< Terug

Over het geven van aalmoezen, vasten en bidden

Bij Amos 5,6-15, 2 Korintiërs 5,20-6,10 en Matteüs 6,1-6.16-21

De lezing uit Matteüs 6 vormt een goed uitgangspunt voor een reflectie op Aswoensdag. En voor wie dat wil, zijn er van daar uit relatief gemakkelijk verbindingen te leggen met de lezingen uit 2 Korintiërs en Amos 5. Aswoensdag luidt het begin in van een tijd van reflectie op wat essentieel is voor onze geloofspraktijk, wat onze relatie met God ten goede komt en wat ons daarbij hinderen kan. Het evangelie roept op tot een zuivere, op God gerichte geloofspraktijk. In de brief aan de Korintiërs horen we hoe die geloofspraktijk in Paulus’ werk gestalte krijgt en gedreven wordt door de liefde van Christus, terwijl Amos beschrijft wat het resultaat is van een gebrek aan gerechtigheid en ware vroomheid.

Het gedeelte uit Matteüs kent geen directe parallellen in de andere evangeliën. Het is ingevoegd in het derde deel van de Bergrede, waarschijnlijk als toevoeging aan de antithesen uit het voorgaande hoofdstuk.

Niet om gezien te worden

De evangelietekst is strak gestructureerd. Hij begint met een algemene, principiële uitspraak over het doen van gerechtigheid: wie gerechtigheid doet om gezien te worden, verliest zijn loon bij de Vader. Dit principe wordt vervolgens toegepast op drie uitingen van vroomheid: het geven van aalmoezen, het bidden en het vasten. Drie belangrijke religieuze plichten uit de joodse geloofspraktijk in Jezus’ dagen. Het evangelie levert geen kritiek op de uitoefening van deze plichten op zich; ze worden gepresenteerd als vanzelfsprekend deel van de geloofs praktijk. Het gaat om de intentie achter de handelingen, niet om de handelingen op zich. Geloofspraktijk die zich richt op erkenning door de gemeenschap heeft van God niets meer nodig, zegt de tekst. Wie ware rechtvaardigheid nastreeft, is naar iets anders op zoek, een ander loon dan publieke erkenning en eerbetoon.

Afhankelijkheid

Alle drie praktijken, elk op hun eigen manier, zijn gerelateerd aan het thema afhankelijkheid. Vooral op Aswoensdag is dat een thema dat het verkennen waard is.

Aalmoezen geven is in het jodendom een religieuze plicht en geen teken van vrijgevigheid of een manier om status te verwerven. In de Romeinse wereld hielp vrijgevigheid de hiërarchische structuur van de maatschappij in stand te houden door de ontvanger aan de gever te verplichten. In het jodendom is het delen van eigen overvloed met de arme, de vreemdeling, de wees en de weduwe een van God gegeven opdracht om rechtvaardigheid gestalte te geven en te bouwen aan een wereld naar Gods hart. Het is een praktijk die de gever eraan herinnert, dat elke jood ooit als zwerver begonnen is en alleen door Gods ingrijpen niet langer slaaf is in Egypte, maar vrij mens in een nieuw land. In de joodse traditie herinnert de religieuze verplichting om aalmoezen te geven eraan dat rijkdom een van God gegeven, allesbehalve vanzelfsprekende gave is.

Ook vasten brengt die afhankelijkheid van Gods goede gaven in herinnering. In het Israël van Jezus’ dagen werd collectief gevast op Grote Verzoendag, ten tijde van rampspoed en oorlog, en individueel om boete te doen of als uiting van nederigheid en afhankelijkheid van God. Het vroege christendom voegt daar het vasten als het oefenen van zelfdiscipline aan toe. Vasten wordt dan een uiting van vroomheid, die vorm geeft aan het verlangen om de verslavende, afhankelijk makende invloeden van de wereld de baas te blijven en zich alleen aan God te wijden; het wordt vooral beoefend als voorbereiding op de grote feesten of belangrijke gebeurtenissen in de kerkelijke kalender.

Ook bidden past in dit patroon. Wie bidt, erkent en betuigt afhankelijkheid van God en toont een levensgerichtheid die er niet op uit is eer en aanzien te oogsten in de wereld, maar die zich wil richten op God en uit die afhankelijkheid wil leven.

Tegenstrijdig?

De opdracht aan de discipelen in Matteüs 5,14 om licht te zijn in de wereld, een stad op een berg, kan in dit verband vragen oproepen. Echter, wie zich realiseert dat de eerste uitspraak gericht is tot de discipelen als groep (tweede persoon meervoud), terwijl de vermaningen in het tweede gedeelte tot het individu zijn gericht (tweede persoon enkelvoud), ziet dat er geen sprake is van tegenspraak. Geloofspraktijk, het beoefenen van rechtvaardigheid, moet gezien worden in de wereld, maar niet als een kans voor het individu om zich te onderscheiden, maar als een opdracht voor de gemeenschap die in Jezus’ voetsporen wil treden om een lichtende stad op een berg te zijn, in woord en daad.

In Christus

Paulus worstelt in zijn brief aan de Korintiërs met soortgelijke kwesties. Hij beveelt zijn werk en persoon aan als uitsluitend gedreven door de liefde van (of is het voor?) Christus (2 Kor. 5,14), en niet door een verlangen om roem of eer te vergaren, zoals sommige anderen in zijn ogen kennelijk wel hebben gedaan. Net als in het evangelie stuiten we ook hier op de tegenstelling innerlijk versus uiterlijk, op erkenning door God of erkenning door mensen. Paulus’ argument is simpel: In Christus – een nieuwe schepping. Wie in Christus is (zoals Paulus), is deel van een nieuwe schepping, een nieuwe orde, waar de oude regels van de oude wereldorde niet meer gelden. Uiterlijkheden zijn niet langer belangrijk; succes, roem, het doet er allemaal niet meer toe. Gedreven door de liefde van Christus staat de nieuwe schepping in een nieuwe relatie met God en heeft niets anders meer nodig.

Wie in Christus deel krijgt aan de nieuwe schepping, stelt zijn prioriteiten anders. Vroomheid, het doen van rechtvaardigheid, religieuze plichten zoals vasten, bidden en het uitdelen van aalmoezen worden beoefend vanuit een oprecht verlangen om vorm te geven aan de nieuwe, rechte verhouding met God waarin men is komen te staan, en om die te verdiepen, in dankbaarheid en de erkenning afhankelijk te zijn van Gods genade.

< Terug