter ook veel kritiek op deze beweging, omdat zij neigt geestelijke verzorging op te vatten als een zorgberoep ‘zoals de anderen’ (Swinton 2003; Swift 2004). De uniciteit van het beroep gaat verloren wanneer geestelijke verzorging deel gaat uitmaken van ‘zorgroutes’ en ‘zorgprotocollen’, en wanneer het wordt onderzocht volgens maatstaven die de intentie of ‘visies van het goede’ van dit beroep niet vatten (Damen, Schuhmann, Leget & Fitchett 2019).

Professionele identiteit

Een derde uitdaging is een focusverschuiving van op levensbeschouwelijkheid gebaseerde (niet-religieuze of religieuze) kaders naar professionele referentiekaders. Dit roept de vraag op hoe dit de professionele identiteitsontwikkeling van geestelijk verzorgers beïnvloedt.

In hoeverre kunnen bijvoorbeeld humanistische opvattingen nog de professionele identiteit van humanistisch geestelijk verzorgers bepalen (Dollarhide & Oliver 2014)? En hoe manifesteren deze humanistische opvattingen zich in hybride en hoogstpersoonlijke constellaties van de cliënten van geestelijk verzorgers?

Zock (2008) verwijst in dit verband naar de ‘gespleten professionele identiteit’ van de geestelijk verzorger: enerzijds hebben veel geestelijk verzorgers nog een religieuze of humanistische missie en zijn in die zin vertegenwoordigers van een levensbeschouwelijke traditie of waardengemeenschap; aan de andere kant zijn het zorgprofessionals, die net als andere professionals bijdragen aan de holistische zorg voor patiënten, maar dan specifiek op het spirituele vlak.

Door de secularisatie en pluralisering van de Nederlandse samenleving schuiven de religieuze of humanistische opvattingen en waarden van geestelijk verzorgers naar de achtergrond, omdat zij alle mensen moeten kunnen dienen, zowel atheïsten als mensen met uiteenlopende religieuze en spirituele overtuigingen. De eigen levensbeschouwing wordt in deze visie tot een hoogstpersoonlijke aangelegenheid, die de professionaliteit in de weg kan staan. De vraag is of deze verschuiving het vak – en de samenleving – ten goede komt.

Deze drie beroepsmatige uitdagingen, samen met het veranderende levensbeschouwelijke landschap in Nederland, vragen om een kritische heroverweging van de opleiding tot humanistisch geestelijke verzorging. Ik zal eerst de masteropleiding Humanistiek beschrijven en vervolgens de implicaties bespreken voor het opleiden van humanistisch geestelijk verzorgers aan de UvH.

De masteropleiding Humanistiek

De visie van de universiteit is het opleiden van geestelijk verzorgers die op individueel of groepsniveau professionele begeleiding en hulp kunnen bieden bij vragen over zingeving en levensbeschouwing en die een humaan klimaat kunnen bevorderen binnen organisaties en in de samenleving als geheel.

Het humanisme wordt dan ook niet alleen gezien als een levensbeschouwing, maar tevens als een sociaal-politieke beweging met een opdracht om de samenleving te ontwikkelen en hardnekkige problemen te benaderen vanuit humanistische waarden als vrijheid, verantwoordelijkheid, waardigheid en de kracht van diversiteit. Het onderwijs aan de Universiteit voor Humanistiek is daarbij nadrukkelijk geïnspireerd door diverse humanistische tradities, waarbij studenten ook kennis ontwikkelen rondom andere levensbeschouwingen en actuele vraagstukken op dit vlak.

Om humanistisch geestelijk verzorger te worden, moet men zich inschrijven voor de masteropleiding. Het betreft een driejarige ‘brede’ voltijdopleiding die opleidt tot humanisticus (in brede zin) en – met aanvullend benoeming door het Humanistisch Verbond – tot het ambt van humanistisch geestelijk verzorger. Zij heeft tot doel wetenschappelijke kennis en professionele vaardigheden te ontwikkelen op vijf verschillende gebieden, gemarkeerd als leerlijnen binnen het curriculum, die allen bijdragen aan het vak van geestelijke verzorging. Het betreft de volgende lijnen: humanisme, begeleiding, educatie, organisatie & beleid, onderzoek.

De masteropleiding is georganiseerd rond vijf eindtermen, waarop ik hieronder nader inga.

1. Kennis en inzicht met betrekking tot relevante perspectieven op zingeving en humanisering vanuit historisch, filosofisch en sociaalwetenschappelijk perspectief, en met betrekking tot humanistisch geestelijke verzorging, democratisch burgerschap en onderwijs.

2. Kennis en inzicht kunnen toepassen in beroepspraktijken en onderzoek relevant voor de Humanistiek; en in (internationale) politieke en maatschappelijke ontwikkelingen en diversiteitsvraagstukken op het gebied van zingeving en humanisering.

3. Kritisch kunnen analyseren en oordelen over mogelijkheden en beperkingen, gebaseerd op relevante wetenschappelijke kennis, kritische (zelf )reflectie en een duurzame dialoog met anderen, ingebed in de wetenschappelijke en maatschappelijke context.

4. Communicatieve (en professionele) vaardigheden, waaronder gespreksen schrijfvaardigheid en het ondersteunen van individuen, groepen of organisaties bij het omgaan met betekenisgevingsen humaniseringsvraagstukken door het gebruik van dialogische en analytische vaardigheden.

5. Levensbeschouwelijke vaardigheden: het vermogen om de eigen levensbeschouwelijke positionering en het eigen waardenkader te articuleren.

Visie op de toekomstige opleiding

De brede master bestrijkt in de eerste plaats de ambtsopleiding van humanistisch geestelijk verzorgers, maar bedient een veel breder veld van humanistische professionals. Historisch gezien was de humanistisch geestelijke verzorging vooral gericht op het ondersteunen van mensen in individuele ontmoetingen en, meer recentelijk, door groepssessies en seculiere rituelen. De huidige ontwikkelingen vragen ook om andere vaardigheden van geestelijk verzorgers, zoals het opleiden van andere professionals, interprofessionele samenwerking, onderzoek doen in de eigen praktijk, ondernemersvaardigheden en vaardigheden om de geestelijke verzorging te vertegenwoordigen in gesprek met belanghebbenden zoals managers, beleidsmakers, zorgverzekeraars en politici. Dit vraagt om een curriculum dat sterk inzet op professionele vaardigheden (onder 4 genoemd) in relatie tot de wetenschappelijke eindtermen (1 t/m 3).

Tegelijkertijd roepen de huidige ontwikkelingen ook een dilemma op, namelijk de vraag in hoeverre de opleiding hierin volgend is of (ook) de ontwikkelingen probeert te sturen? Denk bijvoorbeeld aan de vraag naar ondernemersvaardigheden bij geestelijk verzorgers. Het zichzelf ‘in de markt zetten’ is vaak niet datgene waar geestelijk verzorgers goed in zijn, juist omdat ze voor een vak hebben gekozen waarin ze met mensen en hun trage vragen werken.

Vanuit de opleiding is het dan belangrijk om enerzijds aan te sluiten bij wat nodig is voor de profilering van geestelijk verzorgers, maar dit te doen op een manier dat de eigenheid van het vak voor het voetlicht komt.

Een andere uitdaging voor de master Humanistiek als wetenschappelijke beroepsopleiding betreft de algemene tendens om de ontwikkeling van de levensbeschouwelijke competentie als ‘onwetenschappelijk’ te beschouwen en dus als niet op zijn plek in een universitaire opleiding. Tegelijkertijd benadrukt het Humanistisch Verbond echter juist het belang van het opleiden van humanistisch geestelijk verzorgers vanuit de humanistische levensbeschouwing.

Het is de vraag of hier wel sprake is van een tegenstelling of dat er een opleiding mogelijk is waarin studenten zowel diepgaand worden ingeleid in humanistische – en andere levensbeschouwelijke – perspectieven, als leren zich daartoe kritisch te verhouden.

Mijns inziens is die dubbele laag de inzet van een levensbeschouwelijke universiteit en is dit ook van groot belang in het werk als humanistisch geestelijk verzorger; het gaat immers om de ontwikkeling van het eigen oordeelsvermogen en de weerbaarheid tegen morele druk, ook wel aangeduid als geestelijke weerbaarheid, zoals de grondlegger van de humanistiek Jaap van Praag (1978) benadrukte.

De taak van onze universiteit is dan ook om studenten op te leiden tot levensbeschouwelijk en maatschappelijk geëngageerde professionals (competentie 5) door een kritische houding te stimuleren (competentie 3; zie bijvoorbeeld ook Brookfield 1987; Nixon 2008). In dit geval gaat het dan om de ontwikkeling van een eigen doorleefde houding ten opzichte van humanistische perspectieven en bronnen, alsook het vermogen in dialoog te zijn en blijven met andere levensbeschouwelijke tradities, zoals de islam, feminisme, boeddhisme of groen activisme; en de maatschappelijke ontwikkelingen die zich hieromtrent afspelen.

Het vermogen om kritisch te reflecteren op de eigen waarden en overtuigingen in relatie tot levensbeschouwelijke tradities en om zich te verhouden tot meervoudige overtuigingen heb ik eerder aangeduid als dialogische professionaliteit (Jacobs 2010). Het omvat het vermogen om te gaan met morele onzekerheid, diversiteit en complexiteit, hetgeen in de huidige complexe samenleving in toenemende mate van belang is (Hermans & Hermans-Konopka 2010). Het manifesteert zich ook in de openheid om te luisteren en te observeren, en de flexibiliteit en het potentieel om samen te werken met en te leren van anderen (Jacobs 2010; Edwards 2010), die ook nodig zijn bij interprofessioneel leren en samenwerken.

Dialogische professionaliteit vereist een normatieve competentie die verwant is aan, maar verschilt van, de morele competentie die nodig is om personen te helpen in situaties van ethi-sche dilemma’s. Het doel is niet om vragen te beantwoorden of dilemma’s op te lossen (hoewel dit kan gebeuren), maar om de complexiteit en ambiguïteit van gevoelens, opvattingen, ervaringen, voorwaarden en handelingen die erbij betrokken zijn, te articuleren en hierin te begeleiden. Deze dialogische competentie is een uniek kenmerk van het humanisme en van een geestelijk verzorgingscurriculum waarin op het grensvlak van academische, professionele en levensbeschouwelijke competenties wordt gewerkt.

Ik spreek dan ook liever van een ‘dialogische’ (in plaats van een ‘gespleten’) identiteit van de geestelijke verzorging en stel een opleiding voor waarin de professionaliteit van geestelijk verzorgers niet los staat van, maar de articulatie vormt van de eigen zich voortdurend ontwikkelende (humanistische en andere) overtuigingen en waarden. Deze professionaliteit impliceert een voortdurende kritische dialoog met zichzelf en anderen over wat belangrijk is voor mensen en hun leven, inclusief dat van henzelf (Jacobs 2010). Een dergelijke professionaliteit heeft een voorbeeldfunctie voor de eveneens zoekende cliënt met existentiële vragen. Het maakt geestelijk verzorgers uniek in het ondersteunen bij levensvragen en is een noodzakelijk kenmerk van geestelijke verzorging in een plurale samenleving.

Conclusie

De hedendaagse samenleving kampt met hardnekkige complexe problemen, waarvoor geen kant-en-klare oplossingen zijn. Dit gegeven roept onzekerheid en angst op; denk bijvoorbeeld aan de klimaatproblematiek, het racisme of mensenrechten als grote globale vraagstukken.

Geestelijk verzorgers benaderen dergelijke maatschappelijke vraagstukken door de ‘andere vraag’ te stellen: wie of wat wordt hierin niet gehoord, welke levensvisie of leefwijze komt hier in het gedrang? Ze begeleiden mensen die met levensvragen worstelen die een exponent zijn van die grotere maatschappelijke problemen: jongeren met klimaatangst of keuzestress, gedetineerden die als kansloos getypeerd zijn, mensen met psychiatrische problemen die de ratrace niet bijbenen, ouderen die hun laatste jaren slijten in een verpleeghuis.

Ze lossen daarbij niets op (althans niet doelbewust), ze behandelen geen problemen, maar zoeken met die ander naar wat er ten diepste toe doet in het leven en hoe daarvoor (iets meer) ruimte kan komen. Het afgestemd zijn op de eigen levensvisie en waarden is een meerwaarde in het helpen van de ander om de eigen visie en waarden helder te krijgen of te ontwikkelen – en de kern van geestelijke weerbaarheid.

In de huidige samenleving staat zingeving en ook ‘kracht’ volop in de belangstelling, maar het toebedelen hiervan aan willekeurig welke professional, brengt het gevaar van instrumentalisering van zingeving met zich mee: er wordt een diagnose gesteld en een interventie gedaan om het probleem op te lossen. De huidige tijd vraagt er niet alleen om de dialogische professionaliteit van geestelijk verzorgers meer voor het voetlicht te brengen en deze nog meer te benutten in de interdisciplinaire samenwerking op complexe vraagstukken.

In deze bijdrage heb ik vooral gekeken naar de kwesties waar humanistisch geestelijk verzorgers en bijgevolg ook de opleiding mee te maken hebben, binnen de context van de levensbeschouwelijke ontwikkelingen in de samenleving en de professionaliseringstendens in de gezondheidszorg. De culturele en maatschappelijke veranderingen hebben echter ook gevolgen voor andere werkvelden en denominaties en de consequenties voor het opleiden, die ik hier naar voren heb gebracht, kunnen een bredere relevantie hebben, te beginnen bij de dialoog tussen de opleidingen voor geestelijke verzorging omtrent hun maatschappelijke opdracht.

Gaby Jacobs is hoogleraar Geestelijke Verzorging aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

Literatuur

Brookfield, S. (1987). Developing Critical Thinkers. Challenging Adults to Explore Alternative Ways of Thinking and Acting. Buckingham: Open University Press.

Cadge, W., Fitchett, G., Haythorn, T., Palmer, P.K., Rambo, S., Clevenger, C. & Stroud, I.E. (2019). Training Healthcare Chaplains: Yesterday, Today and Tomorrow. Journal of Pastoral Care & Counseling 73(4): 211-221. https://doi.org/10.1177/1542305019875819

Cliteur, P. & Houten, D. van (eds) (1993). Humanisme. Theorie en praktijk. Utrecht: De Tijdstroom.

Cobb, M. (2007. Change and Challenge: The Dynamic of Chaplaincy. Scottish Journal of Healthcare Chaplaincy 10(1): 4-10.

Damen, A., Schuhmann, C., Leget, C. & Fitchett, G. (2019). Can Outcome Research Respect the Integrity of Chaplaincy? A Review of Outcome Studies. Journal of Health Care Chaplaincy 26(4): 131-158. https://doi.org/10.1080/08854726.2019.1599258

Derkx, P. (2015). The Future of Humanism. In: A. Copson & A.C. Grayling (eds), The Wiley Blackwell Handbook of Humanism, 426-439. Chichester: John Wiley & Sons.

Edwards, A. (2010). Being an Expert Professional Practitioner. The Relational Turn in Expertise. New York: Springer.

Fitchett, G. (2017). Recent Progress in Chaplaincy-Related Research. Journal of Pastoral Care and Counseling 71(3): 163-175. https://doi.org/10.1177/1542305017724811

Heelas, P. & Woodhead, L. (2005). The Spiritual Revolution: Why Religion is Giving Way to Spirituality. Oxford: Blackwell.

Hermans, H. & Hermans-Konopka, A. (2010). Dialogical Self Theory. Positioning and Counter-Positioning in a Globalizing Society. Cambridge: Polity Press.

Jacobs, G. (2010). Professionele waarden in kritische dialoog. Omgaan met onzekerheid in educatieve praktijken. Tilburg: Fontys Hogescholen.

Kelly, E. (2012). The Development of Healthcare Chaplaincy. The Expository Times 123(10): 469-478. https://doi.org/10.1177/0014524612444531

Nixon, J. (2008). Towards the Virtuous University: The Moral Bases of Academic Professionalism. New York: Routledge.

Praag, J.P. van (1946). Modern humanisme, een renaissance? Amsterdam: Contact.

Praag, J.P. van (1978). Grondslagen van humanisme. Amsterdam: Boom.

Swift, C. (2004). How Should Health Care Chaplaincy Negotiate its Professional Identity? Contact 144(1): 4-13.

Swinton, J. (2003). A Question of Identity: What Does it Mean for Chaplains to Become Healthcare Professionals? Scottish Journal of Healthcare Chaplaincy 6(2): 2-8.

Taylor, C. (1989). Sources of the Self: The Making of Modern Identity. Cambridge: Harvard University Press.

Taylor, C. (2007). A Secular Age. Boston: Harvard University Press.

VGVZ (2015). Beroepsstandaard Geestelijk Verzorger. Zoetermeer: VGVZ. Available at: https://vgvz.nl/wp-content/uploads/2018/07/Beroepsstandaard-2015.pdf

Vries, R. de, Berlinger, N. & Cadge, W. (2008). Lost in Translation: Sociological Observations and Reflections on the Practice of Health Care Chaplaincy. Hastings Center Report, 38(6): 23-27.

Zock, H. (2008). The Split Professional Identity of the Chaplain as a Spiritual Caregiver in Contemporary Dutch Health Care: Are there Implications for the United States? Journal of Pastoral Care & Counseling 62(1-2): 137-139.

< Terug