< Terug

Opvolgers met dubbele geestkracht nodig

Bij 2 Koningen 2,1-15(18), Handelingen 1,1-11 en Marcus 16,14-20

In de Talmoed wordt verhaald dat Sjimon ben Jochai twaalf jaar met zijn zoon in een grot school uit vrees voor de Romeinse autoriteiten. Zij studeerden Tora en baden de hele tijd. Na twaalf jaar stierf de keizer. Elia werd gestuurd om aan te kondigen dat zij de grot konden verlaten. Maar hun sterke ‘heilige’ krachten vernietigden alles waar hun blik op viel. Waarop zij voor twaalf maanden terug moesten naar de grot om hun krachten te leren beheersen en om barmhartigheid te leren (Talmoed Bavli, Sjabbat 33b).

In 2 Koningen 2,1 vermoordt Elia twee keer militairen met vuur. Hij vreest deze overmacht en degene die zij vertegenwoordigen (2 Koningen 1,15). In zijn angst zet hij zijn ‘vurige’ krachten vrij. Afgesloten van de buitenwereld kun je krachten en meningen ontwikkelen waarbij anderen geen stand kunnen houden. Elia, de gepassioneerde strijder voor God, kan ook aan het einde van zijn leven zijn krachten niet beheersen waar het hemzelf betreft. Misschien vond God het daarom beter om hem bij zich te halen en volgt de opstijging op dat verhaal.

Hoofdstuk twee begint met de aankondiging van Elia’s opstijging. Ingebed tussen de aankondiging en de opstijging ligt het grote initiatieverhaal van Elisa. Over Elisa horen we dat hij in dienst van Elia staat (1 Koningen 19,21). Hoe deze dienst of zijn contact met God eruitzag, weten we niet.

Van Gilgal via Betel naar Jericho

Elia en Elisa gaan op weg, weg uit Gilgal, de plaats waar het volk toen zij het land binnenkwamen het eerste Pesachfeest vierde, het feest van de overgang van slavernij naar vrijheid. Buber vertaalt Gilgal met Ringwall. Dat roept het beeld op van een beschermde omheining die zij verlaten op weg naar deze ingrijpende gebeurtenis. Het is voor allebei de eerste stap naar elkaar loslaten. Deze stap is een ‘afdalen’ (Hebr.: jarad – 2 Koningen 2,2), curieus genoeg naar Betel, terwijl Betel in het bergland van Juda ligt. Daar droomde Jakob ooit over de ladder met afdalende en opstijgende engelen (Genesis 28,10-19). Voor hem werd het de plaats waar God heel dichtbij en voelbaar was en hij noemde die bet-’el, huis van God. Later, in de tijd van de Rechteren, stond hier de ark van het verbond. De mensen waren gewoon ernaartoe te gaan voor de nabijheid van God. Elisa verlaat de Ringwall en komt in contact met God. Misschien moet hij afdalen van het ‘hoge’ geloofsniveau dat hij bij Elia ziet en zijn eigen geloofsniveau vinden.

Over de Jordaan: getweeën

Het tweede station op de reis is Jericho, de plek van het eerste gewapende conflict in het land. De kinderen Israëls werd aanvankelijk niet gevraagd om hun wapens te gebruiken, maar om hele dagen om de stad heen te lopen. Zij moesten maar geloven dat God de aangekondigde overwinning zou realiseren. Zij leerden te vertrouwen met hun lijf door stap voor stap te zetten (Jozua 6,2-4). Net als bij de Israëlieten moet Elisa’s vertrouwen op God in hemzelf groeien, onafhankelijk van Elia.

Bij de Jordaan gebeurt het. Zij gaan allebei erdoorheen. Op deze laatste weg ontstaat in plaats van afstand een grote intimiteit (2 Koningen 2,6-7): zij ‘gaan getweeën’ (Hebr.: halakh sjeneehem), zij ‘staan getweeën’ (Hebr.: ‘amad sjeneehem). Elisa gaat en staat nu op gelijke voet met Elia.

Elia luidt ieder station op deze reis met dezelfde opmerking in. Elisa krijgt keer op keer de mogelijkheid om ‘te blijven zitten’ en uit het proces te stappen. Maar Elisa wil niet, sterker, hij zweert iedere keer dat hij Elia niet alleen wil laten. Voor Elisa is het een toets, zoals de vragen van Naomi een toets voor Ruth waren, om duidelijk te krijgen dat hij weet wat hij doet. Nog een laatste toets: Elisa kan de gevraagde dubbele krachten van Elia alleen ontvangen als hij de definitieve scheiding ‘ziet’. Hij moet weten dat zijn steun nu definitief weg is. Doordat Elia opgenomen wordt in de hemel kan hij opmerkelijk genoeg bij Maleachi (2,23-24) en later in de rabbijnse traditie weer terugkomen en tot verkondiger, helper en redder van mensen in nood worden (zie hierboven).

Toekomst na Jezus’ dood en verrijzenis

Er zijn profetenjongeren die van verre staan te kijken en zij zien niets. Voor hen gaat het gezag over op Elisa wanneer hij de mantel oppakt en daarmee het wonder van de scheiding van het water teweegbrengt, zoals Elia eerder deed. Deze groepen profetenjongeren waren hun uit de steden tegemoetgekomen. Zij richten zich alléén op Elisa en laten hem later niet alleen (bijv. 2 Koningen 2,15vv.; 2 Koningen 4,1vv.; 2 Koningen 4,38vv.; 2 Koningen 6,1). In tegenstelling tot de eenling Elia, die nog aan het einde van zijn leven moeite had zijn krachten te beheersen waar het hemzelf betrof, maakt Elisa deze fout aan het begin (2 Koningen 2,23vv.) en kan hij in de omgang met anderen leren zijn krachten te beheersen.

Zoals Elia blijft voortleven, doorloopt Jezus na zijn dood in de jonge gemeente een gedaanteverandering en blijft leven. In het Marcusevangelie hebben de discipelen Jezus zo radicaal losgelaten dat zij niet eens meer geloofden dat na de definitieve scheiding een toekomst mogelijk zou zijn. Voor hun gebrek aan vertrouwen worden zij berispt. Pas in Handelingen (1,6) komt de vraag naar de toekomst op en worden zij van het staren naar het verleden teruggehaald naar het heden.

De vraag van Elisa om een dubbele portie krachten (2 Koningen 2,9) en de toezegging van Jezus dat ‘zij krachten op zullen nemen van de Heilige Geest’ (Handelingen 1,8) laat zien dat opvolgers van grootse mensen altijd problemen hebben met de voetstappen waarin zij moeten treden. Maar de geschiedenis met God kan alleen doorgaan als er ‘opvolgers’ zijn die de moed hebben om in voetstappen te treden.

< Terug