< Terug

Paulus, de Joodse apostel van de heidenen

Bij alle nieuwtestamentische teksten is het relevant om te vragen naar hun verhouding met de Joodse omgeving waarin ze zijn ontstaan, zoals dit nummer van Schrift laat zien. Maar bij de brieven van Paulus is dit een steeds terugkerend punt en zijn er de laatste decennia belangrijke verschuivingen geweest: niet langer wordt Paulus gezien als de bekeerling die het Jodendom de rug toe keert, in plaats daarvan is hij een Jood die de niet-Joodse volken de weg wijst naar de enige ware God. In deze bijdrage kijken we hoe en waarom de kijk op Paulus en zijn Joodse context is veranderd.

Karin Neutel is onderzoeker aan de Universiteit van Oslo en richt zich op de brieven van Paulus en hun receptie in de hedendaagse cultuur.

Dat Paulus Joods was en dat de brieven van zijn hand in het Nieuwe Testament dus ook Joodse teksten zijn, zou niet omstreden hoeven te zijn. Hij schrijft immers zelf dat hij hoort ‘tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin’ (Filippenzen 3,5) en dat zijn volksgenoten de Israëlieten zijn, aan wie God ‘zijn nabijheid, de verbonden, de wet en de tempeldienst’ heeft geschonken (Romeinen 9,4, zie ook Romeinen 11,1; 2 Korintiërs 11,22). Toch is de vraag hoe Paulus zich verhoudt tot zijn Joodse identiteit en of zijn boodschap een breuk betekent met Joodse tradities, een terugkerend thema.

Schuivende perspectieven

In het wetenschappelijk onderzoek naar Paulus staat deze vraag vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw tot nu prominent op de agenda. Vóór die tijd – en ook nu nog wel – werd Paulus vooral gezien als het ultieme voorbeeld van een radicale bekering: iemand die van vervolger van christenen zelf een christen werd, en die het Jodendom afwees als een benauwende religie die geen heil kon brengen. In plaats van ‘werken van de wet’, waar Joden hun rechtvaardigheid mee zouden verdienen, hechtte Paulus volgens deze traditionele interpretatie alleen waarde aan innerlijk geloof en de rechtvaardigheid die daaruit zou voortkomen. Paulus’ boodschap werd gezien als specifiek christelijk en als gericht op christenen van alle tijden.

Het nieuwe dat Paulus doet, is het benadrukken van de gelijkheid van Joden en niet-Joden.

Dat dit beeld begon te schuiven, kwam vooral door een beter inzicht in de diversiteit van het vroege Jodendom en de behoefte om Paulus daarbinnen te begrijpen, in plaats van ertegenover. Het idee van een ‘superieur christendom’ dat een ‘inferieur jodendom’ had vervangen, dat lang de kijk op Paulus en het Nieuwe Testament had bepaald, werd steeds meer problematisch – al mag duidelijk zijn dat we daar desondanks niet zomaar vanaf kunnen komen. De kritiek op de traditionele interpretatie, vanuit het zogenaamde ‘New Perspective’, richtte zich met name op het idee dat Joden gebukt zouden gaan onder de last van de wet, en dat Paulus ons hiervan zou hebben bevrijd. In plaats daarvan stelt het ‘nieuwe perspectief’ dat voor Joden in Paulus’ tijd het verbond met God een positieve relatie was, en dat genade en verzoening daarbinnen hun plaats hadden, en niet pas door Paulus geïntroduceerd werden.

Het nieuwe dat Paulus doet, volgens deze visie, is het benadrukken van de gelijkheid van Joden en niet-Joden, en het bekritiseren van die aspecten van de Joodse wet die verschil maken tussen mensen en dit identiteitsverschil markeren, zoals spijswetten, besnijdenis en sabbat. Dat is waar Paulus’ term ‘werken van de wet’ volgens dit perspectief naar verwijst. Dé kern van zijn boodschap is dan dat iedereen op dezelfde manier bij God kan horen, ongeacht herkomst of etniciteit. Hoewel de aanhangers van dit nieuwe perspectief menen dat zij Paulus binnen het Jodendom plaatsen, schrijven zij hem toch fundamentele kritiek erop toe. Volgens James Dunn, een van de prominentste vertolkers van deze visie, wijst Paulus de ‘Joodse oogkleppen’ van zijn tijdgenoten af en hun idee dat Gods volk beperkt zou zijn tot een bepaalde etnische groep. Het ‘universalisme’ van Paulus staat zo tegenover Joods ‘particularisme’, waarmee het idee van vooruitgang duidelijk nog steeds in de lucht hangt.

Hoewel dit ‘nieuwe perspectief’ breed gedeeld wordt in het Paulusonderzoek, ook in Nederland, komt het de laatste tijd steeds meer onder druk te staan, mijns inziens terecht. Ook nu spelen nieuwe inzichten in het vroege Jodendom een belangrijke rol in deze verschuiving, dit keer met name rond de toenmalige ideeën over de verschillen tussen Joden en niet-Joden. Erkenning van de grote diversiteit die in Joodse bronnen te zien is in de houding tegenover andere volken, maakt duidelijk dat we niet kunnen spreken over een uniform ‘particularisme’ – op zich natuurlijk al een term met een duidelijk negatieve lading. Met name de verwachting die sommige Joodse teksten laten zien dat álle volken zich in de eindtijd zullen keren tot de enige ware God, maakt het mogelijk Paulus’ boodschap voor heidenen te plaatsen binnen een brede Joodse traditie en niet erbuiten.

Een ander belangrijk punt van kritiek is dat de eerdere visies op Paulus hem vooral proberen te begrijpen vanuit zijn veronderstelde problemen met bestaande Joodse tradities en opvattingen, en niet voldoende hebben gezien dat hij zich in de eerste plaats richt op niet-Joden, voor wie die tradities niet noodzakelijk golden. Als je Paulus leest met het idee dat hij zich afgekeerd heeft van zijn Joodse wortels, of dat hij bepaalde Joodse wetten zoals over besnijdenis afwijst, krijg je een ander beeld dan wanneer je meent dat hij zich consequent richt tegen mensen die buiten deze Joodse context vielen. Met deze overweging in gedachten gaan we kijken naar twee aspecten die belangrijk zijn in de beeldvorming rondom Paulus: zijn roeping zoals beschreven in Galaten 1 en zijn activiteit als apostel van de heidenen.

Waarom Paulus’ roeping geen bekering is

Voor het idee dat Paulus een radicale bekering heeft ondergaan, hebben de verhalen in het boek Handelingen een belangrijke rol gespeeld. De verbeeldingen daarvan in de beeldende kunst, waarbij hij spectaculair van zijn paard valt, hebben het idee van een Damascuservaring tot een vast thema in onze cultuur gemaakt. Maar ook wat Paulus zelf schrijft over zijn verandering, in Galaten 1, is vaak gelezen als een bekering van Joods naar christelijk. Deels komt dit door de vertaling en misinterpretatie van de term ioudaismos, die daarin twee keer gebruikt wordt. Dit woord klinkt misschien alsof het verwijst naar judaïsme, naar het Jodendom, maar heeft toch een wat andere lading. De NBV vertaalt als de tekst als volgt:

U hebt gehoord hoe ik vroeger volgens de Joodse godsdienst leefde, dat ik de gemeente van God fanatiek vervolgde en haar probeerde uit te roeien. Ik leefde de Joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.
Maar toen besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door zijn genade heeft geroepen, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan de heidenen zou verkondigen.
(…)
De christengemeenten in Judea hadden mij nog nooit ontmoet, maar iedereen had over mij horen vertellen: ‘De man die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij toen probeerde uit te roeien’. En zij prezen God om mij.
(Galaten 1,13-16.22-24)

Wie deze tekst leest, zou makkelijk tot de conclusie kunnen komen dat als Paulus vroeger volgens de Joodse godsdienst leefde, hij dat nu dus niet meer doet. Maar het woord dat hier vertaald wordt met ‘Joodse godsdienst’ en in de volgende zin met ‘de Joodse wetten’, staat eigenlijk voor iets anders. De Griekse term ioudaismos, die hier twee keer achter elkaar gebruikt wordt, is geen gangbaar woord. Paulus gebruikt het verder niet, elders in het Nieuwe Testament komt het niet voor en daarbuiten in de teksten die we uit deze periode nog over hebben ook maar vier keer. Drie daarvan zijn in het boek 2 Makkabeeën, uit de tweede eeuw voor Christus (2 Makkabeeën 2,19; 8,1; 14,37), en één in 4 Makkabeeën, uit de eerste of tweede eeuw na Christus (4 Makkabeeën 4,23). Wat het gebruik van het woord daar laat zien is dat ioudaismos de tegenhanger is van hellenismos, een term die verwijst naar hellenisering, het overnemen van Griekse gebruiken. In 2 Makkabeeën worden die Joden geprezen voor hun ioudaismos die zich inzetten tegen vergrieksing en de Tempel in ere herstellen. Ioudaismos is hier dus een activiteit van Joden, gericht tegen Griekse overheersers en hun invloed op Joodse manieren van leven.

Als we uitgaan van deze betekenis beschrijft Paulus in Galaten hoe hij zich eerst op een vergelijkbare manier tegen vergrieksing onder Joden inzette, blijkbaar ook onder diegenen die Jezus volgden, en daarin bijzonder succesvol was. Maar dat God hem vervolgens riep om in plaats daarvan nu aan niet-Joden het goede nieuws te verkondigen over zijn zoon. Deze roeping, die hier in bijbels-profetische termen wordt geschetst, is dus een belangrijke verandering in de opdracht die Paulus meent te hebben. Hij is niet langer bezig Griekse invloed op Joden tegen te gaan, maar probeert nu juist heidenen tot op zekere hoogte te ‘verjoodsen’ – al wijst hij besnijdenis van niet-Joodse mannen stellig af. Paulus getuigt hier dus niet van een bekering en niet van een afwijzing van ‘de Joodse godsdienst’ of de Joodse wet, maar van een nieuw inzicht in wat God van hem verwacht, in een rol die al voor zijn geboorte voor hem was bepaald.

Waarom apostel van de heidenen een Joodse rol is

Zoals deze passage uit Galaten laat zien, beschouwt Paulus zichzelf als de apostel van de heidenen. Ook elders in zijn brieven beschrijft hij zich in deze termen (Romeinen 1,5; 11,13; 15,16; Galaten 2,9; Efeziërs 3,8) en benadrukt hij herhaaldelijk dat degenen aan wie hij schrijft niet-Joden zijn. Traditioneel is dit vaak zo geïnterpreteerd dat Gods boodschap nu niet langer (alleen) voor Joden is, maar dat juist andere volken nu die plaats innemen, of op zijn minst gelijkgesteld worden. Wanneer Paulus zijn Evangelie omschrijft als ‘Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken’ (Romeinen 1,16), kan dit gelezen worden als de vertolking van een dergelijk gelijkheidsideaal.

Maar wanneer we Paulus’ interesse in de volken begrijpen binnen bestaande Joodse tradities, komt een ander beeld naar voren. In het boek Tobit bijvoorbeeld vinden we de verwachting dat in de eindtijd alle volken in de hele wereld zich tot God zullen keren: ‘ze zullen hun afgoden wegdoen die hen met leugens hebben misleid en ze zullen de eeuwige God loven en dienen’ (Tobit 14,6-7). Ook in de Sibillijnse Orakels (deels geschreven in de eerste eeuw voor Christus) wordt verwacht dat de volken gaan inzien dat ze ten onrechte beelden en afgoden hebben gediend. In plaats daarvan zullen ze op de grond vallen om de eeuwige God te aanbidden (Sibillijnse Orakels 3.710-725). Deze verwachtingen lijken veel op wat Paulus schrijft aan de Tessalonicenzen. Iedereen praat erover, zegt hij, ‘hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – en om hem, de levende en ware God, te dienen’ (1 Tessalonicenzen 1,9). Ook de Korintiërs herinnert hij aan de tijd toen zij nog heidenen waren en dus ‘volledig in de ban van goden die taal nog teken geven’ (1 Korintiërs 12,2).

In deze Joodse manier van denken over de eindtijd zal de hele wereld inzien wie de ware God is. Dat ook de volken dan hun afgoden wegdoen en de juiste God gaan aanbidden, is dus niet zozeer een teken van hun gelijkheid, maar eerder van een wereldomvattende verandering. Deze traditie kan juist gepaard gaan met negatieve ideeën over niet-Joodse volken: zelfs de mensen die juist gekenmerkt worden door religieuze en ethische misdragingen zullen tot inzicht komen. Dergelijke voorstellingen zien we deels in Paulus’ brieven terug. Hij beschuldigt de gemeente in Korinte bijvoorbeeld van ernstig seksueel wangedrag zoals dat ‘zelfs bij de heidenen niet voorkomt’ (1 Korintiërs 5,1). Als je het ergens zou vinden dan is het blijkbaar bij die groep mensen. De instructies die hij aan de Tessalonicenzen geeft over hoe ze met hun lichaam moeten omgaan en hun passies beheersen, contrasteert hij met het seksuele gedrag van de heidenen ‘die God niet kennen’ (1 Tessalonicenzen 4,4). Dat seksualiteit en religie in elkaars verlengde liggen, was een bekende gedachte. Het boek Wijsheid van Salomo stelt bijvoorbeeld dat het maken van afgoden het begin was van porneia (14,12), de verzamelterm voor ongewenst seksueel gedrag, die vaak vertaald wordt met ‘ontucht’.

Paulus schrijft in de overtuiging dat de eindtijd niet alleen in de toekomst ligt, maar nu al is begonnen.

In deze context kunnen we de metafoor van de olijfboom in Romeinen 11 begrijpen, waarin Paulus Joden – ‘mijn volksgenoten’ – beschrijft als een gecultiveerde olijfboom, en de niet-Joden als wilde takken die daarop geënt worden (Romeinen 11,16-24). Zij horen van nature niet thuis op de edele olijfboom, maar mogen er onder uitzonderlijke omstandigheden, ‘tegen de natuur in’ deel van uit maken. Er is dus een duidelijk verschil en hiërarchie tussen Joden en andere volken. Dit blijkt ook uit Paulus’ erkenning dat zijn missie naar de heidenen voor hem het hogere doel dient om Joden jaloers te maken en zo alsnog te redden. Ook als er nu tijdelijke edele takken zijn weggehaald om plaats te maken voor die wilde loten, zal uiteindelijk ‘heel Israël’ gered worden.

Wanneer Paulus zichzelf ziet als apostel van de heidenen, betekent dat dus niet dat er volgens hem iets mis was met Joden. Het lijkt eerder waarschijnlijk dat hij zich richtte op de volken omdat, vanuit een bepaald Joods perspectief, juist zij zich moesten veranderen en dat met de komst van de Messias ook konden doen, zonder dat ze daarbij volledig Joods hoefden te worden.

Door hun afgoden weg te doen, hun seksuele moraal aan te passen en de enige ware God te gaan aanbidden, konden zij nu ook door Gods kracht gered worden. In Paulus’ brieven vinden we verschillende elementen die ook in andere Joodse voorstellingen over de eindtijd voorkomen, zoals een Messias die door God is gestuurd, een goddelijk oordeel, opstanding van de doden en de redding van (een deel van) de volken. In geen enkele andere tekst komen deze elementen precies op deze manier voor, maar dat geldt ook voor alle andere Joodse voorstellingen, die ook allemaal uniek zijn.

Bijzonder voor Paulus is ook dat hij schrijft in de overtuiging dat de eindtijd niet alleen in de toekomst ligt, maar nu al is begonnen. Wanneer we deze boodschap vanuit onze tijd beschouwen als passend in een Joodse traditie, wil dat natuurlijk niet zeggen dat iedereen in Paulus’ Joodse omgeving dit ook zo zou zien. Als er iets duidelijk wordt uit de brieven is het wel dat Paulus voortdurend overhoop lag met zijn omgeving, in ieder geval deels ook met ander Joodse volgers van Jezus. Maar er is geen reden om hem buiten de diversiteit aan Joodse opvattingen over niet-Joden te plaatsen, ook al heeft de latere traditie hem zo geïnterpreteerd.

Als we Paulus met deze korte beschrijving vanuit een Joodse context begrijpen, blijven er natuurlijk nog een heel aantal teksten over die vragen oproepen. Het is niet zo makkelijk om de verschillende brieven te lezen als een coherent geheel en de mogelijkheid dat Paulus zichzelf soms tegenspreekt of van gedachten verandert, moet wat mij betreft zeker open blijven. Net zoals de mogelijkheid dat hij dingen zegt die voor ons moeilijk te begrijpen of problematisch zijn. Paradoxaal genoeg is het dan misschien lastiger wanneer we Paulus helemaal zien als een Jood uit de eerste eeuw. Wanneer Paulus beschouwd wordt als een christen, kunnen zijn ideeën over de ongelijkheid van mannen en vrouwen, zijn acceptatie van slavernij en zijn normen rond seksueel gedrag, binnen een christelijke context bekritiseerd worden. Als hij alleen als Joods wordt gezien, komt dit helemaal voor rekening van de Joodse cultuur in de Romeinse tijd. Paulus losmaken van de christelijke interpretaties die aan hem kleven is dus in veel opzichten een stap vooruit, maar roept ook weer veel nieuwe vragen op.

Literatuur

• James D.G. Dunn, The New Perspective on Paul (Tübingen: Mohr Siebeck, 2005). Zie ook de video ‘Tom Wright & James Dunn The New Perspective on Paul’ https://www.youtube.com/watch?v=cqZYbcvANhM.
• Paula Fredriksen, Paul: The Pagan’s Apostle (New Haven: Yale University Press, 2017).
• Mark D. Nanos en Magnus Zetterholm, Paul with Judaism: Restoring the First-Century Context to the Apostle (Minneapolis: Augsburg Fortress Press, 2015).

< Terug