< Terug

Oproep tot verantwoording

Alternatief bij 3e zondag van Advent (Micha 6:1-8)

Na de heilsprofetie in Micha 4 van vorige week komt de perikoop van deze zondag als een koude douche. De tekst met zijn uitroepen en vragen ademt eerder de crisissfeer tijdens de veertig dagen opgang naar Pasen dan de verwachtingsvolle vreugde van de opgang naar Kerstmis. Of liggen die twee dichter bij elkaar dan we denken?

De tekst zet in met een oproep in de tweede persoon meervoud, maar wat moeten we ons voorstellen bij ‘bergen’, ‘oersterken’ en ‘grondvesten der aarde’ die worden aangesproken (Micha 6:1-2)? Die vraag blijkt niet zo gemakkelijk te beantwoorden. In het voorgaande kwam zo’n oproep in het meervoud vaker voor, maar niet gericht aan deze doelgroepen. De eerste oproep, aan het begin van het boekje (Micha 1:2), lijkt op die in Micha 6:1-2 en roept de hele aarde op: ‘Hoort, volkeren, allemaal! Merk op, aarde en wat haar vult! JHWH God zij tot getuige tegen jullie, JHWH, vanuit zijn heilige tempel!’ In Micha 3:1 en Micha 3:9 wordt de oproep toegespitst: ‘Hoort toch, hoofden (van het huis) van Jakob!’ Deze laatsten zijn het die met hun onrecht onschuldig bloed in de heilige stad vergieten. Dat heeft de toorn van JHWH God opgeroepen en daarom gaat Hij met zijn volk een rechtszaak aan (vgl. Jesaja 3:13 en Jeremia 2:9), waarbij de hele wereld tot getuige geroepen wordt.

Rechtszaak

Het verloop van de rechtszaak die JHWH met zijn volk voert, krijgt bij Micha een mooie structuur. Na het oproepen van getuigen (Micha 6:1-2) volgt de aanklacht in de vorm van een enkele vraag: Waarin ben Ik tekortgeschoten? (Micha 6:3) Er wordt gerefereerd aan de heilsgeschiedenis, toen JHWH het volk uit Egypte leidde, tot bij Gilgal in het land Kanaän het verbond gesloten werd (Micha 6:4-6). Daarna (Micha 6:6-7) volgen vier vragen, waarmee de aangeklaagde in de ik-vorm een verweer in de mond gelegd krijgt: Moet ik meer en grotere offers brengen? Ten slotte wordt als het ware een vonnis geveld in de vorm van bescheiden eisen die JHWH van zijn verbondspartner verwacht: recht doen, trouw liefhebben en bescheiden wandelen met God (Micha 6:8). In deze structuur staat de herinnering aan de heilsgeschiedenis centraal, omlijst door de ene vraag van JHWH en de vier vragen van de aangeklaagde. Net zoals in joodse en christelijke tafelgebeden is het ophalen van gebeurtenissen uit het verleden niet bedoeld als herinnering aan wat er glorieus in het verleden gebeurd is, maar om de ervaring van de bevrijding in het heden gestalte te geven, om daarmee deel te krijgen aan de gemeenschappelijke toekomst. Wat Micha uit Israëls geschiedenis aanhaalt, zijn dan ook de kernmomenten van heil: verlossing uit de slavernij van Egypte onder leiding van Mozes, Aäron en Mirjam, de omkering van vloek in zegen in de geschiedenis van Bileam (Numeri 22-24) en de intocht in het land Kanaän en de sluiting van het verbond in Gilgal onder Jozua (Jozua 3:1-4:19). Samengevat: JHWH redt zijn volk uit slavernij, Hij voert het naar het land van belofte en keert onderweg vloek om in zegen. Kan zó niet ook de vloek waaraan het volk zichzelf ten tijde van Micha heeft uitgeleverd door onrechtvaardigheid te doen en onrecht te laten voortbestaan, omgekeerd worden tot zegen? Zo ja, hoe dan?

‘Beklag van God’

De woorden uit Micha 6:3-4 zijn beladen omdat ze als het ‘beklag van God’ in de christelijke liturgie van Goede Vrijdag een plaats hebben gekregen. Ze zijn berucht omdat ze in anti-joodse zin gelezen kunnen worden, hetgeen in het verleden ook gebeurde. Ze zouden niet zoals bij Micha JHWH’s woorden zijn die zijn volk verwijten maakt, maar die van Jezus Christus die zijn volksgenoten bovendien verwijt dat ze Hem aan het kruis gehangen hebben, gal en azijn te drinken gaven enzovoort. Wie deze woorden zo hoort, doet daaraan geen recht en mist de strekking van Micha’s profetie. Zoals JHWH’s verkiezing van zijn volk Israël de verlossing van alle volkeren op het oog heeft (vgl. 4,1-5), zo staat ook zijn oordeel over zijn volk model voor zijn oordeel over alle volkeren, en weerspiegelt zich in de redding van zijn volk de uiteindelijke redding van alle volkeren. Minder staat er in dit dramatische gebeuren van de rechtszaak van JHWH met zijn volk niet op het spel. Het verwijt van JHWH aan zijn volk en het verwijt van Jezus aan degenen die Hem ter dood brachten, is het verwijt aan de volkeren van alle tijden en plaatsen – inclusief de lezer anno 2019 – en tegelijk een oproep om zich te bekeren.

Kans op bekering

De wonderlijke en tegelijk bevrijdende strekking van de metafoor van de rechtszaak is dat JHWH zijn volk serieus neemt en als partner in het verbond aanspreekt. Het verwijtende woord van de aanklacht vraagt om het wederwoord van de aangeklaagde – en dat is niets anders dan de kans op bekering. Onheilsprofetieën over het oordeel van JHWH zijn in de Bijbel – als ze uitgekomen zijn – terugblikkend misschien een verklaring voor wat er gebeurd is of wie daar schuld aan had. Maar ze kunnen ook gelezen worden als oproep om het uitkomen van het onheil juist te voorkomen. Zoals mijn leraar zei: ‘Profetieën moeten niet úitkomen, maar áánkomen, zodat het volk zich bekeert.’

De rechtszaak tussen JHWH en zijn volk eindigt dan ook met een vraag die eenvoudig lijkt, maar vérstrekkende gevolgen heeft voor de toekomst van niet alleen de aangesproken ‘mens’, maar in hem/haar van alle volkeren en de hele wereld: ‘Er is je aangezegd, o mens, wat goed is. En wat vraagt JHWH anders van je dan recht te doen, trouw lief te hebben en bescheiden te gaan met je God?’ (Micha 6:8). Aan de lezer om het antwoord te geven op deze drievoudige handreiking van God zelf en zich aldus voor te bereiden op zowel Kerstmis als Pasen.

Deze exegese is opgesteld door Dick Schoon.

< Terug