< Terug

Petrus en Paulus

Gingen hun wegen uiteen?

Paulus wordt vaak als ‘de apostel van de heidenen’ aangeduid. Zo zag hij zichzelf ook, in ieder geval toen hij zijn brief aan de Galaten schreef. Volgens die brief was er ooit in Jeruzalem overeengekomen dat Petrus een missie had voor de joden en Paulus voor de niet-joden. Het conflict waarin hun wegen scheidden, bevestigde deze verdeling nog eens, althans volgens Paulus in diezelfde brief. Maar was dit wel zo?

Er is door exegeten veel geschreven over de ontmoetingen tussen Petrus en Paulus, en dan met name over de vraag hoe Paulus’ relaas in Galaten 1-2 te rijmen is met de gegevens in het boek Handelingen.1 Het exegetische debat spitst zich dan vooral toe op het scenario en de chronologie, want het lijkt erop dat de auteurs van Galaten en Handelingen een verschillend beeld hebben van wat precies wanneer gebeurde en in welke omstandigheden.

Galaten 1-2

Paulus geeft in Galaten 1 en 2 een gedeeltelijke levensschets van zichzelf, bedoeld om helder te maken dat hijzelf nooit heeft aangestuurd op een breuk in beleid met de Jeruzalemse apostelen, maar er juist alles aan gedaan heeft om met hen op één lijn te blijven. In zijn verhaal is plaats voor twee ontmoetingen met Petrus in Jeruzalem en nog een derde in Antiochië. Over het eerste bezoek schrijft Paulus alleen dat het drie jaar na zijn ommekeer plaatsvond, dat hij vijftien dagen bij Petrus verbleef en dat hij toen van de andere apostelen alleen Jakobus de Meerdere ontmoette (1:18-19). Het tweede bezoek vond meer dan tien jaar later plaats. Paulus heeft het over veertien jaar, maar exegeten zijn het er niet over eens vanaf welk moment we dan moeten rekenen: opnieuw vanaf Paulus’ ommekeer, of vanaf zijn eerste bezoek aan Jeruzalem. Hoe dan ook, Paulus heeft inmiddels naam gemaakt met zijn zendingswerk in Klein-Azië, en hij gaat met Barnabas en Titus naar Jeruzalem, volgens eigen zeggen om zich ervan te verzekeren dat het evangelie dat hij predikt in overeenstemming is met de boodschap die de eerste getuigen van Jezus verkondigen. De aanwezigheid van Titus is van belang, want hij is een niet-besneden christen. Als de Jeruzalemse gemeente en haar leiders hem aanvaarden, is daarmee Paulus’ missionaire beleid gesanctioneerd, namelijk om van toetreders tot de christelijke gemeenschap niet te verlangen dat ze zich houden aan de mozaïsche geboden.

Zoals Paulus het beschrijft, werd op het besnijden van Titus alleen aangedrongen door ‘valse indringers’, door krachten die niet tot de gezaghebbende kern van de gemeenschap behoorden (2:4). De steunpilaren van de gemeenschap gaven met een handdruk te kennen dat ze fiducie hadden in Paulus’ missie onder de heidenen – en zoals Paulus het hier opschrijft, is daarmee een soort verdeling van het werkterrein bezegeld. Paulus zal onder de heidenen werken en heeft de zegen van de andere apostelen, die zich zullen toeleggen op verkondiging onder de joden (2:7-9). Paulus moet alleen beloven dat hij de armen zal gedenken (2:10) – een clausule die door de uitleggers doorgaans wordt opgevat als een afspraak om op zijn werkterrein geld in te zamelen voor de armenzorg van de Jeruzalemse moedergemeente.

Het relaas van Paulus loopt uit op de summiere beschrijving van een incident dat na de tweede Jeruzalemse ontmoeting plaatsvindt in Antiochië. Petrus is op bezoek in de christelijke gemeenschap aldaar, de thuisbasis van Paulus en Barnabas. Hij voelt zich klaarblijkelijk vrij om aan tafel te gaan met niet-joodse gemeenteleden die zich niet aan de mozaïsche voedselregels houden. Maar dan arriveren er joodse christenen uit zijn eigen Jeruzalemse gemeenschap die liever apart eten om zich aan de spijswetten te kunnen houden. Petrus gaat vanaf dat moment niet meer met de heidenchristenen aan tafel, maar voegt zich bij zijn Jeruzalemse achterban en verleidt daarmee ook een aantal anderen, onder wie Barnabas, om zich bij de koosjere tafel te voegen (2:11-13). Paulus vertelt dat hij Petrus daarop publiekelijk aanspreekt omdat hij het een verwerpelijke handelwijze vindt. Want – zo stel ik me Paulus’ gedachtegang voor – van het gedrag van Petrus gaat de suggestie uit dat het toch de voorkeur verdient om in goed mozaïsch gezelschap te verkeren, en dat de christenen uit de heidenen van een mindere categorie zijn zolang ze zich niet aan de joodse leefregels houden.

Hoe Petrus op die openlijke reprimande gereageerd heeft, vertelt Paulus helaas niet. Hij gaat door met het inhoudelijke betoog waarom het hem begonnen was, over het geloof in Jezus dat ons vrijstelt van het letterlijk opvolgen van de mozaïsche leefregels. Op de gebeurtenissen komt hij niet meer terug. Dat geeft wel de wrange nasmaak dat Petrus afgeserveerd is, althans voor de missie waarop Paulus zich toelegt. Met zijn beschrijving van het incident lijkt Paulus te willen zeggen dat Petrus zich inderdaad beter tot de joodse missie kan beperken, omdat hij in heidens gezelschap zijn christelijke rug niet recht weet te houden als er wetsgetrouwe joden opduiken.

Klopt het beeld?

In het boek Handelingen worden de gebeurtenissen heel anders beschreven – dermate anders, dat er onder de deskundigen geen overeenstemming is over de vraag of het ‘apostelconvent’ te Jeruzalem waarover in Handelingen 15 wordt verteld, wel de vergadering zijn waarover Paulus het in Galaten 2:1-10 heeft. In Handelingen lezen we helemaal niets over een werkverdeling waarbij Paulus de apostel van de heidenen wordt, terwijl Petrus en Jakobus zich tot de missie onder de besnedenen beperken. Integendeel: volgens Handelingen 10 is Petrus de eerste die met het evangelie buiten de joodse kring gezonden wordt – hij krijgt er zelfs een visioen voor dat hem moet bevrijden van de schroom om aan een niet-koosjer gastmaal deel te nemen. En volgens Handelingen ging Paulus in de steden waar hij kwam, steevast eerst zijn boodschap verkondigen in de joodse gemeenschap – helemaal tot het laatst, tot in toe.

Het is goed mogelijk dat de schrijver van Handelingen zich erop heeft toegelegd om de verhoudingen tussen Petrus en Paulus, of tussen de Jeruzalemse Jezusbeweging en de paulinische, harmonieuzer weer te geven dan ze in werkelijkheid waren. Het bezoek van Petrus in Antiochië waarbij Paulus zich volgens Galaten 2 zo kwaad heeft gemaakt, wordt in Handelingen helemaal niet genoemd. Heeft Paulus het verzonnen, of is het in Handelingen welbewust weggelaten? Zoveel is zeker: beide auteurs schrijven vanuit een eigen gedrevenheid en met een sterke doelgerichtheid. De schrijver van Handelingen doet weliswaar niet alsof de hele geloofsbeweging altijd harmonieus verliep, maar beschrijft die wel als één beweging, één zending. Hij houdt de verhalen over Petrus en Paulus niet apart, maar vlecht ze ineen door de roeping van Saulus al te vertellen in Handelingen 9. Daarna volgt tot en met hoofdstuk 12 een lange afdeling Petrus voordat het verhaal van Paulus wordt vervolgd. In die hoofdstukken voert juist Petrus het eerste pleidooi voor een vrije omgang met heidenen (11:1-18). Handelingen presenteert Petrus en Paulus heel sterk als voorsprekers van dezelfde zaak, werkend vanuit eenzelfde beleid, beiden gezonden tot joden en heidenen.

Misschien kun je zeggen dat Paulus in Galaten 1-2 een beleidsverschil op scherp zet dat in Handelingen wordt geflatteerd. Bovendien is de tekst van een brief een momentopname: het is hoe de auteur de zaak op dat ene moment en in het vuur van zijn betoog voorstelt. Paulus pleit hier radicaal voor de vrijheid van gemeenschappen en hun leden om volgelingen van Jezus te zijn zonder de mozaïsche leefregels te hoeven volgen. Diezelfde vrijheid verdedigt hij ook in bijvoorbeeld Romeinen 14 en 1 Korintiërs 10, maar daar vraagt hij van zijn ‘vrije’ medegelovigen ook nadrukkelijk begrip voor geloofsgenoten die zich aan de mozaïsche geboden gebonden achten. De Paulus van Romeinen 14 en 1 Korintiërs 10 zou misschien wel vinden dat de Paulus van Galaten 2:11-14 de zaak wel erg op de spits dreef, en dat het verstandiger zou zijn om naar een modus vivendi te zoeken waarbij niemand zijn geweten geweld aan hoeft te doen.

Handelingen 15

Het lijkt me zinnig om ervan uit te gaan dat Galaten 2:1-10 en Handelingen 15 over één en hetzelfde apostelconvent gaan – ondanks het feit dat de beschrijvingen op een aantal punten niet met elkaar overeenstemmen. Paulus en Barnabas reizen af naar Jeruzalem om de inhoud van hun verkondiging af te stemmen met Petrus en de christelijke gemeenschap aldaar, met name op het punt van de leefregels. De apostelen moeten gezamenlijk tot een helder standpunt komen, namelijk dat van een niet-jood die toetreedt tot de geloofsgemeenschap niet wordt verlangd dat hij zich laat besnijden.

In het boek Handelingen wordt het verloop van de vergadering zo beschreven: eerst is er een heftige discussie. Dan voert Petrus een pleidooi om de heidenchristenen niet het juk van de mozaïsche geboden op te leggen. Vervolgens vertellen Paulus en Barnabas over hun zendingsreis. Daarna neemt Jakobus het woord: hij onderschrijft het pleidooi van Petrus en doet het praktische voorstel dat er een lijstje wordt gemaakt van de minimale leefregels waaraan elke gelovige zich wél moet houden. De gemeenschap aanvaardt dit voorstel. Paulus en Barnabas krijgen een verklaring op schrift mee, en er gaan ook twee afgezanten van de Jeruzalemse gemeente mee naar Antiochië om te betuigen dat dit inderdaad het standpunt van de apostelen is.

Handelingen geeft ook de tekst van de schriftelijke verklaring. Daarin staat (15:28-29):

Want het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht u verder geen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: dat u zich onthoudt van afgodenoffers, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Als u zich van deze dingen onthoudt, zult u juist handelen.

Afgodenoffers en maaltijden

Als er inderdaad zo’n schriftelijke verklaring is afgegeven, en als Paulus in Galaten 2 wil onderstrepen dat hij altijd in overleg en overeenstemming met Petrus en de Jeruzalemse oudsten heeft gehandeld – waarom vermeldt Paulus dan niet het bestaan van dat document? Volgens sommige uitleggers kon Paulus dat niet doen omdat zijn brief aan de Galaten al geschreven was v66r het apostelconvent van Handelingen 15 – en zij menen dus dat Paulus eerder al over dezelfde thema’s in Jeruzalem heeft geconfereerd.

Zelf denk ik dat de schriftelijke verklaring (als die inderdaad bestaan heeft) voor Paulus op het moment dat hij zijn brief schreef, op een belangrijk punt niet radicaal genoeg was. Paulus maakt zich kwaad over verbroken tafelgemeenschap, over Jeruzalemse gelovigen die niet met heidenchristenen aan tafel willen. Joden, ook joodse christenen uit Jeruzalem, aten blijkbaar liever niet van de tafels van niet-joden, al was het maar uit voorzorg. Want vlees dat in niet-joodse huizen werd geserveerd, kon zomaar afkomstig zijn van rituele slacht in een heidense tempel. Dat maakte veel ontmoetingen bij voorbaat onmogelijk, en Paulus wil juist dat volgelingen van Jezus zich kunnen laten ontvangen, in principe overal, om het evangelie te kunnen uitdragen.

Daarom geeft Paulus in 1 Korintiërs 10 deze veelzeggende instructie:

Eet alles wat in de vleeshal verkocht wordt, zonder naar iets navraag te doen omwille van het geweten. Van de Heer immers is de aarde en haar volheid. En als iemand van de ongelovigen u uitnodigt, en u wilt naar hem toe gaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder naar iets navraag te doen omwille van het geweten.

Indien echter iemand tegen u zegt: Dat is een afgodenoffer, eet het dan niet, omwille van hem die u dat te kennen gaf en omwille van het geweten. Van de Heer immers is de aarde en haar volheid.

Daarmee begeeft hij zich op het uiterste randje, of óver het randje, van wat volgens de verklaring in Handelingen 15 de communis opinio van de apostelen zou zijn. Hij zegt immers: je moet je alleen onthouden van vlees dat in een heidense tempel is geslacht (dus een afgodenoffer), als je gastheer de herkomst van het vlees expliciet benoemt. Daarmee neemt Paulus waarschijnlijk aanmerkelijk meer vrijheid dan de oudsten van de christelijke gemeente in Jeruzalem hem konden gunnen. Tegelijk pleit hij er in dezelfde tekst ook voor om geen aanstoot aan de joden te geven (1 Kor. 10:32). De vraag is of het dan niet onontkoombaar wordt dat er verschillende gemeenschappen ontstaan: gemeenschappen waarin mensen trouw kunnen blijven aan de joodse leefregels, en gemeenschappen waarin die regels geen rol spelen.

Geen scheiding van wegen

Hoe in werkelijkheid de verhouding tussen Petrus en Paulus is geweest, kunnen we niet meer nagaan. Op dat incident in Antiochië na lezen we bij Paulus geen onvertogen woord over Petrus, of Kefas, zoals Paulus hem gewoonlijk noemt, en erkent hij hem wél als belangrijk referentiepunt. Het is goed voorstelbaar dat Petrus zich sterker gebonden heeft gevoeld aan de Jeruzalemse gemeenschap met haar joodse identiteit, terwijl Paulus zowel als gevolg van zijn dramatische ommekeer als door de missionaire situaties waarin hij verkeerde, veel radicaler heeft ingezet op de vrijheid van niet-joodse volgers van Jezus om hun christelijke leven op niet-joodse wijze te leven. Maar niets wijst op een scheiding van wegen zoals gesuggereerd in Galaten 2.

< Terug