< Terug

Paaswake: leven in Christus ervaren

Bij Genesis 1,1-2,3, Genesis 22,1-18, Exodus 14,15-15,1a, Exodus 15,1b-3, Jesaja 54,4-14, Jesaja 55,1-11, Jesaja 12,1-6, Ezechiël 36,24-28, Sefanja 3,12-20, Romeinen 6,3-4, Kolossenzen 3,1-4 en Marcus 16,1-8

Wanneer het Nieuwe Testament over de verlossing door Christus en het begin van een nieuw leven als gedoopte christen spreekt, doelen de teksten op eenmalige gebeurtenissen. Maar bij wie is zijn bevrijding, verlossing en het nieuwe leven zo diep in het bewustzijn gegrift dat dit elke dag bepaalt hoe hij het leven ervaart? De Paaswake maakt deze realiteiten weer ervaarbaar. Als een soort metaforische heropvoering van het Paasmysterie geeft deze nacht de gelovige in de lezingen wisselende identiteiten die hem doen doorleven wat hij in Christus heeft meegemaakt.

Hij is Isaak, die net nog aan de dood ontsnapt (Genesis 22); hij is Israël, dat bevrijd wordt uit Egypte (Exodus 14-15); hij is de vrouw die ondanks haar ontrouw uiteindelijk toch niet door haar man wordt verstoten (Jesaja 54); hij is de inkoper die eindelijk drankjes aangeboden krijgt die zijn dorst ook daadwerkelijk lessen (Jesaja 55). God zelf kruipt als het ware in wisselende rollen, wordt degene die de dreigende dood afwendt, machtige gids en beschermer op weg naar de vrijheid, de echtgenoot die zijn liefde niet kan verzaken en de drankverkoper die je waar geeft, niet vóór, maar zónder je geld. En toch blijft Hij in al deze rollen dezelfde, altijd gedreven door liefde en zorg en altijd vervuld van de wens dat het goed met je afloopt. Israël mag weer in het land wonen dat God aan zijn voorouders had gegeven (Ezechiël 36,28) en met eigen ogen zien hoe God zijn lot ten goede keert (Sefanja 3,20).

Van dood naar leven

Pasen is geen kleine ingreep aan een lichaam dat, al met al, een vrij goede gezondheid geniet, noch het puzzelstukje dat nog ontbrak om mijn leven compleet te maken. De metaforiek van Pasen is veel ingrijpender. Het was niet duidelijk dat er ooit een einde zou komen aan de gevangenschap in Egypte (Exodus 14), noch dat Israël, verstrooid onder de ‘volkeren’, weer bijeen zou komen en terugkeren uit Babylon (Ezechiël 36). De verstoten vrouw had geen uitzicht op een sociaal en financieel veilig leven, ze kon niet hopen dat haar man haar terug zou nemen (Jesaja 54). Isaak wist niet dat op het laatste moment God zelf in een ander offer zou voorzien (Genesis 22). De beweging van het donker naar het licht die de Paaswake kenmerkt, heeft als vertrekpunt niet een gewone nacht waarna je sowieso een nieuwe dag mag verwachten. De beweging gaat van dood naar leven, van een hopeloze situatie naar de uitbundige jubel van Sefanja 3.

Alles wordt nieuw

Telkens weer onderstrepen de lezingen de breuk met of het einde van de eerdere situatie. Het oude is voorbij, alles wordt nieuw. Het nieuwe verbond met David zal eeuwig duren (Jesaja 55,3); de in ere herstelde vrouw mag zeker zijn van een lief- de die haar niet meer ontnomen wordt (Jesaja 54,8.10). De gelovige zelf wordt nieuw in zijn gedrag. Hij wordt gereinigd van wat hij in het vreemde land heeft meegemaakt (Ezechiël 36,25); hij krijgt een nieuw hart in plaats van zijn oude hart van steen (Ezechiël 36,26). Met de Geest van God gaat hij anders leven (Ezechiël 36,27): de goddeloze kan zijn slechte weg verlaten en de onrechtvaardige zijn snode plannen herzien (Jesaja 55,7). De nieuwtestamentische teksten stemmen hiermee in. De gedoopte is met Jezus begraven om, met Jezus herrezen, een vernieuwd leven te leven (Romeinen 6,4).

Verborgen realiteit

‘In de Paasnachtdienst gaat het niet om een reflectie óp Pasen, maar bij uitstek om de ervaring ván het Paasmysterie zelf,’ schreef Matthijs de Vries heel treffend twee jaar geleden over de Paaswake (De Eerste Dag 2016-2, 52). Er zijn dan ook weinig vermanende of aansporende tekstpassages. Want aansporing doet een beroep op je reflectie. Een van de weinige uitzonderingen is de Kolossenzenlezing. Tweemaal klinkt de aansporing om zich te richten naar wat ‘boven’ is. En nog een tweede element doorbreekt het vieren en jubelen. De schrijver is zich ervan bewust dat het verlost zijn niet altijd met handen te grijpen is. Niet altijd zingen en jubelen mensen over de herrijzenis zoals in de Paasnacht. Hun leven, hun opstanding is een verborgen realiteit en zal pas zichtbaar worden wanneer Christus verschijnt. Het is goed dat ook deze tekst in de Paasnacht wordt gelezen. Voor al degenen die niet zonder meer luidkeels kunnen instemmen met de jubel van Pasen omdat zij zich er maar al te goed van bewust zijn dat het nieuwe leven lang niet altijd zichtbaar is.

Open einde

Aan het einde van de lezingen is de bezoeker van de Paaswake een van de vrouwen die ’s ochtends met hun zalfpotjes naar Jezus’ graf gaan. Van een jongeling begrijpen zij dat Jezus is opgestaan en dat ze Hem in Galilea zullen zien. Galilea. Voor de vrouwen is dit de plek waar Jezus in hun leven kwam. Zij moeten terug daarheen waar zij het leven met Jezus hebben gedeeld; daar zal Hij zich als de Levende laten zien. Ook de bezoeker van de Paaswake wordt naar het begin verwezen, naar het moment waarop Jezus in zijn leven kwam, naar zijn doop, het nieuwe leven in Christus, naar de weg die Jezus met hem is gegaan. Toch is de weg naar Galilea niet alleen een weg terug naar het verleden. Voor de vrouwen – net als voor de gelovige – is het ook een weg naar de toekomst. De vrouwen trekken nu niet meer met Jezus op zoals vroeger; ze moeten het zonder de lichamelijke aanwezigheid van Jezus doen. Maar in deze nieuwe situatie zal Jezus zich als de Levende laten zien. Nu, na Pasen.

Bij Genesis 1:1-2,3, Genesis 22:1-18, Exodus 14:15-15,1a, Exodus 15:1b-3, Jesaja 54:4-14, Jesaja 55:1-11, Jesaja 12:1-6, Ezechiël 36:24-28, Sefanja 3:12-20, Romeinen 6:3-4, Kolossenzen 3:1-4 en Marcus 16:1-8

< Terug