< Terug

Pas op, schokkende beelden!

Soms word je gewaarschuwd op het internet: ‘De volgende beelden kunnen als schokkend worden ervaren’. Soms is er geen waarschuwing en zit je voor je het weet via een nieuws-site te kijken naar een groepsverkrachting die als livestream op Facebook te volgen is geweest. In de Bijbel staan passages die ook wel een waarschuwing hadden kunnen gebruiken voor de (hedendaagse) lezer: ‘Pas op, expliciet taalgebruik’.

Willien van Wieringen is neerlandicus en theoloog. Zij is werkzaam als docent Oude Testament en Hebreeuws aan de Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing in Utrecht.

Ezechiël 16 en 23

Zo kan een tekst als Ezechiël 16 of 23 behoorlijk ongemak oproepen. Expliciet wordt verteld wat een vrouw doet, wat ze laat doen, hoe ze haar lichaam laat gebruiken door (vele) mannen. En hoe JHWH hierop reageert. De teksten zijn beeldend, en de beelden worden onstuitbaar opgeroepen voor het geestesoog. Dergelijke inhoud wil je niet in een heilig boek. En je hoopt wellicht dat je ze nooit vanaf de ambo of kansel hoeft voor te lezen. Of erover hoeft te preken.

De inhoud

In Ezechiël 16 en 23 is sprake van een vrouw die ontrouw is. Ze biedt zich aan en laat zich nemen door verschillende mannen. Haar gedrag wordt beschreven door degene die zich bedrogen voelt. Hij laat zich niet onbetuigd en reageert op de wandaden van de vrouw op een niet mis te verstane wijze.

Beide teksten komen overeen in de beschrijving van de ontrouwe vrouw, haar daden en de reactie. In feite zijn er drie (en geen twee) overeenkomende teksten. Elk van deze teksten gaat over een vrouw die symbool staat voor een groep mensen, een volk, een stad. In Ezechiël 16 staat de vrouw voor Jeruzalem, in Ezechiël 23,1-10 is de vrouw met de naam Ohola Samaria en in 23,11-49 geeft Oholiba Jeruzalem weer (zoals de tekst zelf aangeeft in 23,4). In feite is er sprake van drie vergelijkbare beschrijvingen. Voor het gemak zal vanaf nu naar de tekst over Ohola verwezen worden met 23A en die over Oholiba met 23B. De drie fragmenten gebruiken de overspelige vrouw als metafoor voor steden. Omdat die ene metafoor in drie versies voorkomt, lijkt het erop dat hier sprake is van een cliché met vaste topoi (retorische elementen), dat wordt ingevuld op drie verschillende manieren. We zullen de teksten langslopen.

Het oordeel over Ohola en Oholiba

(Ezechiël 23,36-45 – Nieuwe Bijbelvertaling)

Ezechiël moet het oordeel vellen, maar halverwege de instructie windt God zich zo op dat hij zelf Ohola en Oholiba toespreekt.

De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga een oordeel vellen over Ohola en Oholiba! Laat hen beseffen welke gruweldaden ze hebben begaan. Ze hebben overspel gepleegd en er kleeft bloed aan hun handen. Ze pleegden overspel met hun afgoden, ze hebben zelfs de kinderen die ze mij hadden gebaard, als voedsel aan hen aangeboden. Ze hebben daarmee mijn heiligdom verontreinigd, en ze hebben de sabbat niet in ere gehouden. Op de dag dat ze hun kinderen slachtten voor hun afgoden, zijn ze mijn heiligdom binnengegaan en hebben het ontwijd. Zo hebben ze zich gedragen, midden in mijn tempel. Ook hebben ze boden gezonden naar mannen in verre landen. En ze zijn gekomen, de mannen voor wie je je gebaad hebt, voor wie je je ogen hebt opgemaakt en voor wie je je met sieraden hebt behangen. Je bent gaan zitten op een prachtig bed, met een gedekte tafel ervoor waarop mijn wierook en mijn olie stonden. Eromheen was het geluid te horen van een zorgeloze menigte: er waren Sabeeërs uit de woestijn en mannen van allerlei slag; jij en je dochters’ (23,2 zuster kregen armbanden om en een prachtige kroon op het hoofd. En ik dacht over deze door ontucht getekende vrouw: Nu plegen ze overspel met haar, en zij met hen. Ze bezochten haar zoals je een hoer bezoekt – zo gingen ze om met Ohola en ook met Oholiba, schaamteloze vrouwen. Maar rechtvaardige mannen zullen hen vonnissen volgens het recht dat geldt voor echtbreeksters en vrouwen die bloed vergieten, want echtbreeksters zijn het, en er kleeft bloed aan hun handen.’

Metafoor met topoi

Zowel Ezechiël 16 als 23 beginnen met het gegeven dat JHWH spreekt tot de profeet Ezechiël, ze zijn beide daarmee herkenbaar als een godsspraak. Dit gegeven bedt de teksten in en geeft ze een meerlagig interpretatiekader. Het is de interpretatie van JHWH van de gebeurtenissen, doorgegeven via een mannelijke profeet, die wordt gehoord/gelezen door een publiek dat uit vrouwen en mannen bestaat.
JHWH gebruikt een metafoor om zijn interpretatie weer te geven (de keuze van de metafoor is betekenisvol voor de interpretatie die aan de gebeurtenissen wordt gegeven), het gemengd publiek zal op eigen wijze de metafoor ontvangen (hierover later meer).

Elk van deze teksten gaat over een vrouw die symbool staat voor een groep mensen, een volk, een stad

Ezechiël 16 introduceert Jeruzalem als vrouwelijk personage in de tekst. Eerst wordt er naar haar verwezen met de 3e persoon enkelvoud (‘zij’), daarna gaat de spreker over op de 2e persoon enkelvoud (‘jij’). Door het gebruik van de 2e persoon enkelvoud wordt het een tekst waardoor ook de lezer zich kan laten aanspreken, en waardoor de lezer zich kan identificeren met de aangesprokene. Hoewel het van meet af aan duidelijk is dat het om een vrouwelijk personage gaat (‘Je moet Jeruzalem haar gruwelijk gedrag voor de voeten werpen. Dit zegt God, de Heer, tegen haar…’ Ezechiël 16,2-3a), kan in het vervolg door de jij-vorm elke lezer, vrouw en man, zich identificeren met het vrouwelijk personage. Taalkundig gezien staat er niets in de weg. Ezechiël 23A verwijst volledig in de 3e persoon enkelvoud naar Ohola, 23B spreekt Oholiba in de 2e persoon enkelvoud aan. Hier kan de tekst dus dezelfde werking hebben als Ezechiël 16.

Het begin van de beschrijving van Ezechiël 16 geeft de bijzondere, uitverkoren positie van het kwetsbare kind weer. De geboorte heeft plaatsgevonden zonder dat er iemand bij was om de navelstreng door te snijden. Er is geen sprake van een moeder. God kwam voorbij de akker waar het kind in het eigen bloed lag te spartelen, en hij ontfermde zich over de baby. Hij laat haar groeien en bloeien, en als hij weer voorbij komt (blijkbaar was hij niet in de directe omgeving al die tijd), ziet hij dat ze rijp is voor de liefde. Ezechiël 23A spreekt over jonge vrouwen, die van alles lieten doen toen ze nog maagd waren. Daarna werden ze ‘de mijne, en ze baarden zonen en dochters’ (23,2-3).

De drie teksten spreken achtereenvolgens over de ontrouw van de vrouw en het uitleveren van de vrouw aan de minnaars (16,39; 23,9; 23,28). Waren de vrouwen eerst de agitatoren, de aanstichters, later worden de rollen omgedraaid. Ze worden slachtoffer van de mannen die ze eerst zelf hadden verleid. De vrouw in Ezechiël 16 en in 23B wordt naakt achtergelaten, in 23A wordt zegedood, als ‘waarschuwing voor alle vrouwen’. De vrouwen in Ezechiël 16 en 23B overleven. In 16 is sprake van herstel en vergeving (16,59-63), in 23B van ‘de schande van je overspel dragen’ (23,35).

Het lichaam en de bedekking ervan spelen in Ezechiël 16 en 23B een rol: de baby is naakt, de opgroeiende jonge vrouw is naakt, ze wordt naakt achtergelaten na het overspel. Ook in 23B wordt de vrouw naakt (en verminkt in dit geval) achtergelaten. In beide teksten wordt verteld hoe sieraden het lichaam bedekken (Ezechiël 23,26). In de drie teksten worden de kleren verwijderd (‘uitgetrokken’, Ezechiël 16,39; ‘van het lijf scheuren’ in Ezechiël 23,10 en Ezechiël 23,26.29).

JHWH en alleen JHWH is de god naar wie het verlangen van Israël mag uitgaan

Er lijkt een patroon herkenbaar, dat in elk van de drie versies wordt gevuld met gegevens die samen de metafoor maken. Het is een profetenwoord over een ontrouwe vrouw, met een aantal vaste elementen (topoi): verwijzing naar haar jeugd, het toebehoren aan JHWH, de ontrouw, de reactie van JHWH als jaloerse minnaar of echtgenoot, de uitlevering aan de minnaars, de kleding die van het lijf wordt gescheurd, de naaktheid, de gevolgen van het gedrag voor de vrouw. Het lijken topoi die behoren tot een metafoor van de ontrouwe echtgenote. Vaste elementen, waarvan de luisteraar waarschijnlijk wist dat ze eraan zaten te komen. Zoals de bioscoopbezoeker van nu weet wat ze kan verwachten bij een bepaald genre film. Horrorfilms kennen bloed, een scherp voorwerp als een mes of een kettingzaag, de dreiging daarmee, de onschuldige jongere die wordt aangevallen, lijken. Of een tv-serie als NCIS: een lijk dat wordt gevonden, een schotenwisseling, rennende mensen, achtervolgingen, ontploffingen, een lijkschouwer, een laboratorium en een haar met DNA.

De vrouw is metafoor voor het volk Israël, de ontrouw staat voor buigen voor afgoden. Het verlangen naar seks lijkt niet zozeer afkeurenswaardig, wel het achter vreemde mannen aanlopen en in alle openheid genieten van seks met hen. JHWH en alleen JHWH is de god naar wie het verlangen van Israël mag uitgaan.

Ezechiël en Hosea

In Hosea is een vergelijkbare metafoor te vinden als in Ezechiël 16 en 23 wordt gebruikt, met dezelfde topoi. De profeet Hosea wordt bevolen met een overspelige vrouw te trouwen. Hier ontbreekt in eerste instantie de verwijzing naar de vrouw als baby of jonge vrouw. Over deze vrouw van Hosea wordt in het profetenwoord verderop gesproken als de vrouw van JHWH – net zoals in de Ezechiëlteksten. Ook deze vrouw is seksueel actief buiten het huwelijk en met verschillende mannen. JHWH reageert als een jaloerse minnaar of echtgenoot. In Hosea wordt verteld dat de vrouw achter haar minnaars aangaat omdat deze haar voorzien van eten en drinken, wol en vlas, olijfolie en wijn (Hosea 2,7). Deze vrouw heeft de intentie materieel erop vooruit te gaan door haar gedrag. In de profetenwoorden van Ezechiël is de vrouw belust op seks, niet op materiele vooruitgang. JHWH geeft aan wat Hij zal doen als zij niet tot inkeer komt: Hij zal zorgen dat ze niet meer achter haar minnaars aan kan gaan, en haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars. JHWH heeft hiermee al gedreigd: ‘Anders zal ik haar uitkleden, haar zo naakt laten staan als toen ze geboren werd’ (Hosea 2,5). Impliciet is hiermee verwezen naar de eerste jaren van de vrouw en is zo voldaan aan het gebruiken van de topos jeugd. In vers 17 wordt ook verwezen naar de jeugd: ‘En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte’.

Aan het slot van de metafoor in Hosea 2 krijgt de overspelige vrouw een keuze en wordt zij gepresenteerd als iemand die overgehaald kan worden. In Ezechiël 16 is er herstel en vergeving in het vooruitzicht, Ohola (Ezechiël 23A) wordt gedood, Oholiba (Ezechiël 23B) wordt verminkt en naakt achtergelaten. Ze wordt niet gedood: ze zal de schande van haar overspel dragen. De vaste topos van de vrouw die kan terugkeren op haar schreden is in het geval van Ohola aangepast, waarmee het lot van Ohola de functie krijgt van waarschuwing voor Oholiba.

Bruidstheologie

In Hosea en Ezechiël lijkt sprake te zijn van wat we vandaag de dag wraakporno zouden kunnen noemen. De getergde man of minnaar neemt wraak op zijn (voormalige?) geliefde door dat wat in de beslotenheid van de slaapkamer wordt beleefd, in de openbaarheid te gooien. Zowel in Hosea als in Ezechiël is dit element opgenomen: de vrouw wordt publiekelijk vernederd. We kennen dit verschijnsel heden ten dage als filmpjes en foto’s die op internet worden gepubliceerd, of beelden van studiegenoten, gemaakt toen de relatie nog goed was en dankzij een wraakzuchtige ex-geliefde via mobiele telefoons circuleren op scholen en opleidingen.

Belangrijk element bij die wraakporno, of het nu een metafoor is of realiteit, is de relatie die voorafgaat aan de wraak. Twee personages houden van elkaar. Tot de een de ander bedriegt en de ander in woede ontsteekt. De wapens van de wraak zijn de voormalige instrumenten van de liefde.

De liefdesrelatie die voorafgaat aan de profetische wraakporno is volop te vinden in het Oude Testament. JHWH houdt van Israël zoals een bruidegom van zijn bruid. Deze relatie loopt als een rode draad door de verhalen, de poëzie, de profetenteksten, de psalmen, JHWH wordt getypeerd als bruidegom en echtgenoot, en Israël als bruid en echtgenote. Daardoor kan men spreken van een bruidstheologie. De lijn is te trekken van Eva en Adam tot en met de vrouw in Openbaring 12. Talrijk zijn de verwijzingen naar deze metafoor. (Wellicht heeft die haar oorsprong in het godenpaar JHWH – Asjera, maar dat is niet van belang binnen de kaders van dit artikel.)

Ook de Tien Woorden verwijzen hiernaar. JHWH , de bruidegom, de echtgenoot, de minnaar, is een jaloerse god (Exodus 20,5; Deuteronomium 4,24). Hij duldt geen andere goden naast zich, Hij wil niet dat de aandacht naar iets of iemand anders gaat dan Hem. De gevolgen van een dergelijk overspel dat afgodendienst inhoudt, passen bij de metafoor van de verbintenis zoals die is tussen man en vrouw. Hij betaalt de vrouw met gelijke munt terug. Zij schendt de integriteit van de verbintenis, en Hij reageert binnen hetzelfde ‘idioom’: seks wordt met seks vergolden. In alle gevallen dat er sprake is van de bruidstheologie en de metafoor van Israël/Jeruzalem/Samaria als de bruid, kijkt de lezer mee via de ogen van JHWH , de bruidegom. De lezer kijkt mee met het mannelijk personage in de tekst, beschreven door – waarschijnlijk – een mannelijke schrijver of mannelijk schrijverscollectief (Fokkelien van Dijk-Hemmes). Je zou kunnen zeggen dat er zo een versterkt vernauwd perspectief is.

Hooglied en Ezechiël

De bruidstheologie is ook te lezen in Hooglied. Een groter contrast is nauwelijks mogelijk: de overspelmetafoor van Ezechiël en Hosea tegenover de liefdespoëzie van Hooglied. In Hooglied is de vrouwelijke figuur niet alleen als jij-persoon aanwezig, ze spreekt ook zelf aan. Twee ik-figuren zijn aan het woord. Ze beschrijven wat ze mooi vinden aan elkaar. De lichamelijkheid speelt ook hier een grote rol. Is in de profetenteksten het lichaam van de vrouw bijna een instrument te noemen, waarmee zij laat doen naar haar believen, in Hooglied wordt het lichaam geliefkoosd met woorden. In beide tekstensoorten is er sprake van dreiging. Het geluk in Hooglied wordt bedreigd van buitenaf (de stad, de stadswachten), in de profetenteksten is er een dreiging die wordt geregisseerd door de ik-figuur (JHWH). De ik-figuur bedreigt het jij-personage. Hij zegt wat hij gaat doen met haar. De dreiging is aanleiding voor de tekst en onderdeel van de tekst zelf.

In Ezechiël 23 is de bedreiging manifest via anderen. De twee vrouwen zullen worden gemolesteerd door de mannen die zij eerst zelf hebben gebruikt. Degene die dit mogelijk maakt, is degene die zich verraden voelt door het gedrag van de twee zussen. Het vrouwelijk personage is in beide seksueel actief, het aantal mannen waarmee dat gebeurt verschilt (in Hooglied één, in de profetenteksten velen).

Bij vergelijking van Hooglied met de wraakporno van Ezechiël zien we dezelfde metafoor, en een aantal topoi die overeenkomen.

Dubbele hermeneutiek

Het is eerder en door anderen gezegd: een metafoor werkt niet voor alle luisteraars of lezers op dezelfde wijze, bijvoorbeeld vanwege genderverschillen.

Jopie Siebert-Hommes heeft in navolging van Fokkelien van Dijk-Hemmes geschreven over de dubbele hermeneutiek en deze toegepast op Hosea 2. Uitgangspunt bij het toepassen van de dubbele hermeneutiek is dat een tekst verschillend kan werken voor vrouwen en mannen. In het geval van een metafoor waarin de hoofdrol is weggelegd voor een vrouw die buitenechtelijk met mannen verkeert, zullen vrouwen zich eerder identificeren met de vrouw en een mannelijk publiek met de mannen die de vrouw ‘bedient’. Door deze verschillende identificatiemogelijkheden werkt de tekst ook verschillend. De mannen kunnen zich distantiëren van de metaforische hoererende vrouw en identificeren met de mannen die met haar verkeren. De tekst verliest hierdoor de al te scherpe kanten. Zij, de mannen, zijn niet de initiatiefnemers, zij worden ertoe uitgedaagd en volgen slechts. De vrouwen kunnen geen kant op: zij worden aangesproken als leden van Israël, en zij zien zich in de metafoor neergezet als het handelend personage dat zichzelf verkoopt en te schande maakt.

Van de andere kant: lang niet alle vrouwen zullen zich als hoer willen gedragen, en zich verwant voelen aan een vrouw die dat wel doet.

Is deze metafoor schadelijk voor de vrouwelijke lezer, of voor de vrouw in het algemeen? Het lijkt te kras om dat te zeggen. De vrouw in deze metafoor laat gedrag zien dat afkeurenswaardig is binnen elke exclusieve relatie. En dat gedrag is niet exemplarisch voor het gedrag van willekeurig welke vrouw.

De mannen in deze metafoor vertonen gedrag dat ook niet goed te keuren is: ingaan op de verleidingen van deze vrouw en haar daarmee overspelig maken. Dit gedrag is op zijn beurt niet exemplarisch voor elke man. En ook dit gedrag is afkeurenswaardig. Maar de belangen van JHWH als bedrogen echtgenoot liggen bij de reputatie en het gedrag van de vrouw, niet bij de mannen die gebruik maken van wat hun op een presenteerblaadje wordt aangeboden.

De metafoor werkt verschillend op genderniveau: de vrouwelijke lezer/hoorder heeft een directe identificatiemogelijkheid met het vrouwelijk personage in de tekst, de man moet moeite doen zich in de vrouwelijke figuur in te leven en zal zich wellicht eerder bij de vijandige mannen scharen die de vrouw gebruikt, en door wie ze zich laat gebruiken. Deze mannen worden ook afgekeurd. Dus, de werking is verschillend, het beoogd effect hetzelfde.

Waarom dan deze metafoor? Het is de andere kant van de liefdesverklaring van JHWH aan Israël. Israël wordt gewaarschuwd op een manier die men begrijpt (huwen binnen de gemeenschap) en op een aansprekende manier. De vrouw krijgt ruimte voor seksuele escapades én (behalve in Ezechiël 23A) voor bekering. Ze heeft letterlijk en figuurlijk speelruimte. Zoals Israël zelf kan kiezen voor JHWH, en voor het verlaten van Hem en de verering van andere goden.

Voor wie moeite mee heeft met de seks zoals gepresenteerd via deze metafoor: in elke vorm van fictie of verbeelde werkelijkheid zijn seks en geweld ‘selling points’. Al eeuwen lang. Waarom zou het in de Bijbel anders zijn?

Bronnen

• Fokkelien van Dijk-Hemmes, ‘Traces of Women’s Texts in the Hebrew Bible’, in: Athalya Brenner & Fokkelien van Dijk-Hemmes, On Gendering Texts: Female & Male Voices in the Hebrew Bible, Brill: Leiden 1996.

• Jopie Siebert-Hommes, ‘“Want anders: Ik zal haar naakt uitkleden”. Het gebruik van de huwelijksmetafoor in het boek Hosea’, in: Janet Dyk e.a. (red.), Hosea (ACEBT 17), Shaker: Maastricht 1999, 89-100.

Verder lezen

• Athalya Brenner, A Feminist Companion to The Latter Prophets. SAP: Sheffield 1995.

• Athalya Brenner, ‘Pornoprophetics Revisited: Some Additional Reflections’, in: Athalya Brenner, The Intercourse of Knowledge. On Gendering Desire & ‘Sexuality’ in the Hebrew Bible, Brill: Leiden 1997, 153-174.

• Dorothea Erbele-Küster, ‘Het vrouwelijk lichaam in Ezechiël’, in: Joep Dubbink (red.), Ezechiël (ACEBT 26), 2VM: Bergambacht 2011, 95-100.

• Willien van Wieringen, ‘Seksualiteit’, in: Klaas Spronk & Archibald van Wieringen (red.), De Bijbel Theologisch: Hoofdlijnen en thema’s, Meinema: Zoetermeer 2011, 374-384.

< Terug