< Terug

Paulus en de kinderen van Abraham

Van alle bijbelse figuren die Paulus in zijn brieven noemt – Adam, Eva, Sarah, Hagar, Mozes, David – krijgt Abraham duidelijk de meeste aandacht. Naast een aantal korte verwijzingen (Romeinen 9,7 en 11,1; 2 Korintiërs 11,22) gaat Paulus in twee langere stukken (Romeinen 4 en Galaten 3) in op de betekenis die Abraham heeft. Wat in Genesis staat, is volgens Paulus mede geschreven met het oog op zijn tijd en zijn boodschap. Maar wat is de verbinding tussen Abraham en de mensen tot wie Paulus zich richt?
Karin Neutel is onderzoeker aan de Universiteit van Oslo en richt zich op de brieven van Paulus en hun receptie in de hedendaagse cultuur.Paulus betoogt dat ook niet-Joden kinderen van Abraham kunnen zijn.

Net zoals veel hoorders en lezers van Genesis, werd Paulus aangestoken door de verhalen over Abraham en vertelde ze verder met zijn eigen nadruk en interpretatie. Het is goed mogelijk dat ook andere volgers van Jezus verwezen naar Abraham en dat er verschil van mening was over wat het betekende een kind van Abraham te zijn. Paulus doet mee in deze discussie en betoogt dat Abraham niet alleen de vader van Joden is, maar dat ook niet-Joden kinderen van Abraham kunnen zijn.

Paulus’ favoriete tekst over Abraham is ongetwijfeld ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend’ (Genesis 15,6), woorden die hij verschillende keren citeert en op verschillende manieren interpreteert (Romeinen 4,1.9.22; Galaten 3,6). In de brief aan de Romeinen legt Paulus uit dat deze woorden, dat Abrahams vertrouwen als rechtvaardigheid werd toegerekend, niet alleen omwille van Abraham werden opgeschreven, ‘maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen, omdat we vertrouwen op hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt’ (4,23). Abraham is dus een belangrijk voorbeeld en wat voor hem gold, geldt ook voor wie Paulus’ boodschap aanneemt. Zowel in Romeinen als in Galaten is een centraal punt voor Paulus dat Abraham juist ook voor de niet-Joodse volken van speciale betekenis is.

Romeinen 4: de besnijdenis van Abraham

Is deze zegen voor de besnijdenis, of ook voor de voorhuid? Want we zeiden: ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend’. Hoe werd het hem toegerekend, was hij in besnijdenis of in voorhuid? Niet in besnijdenis, maar in voorhuid. En hij ontving het teken van besnijdenis, een zegel van de rechtvaardigheid van het vertrouwen dat in voorhuid was. Zodat hij de vader zou zijn van iedereen die vertrouwen heeft, door voorhuid. En vader van besnijdenis, niet van degenen die uit besnijdenis zijn alleen, maar ook van hen die gaan in het voetspoor van het vertrouwen, in voorhuid, van onze vader Abraham.
(Romeinen 4,9-12)

In de brief aan de Romeinen is die verbinding tussen Abraham en wie telt als zijn kinderen heel lichamelijk. Paulus verwijst naar de geslachtsdelen van Abraham om aan te tonen dat hij de vader is van iedereen die op God vertrouwt, zowel van wie ‘uit besnijdenis’ is, van Joden dus, als van wie net als Abraham ‘in voorhuid’ is, dus niet-Joods (4,11-12). Over het lastige woordje pistis, vaak vertaald als ‘geloof’, maar hier als ‘vertrouwen’, is kortgeleden in Schrift geschreven door Suzan Sierksma-Agteres, ‘Geloof in Galaten’, 292 en Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Geloof’, 293.

Deze passage in Romeinen is vaak gelezen als een kritiek op Joodse besnijdenis. Het zou allemaal draaien om timing: Abraham vertrouwde op God voordat hij besneden was, dus zou besnijdenis niet nodig zijn voor rechtvaardiging, maar dit alleen achteraf markeren. Rechtvaardiging komt uit geloof, niet uit een handeling als besnijdenis en te denken dat besnijdenis iets positief bewerkstelligt zou een misvatting zijn die Paulus wil corrigeren.

Deze interpretatie is wijdverbreid en is ook niet zo gek als je bijvoorbeeld op de NBV afgaat, waar over Abrahams rechtvaardiging gevraagd wordt: ‘Wanneer gebeurde dat? Toen hij al besneden was of daarvoor?’ (4,10). In dit geval kunnen we de NBV helaas beter dicht laten, omdat die ons helemaal op het verkeerde been zet.

In de Griekse tekst staat hier geen enkel woord dat iets zegt over tijd of volgorde en de vraag die Paulus stelt is dan ook niet wanneer Abraham gerechtvaardigd werd, maar hoe, onder welke omstandigheden. Was hij ‘in besnijdenis of in voorhuid?’ en hij antwoordt direct: ‘Niet in besnijdenis, maar in voorhuid’. Zoals eerder in Schrift aan de orde is gekomen gebruikt Paulus hier woorden die niet alleen voor ons vreemd klinken, maar waarschijnlijk ook voor zijn toenmalige publiek (zie Schrift 293 over ‘Onbesneden’). ‘Besnijdenis’ en ‘voorhuid’ zijn termen die hij gebruikt voor Joden en niet-Joden, en voor zover we weten deed geen enkele andere auteur dat in Paulus’ tijd.

‘Voorhuid’ en ‘besnijdenis’ hebben voor Paulus dus niet in de eerste plaats te maken met tijd (eerst onbesneden, daarna besneden) maar met etnisch en religieus verschil: besnijdenis is een aanduiding voor Gods volk – Petrus verkondigt het evangelie aan de besnijdenis (Galaten 2,7) – en voorhuid is het kenmerk van de rest, die afgoden aanhangen en van nature zondaars zijn (Galaten 2,15). Deze passage over de besnijdenis van Abraham begint dan ook met de vraag of Gods zegen voor ‘de besnijdenis’ is, of ook voor ‘de voorhuid’ (Romeinen 4,9). De eerste groep hoort er vanzelfsprekend bij, de tweede niet. Juist op hen richt Paulus zijn boodschap over hun verhouding tot Abraham.

Daarom stelt hij zo met nadruk dat Abraham ‘in voorhuid’ was toen hij vertrouwde op God en door hem gerechtvaardigd werd. Dat is bijzonder, omdat voorhuid juist typisch afstand tot God symboliseert. Maar in dit geval dus niet, wat voor Paulus laat zien dat zoiets mogelijk is: op God vertrouwen terwijl je niet-Joods bent en dan ook door God gerechtvaardigd worden. Zoals dat ooit voor Abraham gebeurde, zo kan dat ook nu weer, in Paulus’ eigen tijd.

Hoe zit het dan met Abrahams besnijdenis, wat had die voor betekenis voor Paulus? De klassieke interpretatie is dat Abrahams besnijdenis een teken is van rechtvaardiging uit geloof. Het bevestigt iets dat eerder heeft plaatsgevonden en is zelf geen middel tot rechtvaardiging. Maar we hebben net gezien dat de cruciale factor bij die rechtvaardiging was dat Abraham ‘in voorhuid’ was. Zou dat hier dan niet terugkomen? Opnieuw is het belangrijk om zorgvuldig te vertalen, met oog voor Paulus’ bijzondere terminologie, ook al levert dat wat lastig Nederlands op. Als we heel dicht bij het Grieks blijven staat er over Abraham: ‘hij ontving het teken van besnijdenis, een zegel van de rechtvaardigheid van het vertrouwen dat in voorhuid was’ (4,11).

In Genesis 17, waar de besnijdenis van Abraham wordt beschreven, wordt besnijdenis een teken van het verbond genoemd (17,11). Hier heeft Paulus het ook over een teken, dit keer niet van het verbond, maar in plaats daarvan ‘het teken van besnijdenis’. Het lijkt alsof besnijdenis zelf dus een teken is geworden, in plaats van een symbool dat naar iets anders verwijst. Daarnaast introduceert Paulus het idee van besnijdenis als een zegel. Een zegel was een blijvend merkteken, een identificatie, bijvoorbeeld gebruikt om een opgerolde brief te sluiten en de afzender te markeren. Het werd gemaakt door de afdruk van iets hards en scherps in een zacht materiaal, zoals was.

Deze twee omschrijvingen bij elkaar, dat besnijdenis zelf het teken is, en de vorm heeft van een zegel, wijst erop dat Paulus iets zegt over de fysieke kant van besnijdenis. In de klassieke interpretatie speelt dat geen rol, daar het gaat immers over ‘rechtvaardiging uit geloof’. Maar die interpretatie stopt met lezen net voor het kernwoord: het is niet zomaar geloof of vertrouwen, maar vertrouwen ‘in voorhuid’. Zoals gezegd is dat voor Paulus het bijzondere en het relevante aspect van Abrahams vertrouwen. En besnijdenis zien als een fysieke markering van de voorhuid, dat is niet zo gek.

Zo bezien zegt Paulus dus dat Abraham gerechtvaardigd werd ‘in voorhuid’, als religieuze buitenstaander, en besnijdenis ontving als een markering van die bijzondere rechtvaardiging. Besnijdenis is dan een teken dat verwijst naar de voorhuid en naar de mogelijkheid om ook als niet-Jood bij God te horen. Door deze bijzondere herinterpretatie van de rechtvaardiging en de besnijdenis van Abraham, creëert Paulus een nieuwe lijn van afstamming, voor niet-Joden. Abraham blijft voor Paulus net als voor andere Joden vanzelfsprekend de vader van besnijdenis en van wie uit besnijdenis is, dus van Joden. Maar daarnaast, door er de nadruk op te leggen dat Abraham en zijn vertrouwen ‘in voorhuid’ waren, is er een tweede groep kinderen bij gekomen. Paulus legt dat uit in het vervolg (4,10-12), waar hij Abraham op twee manieren als de vader van zowel Joden als niet-Joden omschrijft. Hij is de vader van iedereen die vertrouwt op God, een categorie die in deze brief nadrukkelijk Joden en Grieken omvat (zie: 1,16; 2,9-10; 3,9.22), en dat is hij ‘door voorhuid’, dus doordat die tweede groep nu ook bij hem hoort. En hij is ook de vader van besnijdenis, maar niet op de manier waarop dat meestal wordt begrepen. Paulus verduidelijkt dat ‘vader van besnijdenis’ niet alleen verwijst naar wie ‘uit besnijdenis’ is, dus Joods, maar ook wie net als Abraham ‘in voorhuid’ vertrouwt op God. Want besnijdenis is juist een teken van de mogelijkheid om rechtvaardig te zijn terwijl je ‘in voorhuid’ bent. Met deze ongebruikelijke interpretatie van Abrahams besnijdenis zorgt Paulus er dus voor dat niet alleen Joden maar ook anderen zich kunnen beschouwen als de kinderen van Abraham.

Galaten 3: Abraham en de geest

‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend’. Jullie weten dat degenen die uit vertrouwen zijn, dat zijn de kinderen van Abraham. Omdat de Schrift voorzag dat God de volken uit vertrouwen zou rechtvaardigen, verkondigde zij van tevoren aan Abraham: ‘in jou zullen alle volkeren gezegend worden’. Zo worden degenen die uit vertrouwen zijn, gezegend met de trouwe Abraham.
(Galaten 3,6-9)

Ook in Galaten 3 citeert Paulus ditzelfde vers uit Genesis, ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend’ (15,6) en opnieuw gaat het hem om wie telt als de kinderen van Abraham (3,6). Dit keer loopt de verbinding niet via besnijdenis of voorhuid, maar door de zegen die God aan Abraham gaf. Om uit te leggen hoe dit in zijn werk ging stelt Paulus zich het Genesisverhaal over Abraham voor als een persoon, de Schrift. Deze Schrift wist al van de zegen die zou komen in Paulus’ tijd. Daarom verkondigde zij aan Abraham dat alle volken in hem zouden worden gezegend, iets wat Paulus nu om zich heen realiteit ziet worden, wanneer de Galaten zijn boodschap aannemen en op God gaan vertrouwen. De zegen van Abraham komt in Christus tot de volken, wanneer ze de beloofde geest ontvangen (3,14), een geest die Paulus even verderop in Galaten beschrijft de geest van zijn zoon, die God in het hart stuurt (4,6).

Nu worden er in de Genesisverhalen verschillende beloftes aan Abraham gedaan, maar negens wordt verteld dat God hem of zijn nageslacht de geest belooft. In andere, latere Joodse teksten wordt Abraham wel verbonden met Gods geest. Paulus’ tijdgenoot Philo van Alexandrië meent dat Abrahams vertrouwen op God en zijn deugdzaamheid ertoe leidde dat God zijn geest over hem ademde, die zijn ziel binnenging. Het idee dat Abraham en de geest iets met elkaar te maken hebben komt dus misschien niet rechtstreeks uit Genesis, maar kan Paulus wel uit tradities over Abraham hebben afgeleid.

Deze verwantschap tussen de volken en Abraham op basis van vertrouwen op God en het ontvangen van de geest, klinkt een stuk minder lichamelijk dan in Romeinen. In de interpretatie van Paulus’ denken is de tegenstelling geest-vlees lang een belangrijk element geweest. Paulus zou een innerlijke realiteit benadrukken, in plaats van waarde te hechten aan het lichaam en externe handelingen. Geest stellen wij ons voor als iets wat met name in je hoofd zit en te maken heeft met je gedachten. Als je ‘de geest krijgt’ leidt dat weliswaar tot actie, maar het begint van binnen.

Toch is het de vraag of we ons deze geest, dit pneuma, wel zo geestelijk moeten denken als we gewend zijn te doen. In een interessante analyse van Paulus’ houding tegenover de volken, heeft nieuwtestamenticus Matthew Thiessen onlangs betoogd dat hun afstamming van Abraham voor Paulus wel degelijk een fysiek aspect had. In Paulus’ tijd stelde men zich pneuma juist vaak voor als stoffelijk, als materieel. Volgens de invloedrijke filosofie van de Stoïcijnen was pneuma het meest verfijnde materiaal in de wereld; een goddelijke substantie die ervoor zorgde dat de hele kosmos onderling verbonden was. Deze fijne materie kon ook doordringen in minder verfijnde substanties en zich daarmee helemaal vermengen.

Zo zou ook de geest van Christus die de volken ontvangen, hen kunnen doordringen en transformeren. Een belangrijk punt voor Paulus is volgens Thiessen dat dit niet gebeurt op basis van het volgen van de wet, dus bekering tot het jodendom, maar op basis van pistis, trouw aan en vertrouwen op God. Het zijn degenen die ‘uit vertrouwen’ zijn, die kinderen van Abraham kunnen worden. De geest van Christus maakt de volken dan tot godenzonen (3,26) en tot mensen die zich hebben ‘gekleed met Christus’ (3,27). De lichamelijke verbinding met Christus zorgt er vervolgens voor dat de volken net als Joden afstammelingen van Abraham worden. Doordat ze ‘van Christus’ zijn, die zelf weer het zaad van Abraham is (3,16), zijn ze deel van het nageslacht van Abraham en zijn erfgenamen (3,28). Deze nieuwe afstamming is dus niet alleen maar beeldspraak, maar volgens Thiessen ook fysiek gedacht. Omdat de volken gezien werden als zondaars bij uitstek, hadden zij transformatie nodig, om uit hun oude toestand te komen. Het pneuma van Christus maakt die transformatie mogelijk en creëert een lijn in Abrahams genealogie.

Paulus kan dus op twee heel verschillende manieren aanknopen bij de rechtvaardiging van Abraham, om te laten zien wie zijn kinderen zijn. Daarmee nam hij positie in, binnen de discussie hierover onder de volgers van Jezus. Paulus’ opvatting dat ook niet-Joden – onder bepaalde voorwaarden – bij Abrahams familie konden horen, werd niet door iedereen gedeeld. Hoewel het vaderschap van Abraham vaak gezien wordt als een verenigend element in verschillende religieuze tradities, kon het dus ook een strijdpunt zijn, dat mensen niet verbond, maar juist verdeelde.

Literatuur

• Matthew Thiessen, Paul and the Gentile Problem (Oxford: Oxford University Press, 2016).

< Terug