< Terug

Paulus, Filemon en Onesimus?

Pleidooi voor een nieuwe relatie

In het Nieuwe Testament staat de brief aan Filemon als laatste in de reeks van brieven die op naam van Paulus staan. Dat is niet verwonderlijk, aangezien de volgorde van de brieven bepaald is door hun lengte, beginnend met de Romeinenbrief als langste en eindigend met Filemon als overduidelijk de kortste. De brief is zo kort dat opdeling in hoofdstukken overbodig was. Ook de inhoud ervan is opvallend in vergelijking met de andere Paulusbrieven. Het lijkt een persoonlijke brief te zijn, die toevallig tussen de andere brieven is verzeild geraakt. Maar deze eerste indruk is bij nader toezien toch misleidend.

Rembrandt van Rijn (1606-1669), Paulus in de gevangenis – 1627. Staatsgalerie Stuttgart.

Caroline Vander Stichele is hoogleraar Impact van de Bijbel in de Westerse Cultuur aan de Tilburg School of Catholic Theology.

Over de datering en plaats van dit briefje valt niets met zekerheid te zeggen. Er zijn slechts een paar aanknopingspunten met andere brieven. Enerzijds zijn dat een aantal personen die in de brief worden vermeld. Zo noemt Paulus in het eerste vers behalve zichzelf ook ‘onze broeder Timoteüs’ als medeauteur van zijn schrijven. Dat doet hij ook in andere brieven (onder andere Filippenzen 1,1 en 1 Tessalonicenzen 1,1) en twee brieven zijn zelfs aan hem gericht (1 en 2 Timoteüs). Verder brengt Paulus in de slotverzen de groeten over van een aantal mensen, Epafras, Marcus, Aristarchus, Demas en Lucas (vers 23-24), die ook aan het einde van de brief aan de Kolossenzen worden genoemd (4,10-14). In die context is overigens ook sprake van Onesimus, ‘onze trouwe en geliefde broeder die een van u is’ (vers 9). Anderzijds verwijst Paulus herhaaldelijk naar het feit dat hij gevangen zit (verzen 1.9.10.13.23). Dat gegeven komt met name ook in de brief aan de Efeziërs (3,1; 4,1), Filippenzen (1,7.13-17) en Kolossenzen (4,10) voor. Een meer inhoudelijk punt van overeenkomst met de andere brieven is ook het thema slavernij, waar we verder nog op terugkomen. Het speelt zowel letterlijk als figuurlijk een centrale rol in dit korte briefje.

De brief aan Filemon is zo kort dat opdeling in hoofdstukken overbodig was.

Zoals elders het geval is, begint Filemon met een korte inleiding, die bestaat uit een opschrift waarin de auteur en de geadresseerden worden vermeld (1-2), gevolgd door een zegenwens (3). De brief wordt afgesloten met groeten (23-24) en opnieuw een zegenwens (25). Daar tussenin bevindt zich het centrale gedeelte van de brief, dat bestaat uit een pleidooi (4-22). De term ‘pleidooi’ roept het beeld op van een goed voorbereid verhaal waarmee de spreker iets wil bereiken. Dat is hier inderdaad het geval. Dit pleidooi bestaat op zijn beurt ook weer uit drie delen: een dankzegging en aanhef (4-7), de kern (8-16) en een besluit (17-22). Zoals we zullen zien, maakt Paulus gebruik van retorische technieken om zijn zaak zo goed mogelijk te bepleiten. Deze technieken betreffen onder meer de manier waarop hij zichzelf voorstelt, de argumenten die hij gebruikt om zijn zaak te bepleiten en het oproepen van emoties bij zijn publiek.

Uit de kern van zijn verhaal blijkt dat Paulus Filemon schrijft omdat hij hem een gunst wil vragen (10). Die gunst betreft een andere persoon, Onesimus, die zich op dat moment bij Paulus bevindt, maar eigenlijk een slaaf is van Filemon. Paulus stuurt Onesimus naar Filemon terug, ook al zou hij hem eigenlijk liever bij zich houden (13). De brief is duidelijk bedoeld om het pad te effenen voor de terugkeer van Onesimus naar zijn oorspronkelijke eigenaar, Filemon. Paulus maant Filemon Onesimus te ontvangen als ware het Paulus zelf: ‘ontvang hem dan zoals u mij zou ontvangen’ (17). Dat is niet niets, en daar blijft het niet bij. Paulus stuurt er tevens op aan dat Filemon Onesimus naar hem terugstuurt om voor hem te zorgen in de gevangenis. Hij laat Filemon deze ‘keuze’, maar doet dat op zo’n manier dat Filemon zijn verzoek moeilijk naast zich neer kan leggen, want hier komt het statuut van de brief om de hoek kijken. De brief is bij nader toezien immers geen puur persoonlijke correspondentie tussen Paulus en Filemon. In het opschrift vermeldt Paulus ‘onze broeder Timoteüs’ als afzender (1) en hij richt de brief ook niet alleen aan Filemon, maar ook ‘aan onze zuster Apfia en onze medestrijder Archippus, en aan de gemeente die bij u thuis samenkomt’ (2). Daardoor krijgt de brief gelijk een meer publiek karakter.

Paulus maakt gebruik van retorische technieken om zijn zaak zo goed mogelijk te bepleiten.

In wat volgt wil ik mij concreter toespitsen op de rol van de drie hoofdspelers (Filemon, Paulus en Onesimus) in dit hele gebeuren. Daarbij gaat het mij niet om een reconstructie van de gebeurtenissen die tot deze situatie hebben geleid, maar om een reflectie op hun positie in de context van deze brief en de relevantie die dit heeft voor ons verstaan van deze brief.

‘Aan onze geliefde medewerker Filemon’ (1)

De enige informatie die we over Filemon hebben, komt uit de brief zelf, die in eerste instantie aan hem is gericht. Paulus noemt hem in het opschrift ook nog ‘geliefd’ en ‘onze medewerker’. Het thema van de liefde komt verderop terug. In vers 5 verwijst Paulus naar de liefde en trouw van Filemon en hij voegt daar in vers 7 aan toe dat deze liefde hem veel vreugde en troost heeft gegeven. Op die manier prijst Paulus eerst deze verdienste van Filemon en haalt hij zo ook de banden nauwer aan, om hem vervolgens een concreet verzoek te doen. In vers 8 merkt Paulus fijntjes op dat hij, gezien zijn positie, Filemon eigenlijk gewoon kan zeggen wat hij moet doen, maar daar ziet hij vanaf. Hij geeft daarentegen ‘omwille van de liefde’ de voorkeur aan een verzoek (9). Het wordt dan ook erg moeilijk voor Filemon dit verzoek te weigeren. Dat Paulus zich wel bewust is van het feit dat Filemon zich onder druk gezet kan voelen, blijkt uit zijn opmerking verderop in de brief: ‘u moet mij niet een gunst verlenen, omdat ik u onder druk zet, maar omdat u het zelf wilt’ (14).

In het eerste vers noemt Paulus Filemon echter ook ‘onze medewerker’. Dat maakt duidelijk dat Filemon een actieve rol speelt in de christelijke beweging. Daarnaast noemt hij aan het einde van de brief Marcus, Aristarchus, Demas en Lucas eveneens zijn medewerkers. De benaming ‘medewerker’ treffen we ook nog elders in Paulus’ brieven aan. Timoteüs wordt in Filemon 1 ‘broeder’ genoemd, maar elders voorgesteld als medewerker (Romeinen 16,21; 1 Tessalonicenzen 3,2). In 1 Korintiërs 16,3 noemt hij Prisca en Aquila medewerkers, die zelfs hun leven voor hem op het spel hebben gezet en in dezelfde brief schrijft hij over zichzelf en Apollos: ‘Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker’ (1 Korintiërs 3,9). Door Filemon medewerker te noemen, geeft Paulus dus aan dat ze zich samen inzetten voor dezelfde zaak, die hen met elkaar verbindt.

Dat Filemon daarin een leidende rol speelt, blijkt eveneens uit het feit dat Paulus zich in het eerste vers ook richt tot ‘de gemeente die bij u thuis samenkomt’. Filemon was dus de ‘heer des huizes’ en dat zegt iets over zijn maatschappelijke positie. Zoals uit Romeinen 16,5 en 1 Korintiërs 16,20 blijkt, was er ook een gemeente aan huis bij de reeds eerder genoemde Prisca en Aquila en in 1 Kolossenzen 4,15 is er sprake van een gemeente die samenkomt in het huis van Nymfa. Het zal inmiddels wel duidelijk zijn dat Filemon voor Paulus om meer dan één reden belangrijk was: gezien zijn aandeel in de verspreiding van het geloof, gezien zijn persoonlijke band met Paulus en als eigenaar van Onesimus.

‘Van Paulus, gevangene omwille van Christus Jezus’ (1)

Paulus valt gelijk met de deur in huis wat zijn eigen situatie betreft. Hij is gevangengenomen ‘omwille van Christus Jezus’. Daarmee begint hij zijn brief, maar daar blijft het niet bij. Hij komt er ook nog verschillende keren op terug (9.10.13.23). Dat alleen al doet vermoeden dat het van belang is voor het onderwerp van zijn schrijven. Paulus herhaalt daarbij uitdrukkelijk dat hij gevangen zit omwille van zijn geloof (9.13.23). Deze omstandigheid legitimeert tevens zijn beroep op Filemon als medegelovige. Hij komt daar in vers 9 op terug. Daar omschrijft hij zichzelf bovendien als een man op leeftijd (presbutès), gevangen omwille van zijn geloof, die Filemon een verzoek wil doen. Dit vers zit strategisch tussen vers 8 en 10 in en is daardoor mogelijk dubbelzinnig, omdat Paulus net gezegd heeft dat hij Filemon niet wil opdragen iets te doen, alhoewel hij dat wel zou kunnen. De verwijzing naar zowel zijn leeftijd als zijn gevangenschap omwille van Christus dragen in dat geval eerder bij aan zijn gezag, dan dat ze daar iets vanaf doen. Maar met het oog op vers 10, waarin Paulus met zijn verzoek op de proppen komt, kunnen beide ook als ‘verzachtende omstandigheden’ worden opgevat, die Paulus als noodlijdend voorstellen: hij is een oude man die in de gevangenis zit en hulp nodig heeft. Dat blijkt ook uit vers 13 waar Paulus aangeeft dat Onesimus hem van dienst zou kunnen zijn (diakoneo) tijdens zijn gevangenschap.

Aan het eind van de brief blijkt overigens dat Paulus daar niet alleen is, maar dat Epafras om dezelfde reden gevangen zit (23). Waar Paulus zich precies bevindt, zegt hij niet. Ook in andere brieven komen er verwijzingen voor naar zijn gevangenschap. Dat is onder meer het geval in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Filippenzen. Daar schrijft Paulus: ‘Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangen zit omwille van Christus’ (Filippenzen 1,13). Ook noemt hij de verkondiging van het evangelie de aanleiding daartoe. Verder treffen we, zoals eerder al aangegeven, ook nog verwijzingen naar Paulus’ gevangenschap aan in Efeziërs, Kolossenzen en 2 Timoteüs, maar het is niet zeker of deze brieven wel van Paulus zelf afkomstig zijn. Het boek Handelingen laat ik hier verder buiten beschouwing.

In deze omstandigheid doet Paulus aan Filemon een verzoek, maar hij laat daarbij niet na te wijzen op zijn gezag (8.19). Hij voegt daar tot slot in vers 21 nog aan toe: ‘Ik heb u geschreven in het volste vertrouwen dat u mijn verzoek zult inwilligen, ik weet dat u zelfs meer zult doen dan dat’. Eigenlijk laat hij Filemon dus weinig keuze. De relatie tussen beiden wordt door Paulus duidelijk als een hiërarchische verhouding voorgesteld, waarin hij de meerdere is.

‘Onesimus, die tijdens mijn gevangenschap mijn kind is geworden’ (10)

De concrete aanleiding voor Paulus’ schrijven aan Filemon betreft Onesimus, maar daar komt hij pas halverwege de brief mee aanzetten: ‘Ik zou u om een gunst willen vragen voor Onesimus’ (10). Pas in vers 16 wordt duidelijk dat het om een slaaf van Filemon gaat. Onesimus was een naam die vaak gebruikt werd voor slaven en betekent ‘nuttig’. Daar maakt Paulus trouwens een toespeling op wanneer hij in vers 11 schrijft: ‘Hij was u destijds niet van nut (a-chrèston), nu kan hij echter niet alleen mij, maar ook u goede diensten (eu-chrèston) bewijzen’. Paulus erkent Filemon dus als de rechtmatige eigenaar van Onesimus en stuurt hem daarom naar Filemon terug, maar niet zonder duidelijk te maken wat zijn relatie tot Onesimus is. Onesimus, zo zegt hij, is het kind dat hij in gevangenschap heeft voortgebracht. Dat bedoelt Paulus uiteraard niet letterlijk. Hij gebruikt hier een beeld dat refereert aan de relatie tussen ouders en kinderen om aan te geven dat Onesimus door zijn toedoen het geloof in Christus heeft aangenomen. Maar dat verandert volgens Paulus tevens de relatie tussen Filemon en Onesimus. Filemon krijgt Onesimus nu terug ‘niet meer als een slaaf, maar als veel meer dan dat, als een geliefde broeder’ (16). Dat is hij ook al voor mij, voegt Paulus er nog aan toe, maar hij gaat zelfs nog een stap verder. Filemon moet hem ontvangen als ware hij Paulus zelf (17).

Over de precieze omstandigheden waarin Onesimus verkeerde en hoe hij bij Paulus is terechtgekomen, daarover weten we verder niets. Paulus verklaart zich bereid eventuele schade die Filemon zou hebben geleden, zélf te vergoeden en voegt daar vervolgens aan toe: ‘Ik ga er dan maar aan voorbij dat u mij uw eigen leven schuldig bent’ (19). Dat maakt het opnieuw zo goed als onmogelijk voor Filemon om Paulus daarvoor iets terug te vragen.

Slotbeschouwingen

Paulus schrijft een brief aan Filemon om de zaak van Onesimus te bepleiten en deze brief wordt vervolgens in het Nieuwe Testament opgenomen bij de brieven van Paulus. Daardoor is dit briefje gecanoniseerd en heeft het een ander statuut gekregen. In deze brief dringt Paulus bij Filemon aan op een gewijzigde houding tegenover Onesimus op grond van zijn geloof in Christus. Hij is nu een geliefde broeder geworden en dat verandert de zaak. Hij is niet langer ondergeschikt als slaaf, maar gelijkwaardig als broeder in het geloof. In het eerste geval domineert de verhouding meester-slaaf, in het tweede geval de verhouding tussen kinderen onderling. Onesimus wordt nu, in principe althans, gelijkwaardig aan ‘onze broeder Timoteüs’ (1) en ‘onze zuster Apfia’ (2) binnen de grote familie die de geloofsgemeenschap is.

Paulus laat verstaan dat hij hem liever bij zich had gehouden en hoopt misschien dat Filemon hem terug zal sturen. Onesimus zelf heeft daarin geen inspraak. Hij is slechts het onderwerp van gesprek tussen twee geschoolde mannen. Paulus erkent het recht van Filemon als eigenaar van zijn slaaf door hem terug te sturen. Onvermijdelijk rijst hier de vraag hoe dit spoort met uitspraken in andere brieven die op naam van Paulus staan. Enerzijds schrijft Paulus in Galaten 3,26-28 dat er door de doop geen ‘slaven of vrijen’ meer bestaan, omdat allen kinderen van God en één in Christus zijn. Anderzijds roept hij in 1 Korintiërs 7,20-24 iedereen, vrijen én slaven, ertoe op te blijven in de staat waarin men geroepen werd. En in de latere brieven, die mogelijk niet van Paulus zelf afkomstig zijn, maar wel op zijn naam staan, worden slaven opgeroepen tot gehoorzaamheid aan hun meesters (Kolossenzen 3,22-24 en Efeziërs 6,5-8). Het zijn standpunten die, voor ons althans, moeilijk met elkaar te verzoenen zijn, omdat ze elkaar tegen lijken te spreken. Een ander punt betreft het publiek. De brief is in de loop van de geschiedenis gelezen door mensen in zeer uiteenlopende maatschappelijke situaties. Ook dat heeft invloed op de manier waarop deze tekst is, en nog steeds wordt, begrepen. Was Onesimus een weggelopen slaaf, die zijn toevlucht zocht bij Paulus, in de hoop op vrijheid? Werd hij door Filemon slecht behandeld? Wie zelf in slavernij verkeert, zal de brief ongetwijfeld anders lezen en zich wellicht eerder identificeren met het lot van Onesimus dan wie een vrij mens is. Een bootvluchteling heeft een andere kijk dan iemand die een veilige plek heeft om te wonen. Het is belangrijk ook deze meerstemmigheid een plek te geven bij het lezen van deze kleine brief.

Wie zelf in slavernij verkeert, zal de brief ongetwijfeld anders lezen dan wie een vrij mens is.

Literatuur

• Larry J. Kreitzer, Philemon (Readings: A New Biblical Commentary; Sheffield: Sheffield Phoenix Press 2008).

• Joop Smit, Wat Paulus bezielde: Een staalkaart van zijn brieven (Berne: Berne Media 2017).

• Caroline Vander Stichele, “De brief aan Filemon.” In: Jan Fokkelman en Wim Weren (red.), De bijbel literair: Opbouw en gedachtengang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties (Zoetermeer: Meinema; Kapellen: Pelckmans 2003), 677-682.

< Terug