De gemeente als pastorale gemeenschap

De gemeente is een geloofsgemeenschap, maar ook een pastorale gemeenschap: we zien naar elkaar om. We hebben – vaak, meestal… – de neiging dat te organiseren. Maar is dat nodig? Hoe is dat ‘omzien naar elkaar’ werkelijk bedoeld en vorm te geven?

Vaak wordt bij pastoraat uitgegaan van een één-op-één ontmoeting en het belang daarvan voor de gemeenschap. Hier draaien we het om: we gaan uit van de pastorale kwaliteit van de gemeenschap en vragen wat dat betekent voor de omgang met elkaar. De Straatsburgse reformator Martin Bucer (1491-1551) helpt ons op weg naar een antwoord. In zijn boek over de ware zielzorg kiest hij als uitgangspunt dat de kerkgemeente het lichaam van Christus is en de Geest van Christus in haar leeft.

Daarom is zij een gemeenschap. Als kinderen van de ene Vader moeten de christenen wel ‘de meest volmaakte, vriendelijke en trouwe broederschap, gemeenschap en eenheid met elkaar vormen’, zo schrijft Bucer.

Dat is een geloofsuitspraak en de praktijk is helaas niet altijd zo volmaakt, vriendelijk en trouw. Toch is het goed om van het geloof uit te gaan. In het vervolg geef ik aan wat dit uitgangspunt betekent voor het verstaan van (onderling) pastoraat als meeleven met elkaar. En wat de gevolgen daarvan zijn voor de werkwijze en voor de vormgeving van dat meeleven.

Pastoraat: in Christus verbonden

Een eerste kenmerk van de pastorale gemeenschap is de verbondenheid. Pastorale kwaliteit ontlenen de mensen niet aan zichzelf als individu. Het is in eerste instantie niet een kwestie van organisatietalent of het trainen van persoonlijke pastorale bekwaamheden. Gemeenteleden danken de pastorale kwaliteit aan Christus. De kerkgemeente is een pastorale gemeenschap, omdat de Heer haar herder is. De Here Jezus regeert, leidt en weidt zijn kerk. Hij doet dat indirect door de dienst van het Woord en de gaven van de Geest. Daarvoor gebruikt Hij veel verschillende mensen.

We kunnen daarbij denken aan het beeld van het lichaam dat Paulus gebruikt voor de gemeente (Romeinen 12:4-5; 1 Korintiërs 12). God werkt door de gaven van de Geest via alle leden in de verbondenheid met elkaar. Ieder levert een eigen bijdrage en allen hebben elkaar nodig. Paulus benadrukt zowel de verscheidenheid als de samenhang. Zo vormen de leden een pastorale gemeenschap.

Gemeenteleden danken de pastorale kwaliteit aan Christus

Zoals bekend is het woord pastoraat afgeleid van pastor, wat herder betekent. Pastoraat is wat de herder doet: de zorg voor het geheel van de kudde. Die zorg is gericht op veilig weiden. In Psalm 23 omvat dat zowel het vinden van voedsel (groene weiden, vredig water, nieuwe kracht), als het ervaren van welzijn (nabijheid, moed of troost, geluk en genade). ‘Het ontbreekt mij aan niets’, zingt de psalmdichter. Kenmerkend voor deze pastorale zorg is dat die plaats vindt in de leefwereld van alledag.

In de menselijke omgang krijgt de ‘zorg voor de kudde’ de betekenis van een vertrouwensrelatie: ‘Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij’ (Johannes 10:14). Het vertrouwen is gebaseerd op de inzet van de herder: ‘de goede herder zet lijf-en-ziel in voor de schapen’ (Johannes 10:11, Naardense Bijbel). Het bijbelse kennen is niet slechts iets van het hoofd (rationele kennis), maar vooral een zaak van verbondenheid en omgaan met elkaar. Het is de A/ander liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met heel je wilskracht. Die liefde is ingebed in de gemeenschap van broeders en zusters (Romeinen 12:9-10). In die zin is zij wederkerig.

De vertrouwensrelatie komt vooral tot uiting in de bereidheid tot luisteren: ‘zij zullen naar mijn stem horen’ (Johannes 10:16). In de omgang met elkaar is ook dat luisteren wederkerig bedoeld. In zijn boekje over het Gemeenschapsleven wijst Bonhoeffer erop dat het naar de ander luisteren de eerste dienst is die we in de geloofsgemeenschap aan elkaar bewijzen. ‘Zoals de liefde tot God ermee begint, dat wij naar zijn Woord luisteren, zo begint de liefde tot de broeder ermee, dat wij leren naar hem te luisteren’. De tweede dienst is de daadwerkelijke bereidheid om elkaar te helpen. Als derde dienst noemt hij het verdragen van de ander.

Een pastorale gemeenschap is niet beperkt tot gelijkgestemden. Soms moeten we onze grenzen verleggen en het uithouden met wie anders is dan wij. De vierde dienst moet dan zijn dat de één persoonlijk tegenover de ander spreekt over het Woord en de wil van God. We zijn immers beiden zondaren die mogen delen in de genade en heerlijkheid van God. Dat mogen we elkaar, wederkerig, niet onthouden.

De liefde tot de ander begint ermee, dat wij leren naar hem te luisteren

Kortom: de pastorale kwaliteit van de geloofsgemeenschap is een gegeven door Christus en wordt gedragen door de liefde voor de A/ander. De zorg voor elkaar is ingebed in de onderlinge betrekkingen, waarin mensen elkaar trouw zijn door de tijd heen. In zo’n gemeenschap kan het komen tot persoonlijke aandacht voor elkaar. Het is dit samenspel van facetten dat de pastorale kwaliteit vormt van het meeleven met elkaar; het doet haar glinsteren. Daarom gebeurt pastorale communicatie niet alleen met woorden, maar ook met lichaamstaal, in stilte of metterdaad.

Het mee-leefklimaat

Wat betekent denken vanuit de gemeenschap voor de werkwijze van (onderling) pastoraat? Vaak vragen pastoraal verantwoordelijken (kerkenraden of pastorale teams) zich af hoe je dit (beter) kunt organiseren. Toch is dat niet de belangrijkste vraag. Als we met Bucer de pastorale gemeenschap zien als een ‘gegeven’, dan gaat er iets aan organisatie en toerusting vooraf. Dat is het pastorale of meeleefklimaat in de gemeenschap. Dat klimaat of die sfeer door een bepaalde houding of gezindheid, die denkt ‘in bescheidenheid, naar mate van geloof’ (Romeimen 12:3, HSV).

Vanuit die gezindheid is er ruimte voor de (pastorale) gaven van de leden van de gemeenschap als eerstverantwoordelijken van de onderlinge zorg. Wat kunnen de pastoraal verantwoordelijken doen om dat mee-leefklimaat te bevorderen? Het korte antwoord is: begin bij wat er al aan meeleven met elkaar gebeurt.

Dat vraagt allereerst om opmerkzaamheid. De zorg voor elkaar en anderen die dat behoeven krijgt gestalte in het leven van de gemeenteleden. Dat meeleven vindt spontaan plaats in de leefwereld van alledag. Even een telefoontje of whatsappje om te vragen hoe het gaat. Een praatje in de winkel of op straat tijdens het boodschappen doen. De buurvrouw naar het ziekenhuis brengen en ondertussen bijpraten. Het draagt allemaal bij aan een klimaat van elkaar kennen en vertrouwen. De pastoraal verantwoordelijken zijn soms geneigd dat over het hoofd te zien. Het opmerken vraagt een andere houding. Niet denken vanuit tekorten en problemen zoals onvervulbare vacatures, maar vanuit geschonken gaven en positieve ervaringen. Laat de mensen daarover vertellen.

Vervolgens bevorderen de pastoraal verantwoordelijken het mee-leefklimaat als zij deze ervaringen erkennen en ervoor erkenning geven. In persoonlijke contacten en formeel: in vergaderingen, in het kerkblad, op de website, in de kerkdienst. Die waardering wordt vaak wel uitgesproken voor wat pastorale vrijwilligers en ouderlingen doen, bijvoorbeeld bij het afscheid van ambtsdragers. Maar dat versterkt de al bestaande indruk dat het georganiseerde pastoraat het uitgangspunt is. Als we de gemeenteleden als eerstverantwoordelijken serieus nemen, zou het spontane meeleven vaker benoemd en gewaardeerd moeten worden. Bijvoorbeeld op een pastorale zondag. Die kan jaarlijks gevierd worden na de landelijke pastorale dag in april of op de zondag van de Goede Herder (3e of 4e zondag van Pasen).

… het spontane meeleven vaker benoemen en waarderen

Ten derde is ondersteuning van de gemeenteleden nodig. Gemeenteleden zien wat ze zelf doen aan meeleven lang niet altijd als vormen van onderling pastoraat. Het kan zijn dat zij het traditionele bezoekwerk door ambtsdragers als norm zien. Dan helpt het om uit te dragen dat de pastorale kwaliteit wordt bepaald door de naastenliefde die gestalte krijgt in de ontmoetingen in onze leefwereld. Pastoraal verantwoordelijken kunnen dat besef op twee manieren versterken. Door daarvan concrete voorbeelden te geven, zowel informatief (via media of kerkdienst) als praktisch (het zelf doen). En door in bijeenkomsten zelf het gesprek over wat pastoraat is te stimuleren.

Tot slot is moeten ook de beperkingen van onderling pastoraat worden gezien en besproken. Niet elk gemeentelid is pastoraal begaafd en niet iedereen heeft een meeleef-netwerk of een verbinding met de kerkgemeente. Bovendien worden niet alle vragen en behoeften beantwoord door onderling meeleven. Er zijn situaties en onderwerpen die vragen om vertrouwelijkheid, ambtsgeheim of pastorale deskundigheid. De pastoraal verantwoordelijken moeten daarvoor aanvullende pastorale zorg bieden.

Rijkdom aan vormen

Binnen de pastorale gemeenschap zien we dat het meeleven op veel meer manieren plaats vindt dan alleen het gesprek tijdens een bezoek door ambtsdragers of vrijwilligers. Paulus zegt dat ook het oor, het oog, de hand en de voet bij het lichaam horen. Bij de verscheidenheid aan gaven passen dus ook meerdere communicatievormen. En die vinden plaats in vele ontmoetingsmomenten. Allemaal uitingsvormen van de kerkgemeente als zin- en verhalengemeenschap.

Tekenen om op krachtige wijze betrokkenheid en aandacht kenbaar en tastbaar te maken

Bij de communicatie onderscheiden we drie vormen: gesprek, praktische hulp en tekenen van meeleven. Van de eerste twee vormen noemden we al enkele voorbeelden. Tekenen van meeleven zijn minder gebonden aan een bepaald ontmoetingsmoment. Een kaartje, een mailtje, een appje, een bloemetje – we gebruiken hiervoor vaak verkleinwoorden, maar deze tekenen kunnen op een krachtige manier betrokkenheid en aandacht kenbaar en tastbaar maken.

Materiele tekenen hebben een meerwaarde doordat meerdere zintuigen betrokken zijn. Je kunt ze zien, vasthouden, neerzetten, ruiken. Soms drukken ze een symbolische meerwaarde uit, zoals een afbeelding van een parel in een hand zegt dat je voor God kostbaar bent.

Bij de ontmoetingsmomenten onderscheiden we vier vormen (en noemen enkele voorbeelden): spontane één-op-één ontmoetingen (praatje met buren); georganiseerde, kerkelijke groepsbijeenkomsten (bijbelkring, gemeentegroeigroep); activiteiten voor de buurt (maaltijd, filmavond, spirituele wandeling); en samenwerking met andere instellingen (inloophuis, Bachdag). Zulke ontmoetingen hebben vaak geen pastoraal doel, maar bieden wel gelegenheid voor meeleven met elkaar (pastorale kwaliteit). In de Gids voor onderling pastoraat staan meer voorbeelden. Van binnenkerkelijke groepen, via missionaire activiteiten op een pioniersplek, tot maatschappelijke of culturele bijeenkomsten.

Als we uitgaan van de gemeenschap, krijgen we in het pastoraat meer oog voor de verbondenheid, het mee-leefklimaat en de rijkdom aan ontmoetingen met pastorale kansen.

Reijer (dr. R.J.) de Vries is emeritus predikant. Hij was tot 2020 universitair docent Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Amsterdam, met bijzondere aandacht voor pastoraat en justitiepastoraat.

Meer Pastoraat