< Terug

Paulus’ verhandeling over de opstanding

1 Korintiërs 15

In 1 Korintiërs 15 lijkt Paulus het thema van de opstanding der doden uitvoerig te behandelen, maar toch is dat slechts ten dele juist. Hoewel nergens in het Oude en het Nieuwe Testament dit thema zo breedvoerig aan de orde komt als in dit hoofdstuk, is het voor latere lezers pijnlijk beknopt en op allerlei plaatsen onduidelijk. De reden hiervan is dat Paulus aan een gemeente die hij goed kende een brief heeft geschreven en geen catechetisch handboekje voor algemeen gebruik.1

Zijn brief gaat in op de concrete situatie in Korinte, maar Paulus heeft er – en wie zou het hem kwalijk nemen? – niet aan gedacht voor latere lezers toe te lichten wat die omstandigheden waren. Op grond van zijn reacties en terloopse opmerkingen is het achteraf mogelijk een indruk daarvan op te doen, maar vaak niet meer dan dat. Neem nu de uitspraak van sommige Korintiërs, die de aanleiding tot Paulus’ betoog over de opstanding vormt: ‘Er is geen opstanding van doden’ (1 Kor. 15:12).2 Een eerste vraag hierbij is: is deze informatie juist? Of geeft Paulus de opvatting van deze gelovigen verkeerd weer omdat hij die niet goed heeft begrepen? En als hij hen wel correct citeert, wat bedoelden zij dan? Bedoelden zij: dood is dood, na de dood blijft er niets van de mens over? Of: na de dood leeft wel de ziel van de mens, maar niet het lichaam voort, en het lichaam wordt ook niet op een later tijdstip uit de dood opgewekt? Of bedoelden zij: er is geen ‘eschatologische’ opstanding van de doden, omdat wij in de doop al uit de dood zijn opgestaan? (Vgl. daarvoor 1 Kor. 4:8; 2 Tim. 2:18.) De aanleiding tot Paulus’ betoog roept dus vragen op die niet zo eenvoudig te beantwoorden zijn.

Dat Paulus op het thema van de opstanding ingaat, lijkt in de lijn te liggen van zijn behandeling van diverse andere onderwerpen in deze brief, zoals seksualiteit en onthouding daarvan, het eten van heidense offers, de gaven van de Geest en de collecte voor de gemeente te Jeruzalem. Toch is er een belangrijk verschil. Paulus leidt de behandeling van deze thema’s in met de woorden: ‘Wat betreft (peride) de zaken waarover jullie mij hebben geschreven’ (1 Kor. 7:1) en vervolgens: ‘Wat betreft..’ (1 Kor. 8:1; 12:1; 16:1, 12). Maar over de opstanding der doden hebben de Korintiers hem kennelijk niet geschreven, want dit onderwerp leidt hij anders in. In 1 Korintiers 15:1 begint hij namelijk met: ‘Ik maak u bekend, broeders..’ zonder naar enigerlei vraag te verwijzen. Vermoedelijk hebben de huisgenoten van Chloe hem over de geciteerde opvatting over de opstanding verteld toen ze hem in Efeze opzochten en hem de brief uit Korinte bezorgden (1 Kor. 1:11; 16:8).

Niet door Paulus bedacht

Hoewel wij als latere lezers Paulus’ betogen soms niet geheel kunnen volgen, is er veel uit zijn brief te leren. Zo citeert hij in het begin van 1 Korintiers 15 het evangelie dat hij zelf heeft ontvangen en aan de Korintiers heeft doorgegeven. Het gaat over Christus’ dood, begrafenis, opstanding en verschijningen. Nergens anders lezen we die vroege samenvatting van het oudste geloof aangaande Jezus’ dood en wat daarop volgde. Als Paulus dit evangelie inderdaad heeft ‘ontvangen’ in de formulering die hij citeert, dan betekent dit dat het dateert uit de eerste helft van de jaren 30, toen hij erkende dat de gekruisigde Jezus de Christus was en dat deze leefde en derhalve uit de doden was opgestaan. Kennelijk behoorde tot die oude samenvatting ook al dat zijn dood had plaatsgevonden ‘voor onze zonden’. Dan heeft niet Paulus deze prediking bedacht, zoals soms wordt gedacht, maar was dit de overtuiging die hem werd meegedeeld toen hij contact kreeg met anderen die in Jezus geloofden. In historisch en theologisch opzicht is dat belangwekkend genoeg.

Toch laat deze passage veel in het ongewisse. We zagen al dat Paulus schrijft: ‘Ik maak u bekend..’ (gn6riz6, 1 Kor. 15:1), maar de Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt dit terecht zakelijk als: ‘ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb’. Tijdens zijn verblijf te Korinte (van anderhalf jaar, volgens Hand. 18:1-11) heeft Paulus ruimschoots de gelegenheid gehad tot het geven van catechetisch onderricht, waaraan hij in deze brief inderdaad kort kan herinneren. Wat zouden we graag willen weten aan welke schriftgedeelten hij dacht toen hij in 1 Korintiers 15:3-4 schreef dat Christus is gestorven voor onze zonden en op de derde dag is opgewekt volgens de Schriften! We kunnen wel iets bedenken, bijvoorbeeld het lied van de lijdende knecht des Heren (Jes. 53), maar anders dan andere auteurs van het Nieuwe Testament citeert Paulus het nooit in de brieven die wij van hem hebben.3

Vrouwen met opzet weggelaten?

Een ander voorbeeld van een lacune in onze kennis. Paulus’ opsomming van getuigen van Christus’ verschijningen in 1 Korintiers 15:5-7 is theologisch van groot belang. Deze getuigen staan voor hem garant voor de realiteit van Christus’ opwekking uit de doden. Maar we zouden toch graag iets meer hebben willen lezen over Christus’ verschijning aan die vijfhonderd gelovigen en aan zijn broer Jacobus. Die vijfhonderd komen nergens in de vroegchristelijke literatuur terug. Er zijn wel apocriefe verhalen over een verschijning van Jezus aan Jacobus, maar die kunnen amper of niet betrouwbaar worden geacht.4 De canonieke evangelien zwijgen erover. Paulus acht deze tradities bekend, blijkbaar omdat hij ze heeft uiteengezet toen hij in Korinte werkzaam was. Wie Paulus’ opsomming leest en bekend is met de canonieke evangelien, vraagt zich bovendien af waarom de vrouwen die daar van Jezus’ opwekking getuigen niet in dat lijstje voorkomen (vgl. bijv. Luc. 24:1-10). Kende hij die getuigenissen niet? Of heeft hij de vrouwen met opzet weggelaten? We weten het niet. In ieder geval polemiseert hij niet expliciet tegen de traditie dat vrouwen als eersten hebben betuigd dat Jezus uit de doden was opgewekt.

Iets soortgelijks kan worden opgemerkt over de verhalen van de evangelien waarin wordt beschreven dat het graf waarin Jezus was gelegd op de derde dag leeg was. Het is opmerkelijk dat Paulus het lege graf niet expliciet vermeldt. Maar betekent dit dat hij hiervan niet wist of dat hij dat verhaal niet geloofwaardig achtte of dat het volgens hem geen overtuigend argument voor Christus’ opwekking was? Het is niet uit zijn betoog op te maken. Aangezien Paulus wel vermeldt dat Christus is begraven en op de derde dag is opgestaan, kunnen we vermoeden dat hij toch wel met de traditie van een leeg graf bekend was. Maar in zijn argumentatie speelt het geen enkele rol; van belang zijn voor hem alleen de getuigen van Christus’ verschijningen.

Doop voor de doden

In zijn argumentatie voor de overtuiging dat er wel degelijk een opstanding van doden zal zijn, schetst hij een parallel tussen Adam en Christus (1 Kor. 15:22). Hij schrijft dan dat in Christus allen levend gemaakt zullen worden. Inderdaad alle mensen? Of bedoelt hij alleen hen die in Christus hebben geloofd? In 1 Korintiers 15:23 zoomt hij in op hen die van Christus zijn bij zijn komst. Maar in de volgende verzen schetst Paulus met een paar pennenstreken een apocalyptische strijd, die erop zal uitlopen dat God alles in allen zal zijn (1 Kor. 15:24-28). Toch een universalistisch vooruitzicht dus, na een uniek en uiterst beknopt beschreven scenario.

In zijn betoog verwijst Paulus naar hen die zich voor de doden lieten dopen (1 Kor. 15:29). We zouden graag iets meer over hen willen weten! Paulus wijst dat gebruik niet af, maar verwijst ernaar als argument voor het geloof dat de doden inderdaad zullen worden opgewekt. Ook hier geldt dat oudchristelijke getuigenissen van dit gebruik te laat zijn om hierop licht te kunnen werpen;5 groepen die later een doop voor doden toedienden, deden dat vermoedelijk op grond van deze terloopse vermelding.

Geestelijke opstanding?

Wat uit Paulus’ betoog wel duidelijk wordt, is dat hij concludeert dat de doden zullen opstaan met een geestelijk lichaam (1 Kor. 15:44). Moeten we hierbij de nadruk leggen op ‘lichaam’, zoals Irenaeus van Lyon al meende, of op ‘geestelijk’, zoals Origenes van Alexandrië deed? Gaat het om een in zekere zin materieel lichaam dat door de Geest wordt vervuld en geleid, of om een lichaam van een etherische, geestelijke substantie?6 Dat is niet onbelangrijk, want in het tweede geval kende Paulus hoogstwaarschijnlijk ook aan Christus zo’n geestelijk opstandingslichaam toe. Tegen de gnostische spiritualisering van de opstanding van de doden hielden kerkleiders uit de tweede en derde eeuw aan de gelovigen de belijdenis van ‘de opstanding van het vlees’ voor, maar paulinisch is die formulering niet. Vermoedelijk dacht Paulus zelf aan een engelachtig bestaan, zoals we dat kennen uit de evangeliën (bijv. Luc. 20:36) en uit de vroegjoodse Openbaring van Baruch (51:1-10; van 70-100 na Chr.).

Merkwaardig is dat Paulus zich in zijn argumentatie voor de opstanding der doden aanvankelijk amper op de Schriften beroept, afgezien van de algemene vermelding van Christus’ opwekking ‘volgens de Schriften’, de verwijzingen naar Adam (1 Kor. 15:22, 45) en twee zinspelingen op Psalm 8 en 110 (1 Kor. 15:25-26). Alleen aan het eind van zijn betoog citeert hij vrijelijk een combinatie van twee schriftwoorden die ervan getuigen dat de dood wordt overwonnen (1 Kor. 15:54-55; Jes. 25:8; Hos. 13:14). Kort na het Jesajacitaat is bij deze profeet te lezen: ‘uw doden zullen leven… zij zullen opstaan’ (Jes. 26:19), maar hoewel Paulus deze tekst moet kennen, gaat hij eraan voorbij, evenals aan andere schriftteksten die van opstanding van doden lijken te getuigen. Misschien meende hij dat een beroep op de Schrift de kritische Korintiërs niet zou overtuigen en dat hij beter een betoog met sluitende argumenten kon opzetten. Het is opvallend dat expliciete schriftcitaten in deze brief wel vaker functioneren als illustratie of als bekrachtiging achteraf, als Paulus zijn visie al heeft gegeven.

De grote lijn

Hoewel Paulus geen catechetisch handboekje schreef, is de grote lijn van dit hoofdstuk wel duidelijk. In 1 Korintiërs 15:111 betuigt hij dat Christus uit de doden is opgewekt, met als argument dat hij aan een groot aantal leerlingen is verschenen, ten slotte ook aan hemzelf, toen hij nog de gemeente vervolgde. Christus’ opwekking beschouwt hij als hét argument tegen de door sommigen gehuldigde opvatting dat er geen opstanding van doden is (1 Kor. 15:12-19). Vervolgens argumenteert Paulus dat Christus’ opwekking vooruitloopt op de algehele opstanding, waarvoor hij het apocalyptische scenario schetst dat eindigt met Christus’ en Gods algehele overwinning op alle vijandelijke machten, inclusief de dood (1 Kor. 15:20-28). De korte passage in 1 Korintiërs 15:29-34 bevat enkele uit het leven gegrepen argumenten voor de realiteit en het belang van de opstanding. Is er geen opstanding, dan kunnen mensen maar raak leven, meent Paulus. Kennelijk behelst de opstanding volgens hem een oordeel over ieders leven, maar hier gaat hij daar niet nader op in.

Wel acht hij het noodzakelijk te verklaren hoe de opstanding in haar werk zal gaan. Paulus probeert dit te verhelderen naar aanleiding van zaad dat moet sterven alvorens het uitspruit (1 Kor. 15:35-38). Toewerkend naar het soort lichaam dat mensen in de opstanding zullen hebben, betuigt hij dat er verschillende soorten ‘vlees’ (sarx) en lichamen (sômata) en glans (doxa) zijn (1 Kor. 15:39-41). Hij stelt dat er – bij het sterven – een ‘ziels’ (psuchikos) lichaam wordt gezaaid en – in de opstanding – een geestelijk (pneumatikos) lichaam wordt opgewekt. Hij beargumenteert dit onderscheid met een verwijzing naar de eerste en de laatste Adam. De laatste Adam noemt hij de mens uit de hemel, met wie hij Christus bedoelt, wiens beeld ‘wij’ zullen dragen (1 Kor. 15:42-49). Over ongelovigen heeft hij het hier blijkbaar niet of toch wel?

Paulus verklaart dat mensen niet met hun materiële lichaam van ‘vlees en bloed’ het koninkrijk van God beërven (1 Kor. 15:50); met die uitdrukking varieert hij op de term ‘opstanding’. Ten slotte onthult hij iets dat hij vroeger kennelijk niet zo heeft onderwezen, namelijk hoe bij de opstanding de doden tot onvergankelijkheid zullen worden opgewekt en ‘wij’ die dan leven met onsterfelijkheid zullen worden bekleed. Evenals in 1 Korintiërs 15:26 betuigt Paulus dat de dood dan zal zijn overwonnen, zoals de Schrift leert (1 Kor. 15:5155).

Met enkele opmerkingen (1 Kor. 15:56-58) besluit hij zijn betoog en gaat hij over op de collecte voor de gemeente in Jeruzalem. Ons als latere lezers duizelt het – of niet meer, omdat Paulus’ uiteenzetting ons vertrouwd is geworden.

< Terug