< Terug

Post van Paulus?

De brieven aan Timoteüs en Titus in het Nieuwe Testament staan samen al lange tijd bekend als de Pastorale brieven, omdat ze kerkelijke instructies van de apostel Paulus bevatten voor de genoemde ontvangers, Timoteüs en Titus. Of deze instructies echt van Paulus afkomstig zijn en ook echt voor Timoteüs en Titus bedoeld waren, zoals de brieven pretenderen (vgl. 1 Timoteüs 1,1-2; 2 Timoteüs 1,1-2; Titus 1,1-4), staat in de moderne bijbelwetenschap al meer dan twee eeuwen hevig ter discussie. Het is niet voor niets dat bijvoorbeeld de inleiding op de eerste brief aan Timoteüs in de Nieuwe Bijbelvertaling aangeeft dat de meningen over het auteurschap van de Pastorale brieven verdeeld zijn. Wat volgt is een samenvatting van deze discussie, gevolgd door een overzicht van mogelijke standpunten die kunnen worden ingenomen met tot slot een aantal suggesties ter bevordering van de discussie.
Paulus’ brief aan Titus pas geschreven ná de dood van Paulus?
Jermo van Nes is wetenschappelijk medewerker aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven.

Discussie

De discussie over het auteurschap van de Pastorale brieven werd in gang gezet door de Britse dominee Edward Evanson, die in 1792 op basis van diverse argumenten betoogde dat Titus pas na de dood van Paulus geschreven kon zijn. Niet veel later zouden de Duitse geleerden Johann Schmidt (1804) en Friedrich Schleiermacher (1807) hetzelfde doen voor 1 Timoteüs. Pas in 1812, dus 20 jaar nadat Evanson zijn vraagtekens had geplaatst bij de echtheid van Titus, was Johann Eichhorn de eerste die het Paulinisch auteurschap van alle drie de Pastorale brieven zou betwisten. Tot op de dag van vandaag zijn veel van de door Eichhorn en zijn voorgangers aangedragen argumenten onderwerp van discussie voor bijbelwetenschappers.

Een eerste discussiepunt betreft het fenomeen pseudepigrafie. Hieronder verstaat men het schrijven van een tekst onder de naam van iemand anders zonder medeweten van die persoon. Vrijwel iedereen is het erover eens dat dit fenomeen zich met enige regelmaat voordeed in de Oudheid, ook onder joden en christenen in de eerste eeuw. Mogelijk wordt er in 2 Thessalonicenzen (2,2) al gewaarschuwd voor de circulatie van brieven die ten onrechte aan Paulus zijn toegeschreven. De meningen zijn echter verdeeld over de morele waarde die men in de Vroege Kerk toekende aan deze praktijk. Volgens sommigen was pseudepigrafie algemeen geaccepteerd. Zo lezen we in een brief (vgl. 9,1-5.13-20) van priester Salvianus van Marseille (omstreeks 400-480) dat hij één van zijn werken met een zuiver geweten kon toeschrijven aan Timoteüs, omdat hij dit uit bescheidenheid deed en, zoals de naam Timoteüs aangeeft, ter ere van God. Anderen menen daarentegen dat pseudepigrafie in de Vroege Kerk niet getolereerd werd. In regels 64-66 van de zogenaamde Canon Muratori – een laat tweede-eeuws geschrift met een lijst van gezaghebbende bijbelboeken – staat dat de zogenaamde brieven van Paulus aan de Laodicenzen en Alexandrijnen vervalste documenten zijn die niet in de Kerk gelezen zouden moeten worden. Ook schreef Tertullianus (omstreeks 160-230) dat de ouderling (!) die in de tweede eeuw bekende de Handelingen van Paulus en Thecla uit liefde voor Paulus te hebben samengesteld uit zijn ambt werd gezet (vgl. Tertullianus, Over de doop, 17). Hoewel dergelijke voorbeelden uiteraard geen uitsluitsel geven over de echtheid van de Pastorale brieven, dragen ze wel bij aan de beoordeling van de (on)waarschijnlijkheid daarvan.

Een tweede punt van discussie heeft te maken met het boek Handelingen. Sommige uitleggers menen dat niet alle biografische gegevens in de Pastorale brieven te rijmen zijn met het leven van Paulus zoals dat beschreven staat in Handelingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het feit dat Paulus volgens Handelingen nooit voet aan wal heeft gezet op het Griekse eiland Kreta, terwijl hij Titus volgens de brief daar zou hebben ‘achtergelaten’ (Titus 1,5). Ook mocht Paulus volgens Handelingen (28,30-31) vrijelijk bezoek ontvangen en onderwijs geven in zijn huurwoning te Rome, terwijl hij daar volgens 2 Timoteüs (1,16-17; 2,9-10) geketend gevangen zat.

Hier kan echter tegen worden ingebracht dat Handelingen zich niet wil laten lezen als een biografie van Paulus (vgl. Handelingen 1,1-3). Ook is het niet onmogelijk om de Pastorale brieven in het kader van Handelingen te situeren. Hoofdstuk 20 laat ruimte voor de idee dat Paulus niet lang na zijn vertrek uit Efeze de brief aan Titus schreef (vgl. 20,1) met de instructie op Kreta te blijven. Later zou de apostel op doorreis naar Jeruzalem (vgl. 20,16) de eerste brief aan Timoteüs hebben kunnen schrijven, die hij bij zijn vertrek naar Macedonië (vgl. 20,1) had gevraagd in Efeze te blijven en door omstandigheden niet meer kon bezoeken (vgl. 1 Timoteüs 1,3; 3,14-15; 4,13). De tweede brief aan Timoteüs zou evengoed geschreven kunnen zijn ten tijde van Paulus’ gevangenschap in Caesarea (vgl. Hand. 24,27). Op dezelfde manier is het niet onmogelijk, zoals Eusebius (omstreeks 265-340) al in zijn Kerkgeschiedenis (2,22) opmerkte, dat Paulus na zijn gevangenschap in Rome werd vrijgelaten en daarna nog reizen heeft gemaakt en brieven geschreven.

Ten derde zijn de meningen verdeeld over de identiteit van de tegenstanders die in de Pastorale brieven genoemd worden. Volgens sommige uitleggers hebben de mythen en geslachtsregisters (vgl. 1 Timoteüs 1,4; Titus 3,9), het verbod op trouwen en goed eten (vgl. 1 Timoteüs 4,3; Titus 1,15), de ontkenning van een toekomstige opstanding van het lichaam (vgl. 2 Timoteüs 2,18) en de valse kennis (vgl. 1 Timoteüs 6,20) waar zij voor staan betrekking op een vorm van (joods) Gnosticisme. Deze stroming kennen we vooral uit de na-apostolische tijd, in het bijzonder de tweede eeuw. Ook is het opvallend dat de tegenstanders in de Pastorale brieven niet met argumenten worden bestreden (vgl. Galaten 2,15–5,12), maar wel met krachtige taal veroordeeld (vgl. 1 Timoteüs 1,20; 2 Timoteüs 2,16-18; Titus 1,10-12).

Het lijkt alsof de tegenstand van binnenuit kwam.

Tegelijkertijd lijkt het alsof de tegenstand van binnenuit kwam (vgl. 1 Timoteüs 1,19; 4,1-4; 6,21; 2 Timoteüs 2,16-18; 3,1-7; Titus 1,10-11), wat in overeenstemming is met Paulus’ waarschuwing aan het adres van de Efeziërs in Handelingen 20,30 (NBV): ‘Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen’. Dit hoeft niet noodzakelijk na de dood van Paulus gebeurd te zijn, omdat gelijksoortige tegenstand ook al eerder door de apostel was ervaren (vgl. 1 Korintiërs 7,1; 8,1-3; 15,17-19; Galaten 4,8-10). Dat de leer van de tegenstanders niet intellectueel bestreden wordt door Paulus heeft wellicht te maken met het feit dat hij deze taak juist toevertrouwde aan Timoteüs (vgl. 1 Timoteüs 1,3-4.18-19a; 4,6.11-16; 6,2b; 2 Timoteüs 2,1-2.14-16; 4,2) en Titus (vgl. 1,5.13; 2,1.15; 3,1-2.8). Sterke veroordelingen van tegenstanders vinden we ook in Galaten (1,8-9; 3,1-3; 5,12) en Filippenzen (3,2).

Ook de kerkorde van de Pastorale brieven blijft onderwerp van discussie. Sommige uitleggers menen dat de drie ‘ambten’ van bisschop (vgl. 1 Timoteüs 3,2; Titus 1,7), oudste (vgl. 1 Timoteüs 5,17.19; Titus 1,5) en diaken (vgl. 1 Timoteüs 3,8.12) duiden op een goed georganiseerde kerkstructuur. Veel aandacht gaat uit naar de kwalificaties voor deze kerkelijke functies (vgl. 1 Timoteüs 3,2-12; Titus 1,7-9), die bekrachtigd werden door middel van handoplegging (vgl. 1 Timoteüs 4,14; 2 Timoteüs 1,6). Het totaalbeeld lijkt daarmee op dat van een gevestigde kerk die qua organisatie meer verwantschap schijnt te hebben met de kerkorde die we kennen uit de brieven van Ignatius van Antiochië (circa 112) dan de ogenschijnlijk minder georganiseerde gemeenschappen die we tegenkomen in de brieven van Paulus (vgl. 1 Korintiërs 11,4-5; 14,3-5.40).

Hoewel velen van mening zijn dat de meer gevorderde kerkstructuur in de Pastorale brieven erop duidt dat ze als laatste van alle Paulinische brieven geschreven zijn, is niet iedereen het er over eens dat dit noodzakelijk na de dood van Paulus moet zijn geweest. In Handelingen (14,23) lezen we dat er vanaf het begin in elke gemeente oudsten werden aangesteld. Ook kon Paulus zich richten tot de ‘opzieners en diakenen’ van de gemeente te Filippi (vgl. Filippenzen 1,1), iets wat erop duidt dat ook al in de eerste gemeenten sprake was van kerkorde (vgl. Romeinen 16,1; 1 Korintiërs 16,15-16; 1 Thessalonicenzen 5,12-13).

Een vijfde punt van discussie betreft de theologische accenten van de Pastorale brieven. Zo is het opvallend, zoals sommige uitleggers hebben opgemerkt, dat er in de brieven geen persoonlijke noodzaak is voor het ‘in Christus’ zijn (bijvoorbeeld Galaten 2,16-17) en dat Jezus niet als ‘zoon’ wordt aangesproken (bijvoorbeeld Romeinen 1,3-4). Omgekeerd krijgen een aantal door Paulus veel gebruikte theologische termen een andere betekenis in de brieven, zoals ‘geloof’ wat verwijst naar inhoud (vgl. 1 Timoteüs 6,10-12; Titus 3,15) in plaats van vertrouwen (vgl. 1 Thessalonicenzen 1,8), of ‘gerechtigheid’ wat verwijst naar een na te streven deugd (vgl. 1 Timoteüs 6,11; 2 Timoteüs 2,22; Titus 3,5) in plaats van een verkregen status (vgl. 2 Korintiërs 6,14). Anderen zijn echter van mening dat deze argumenten niet dwingend zijn om de echtheid van de Pastorale brieven in twijfel te trekken. Er blijven immers meer theologische overeenkomsten dan verschillen met de onbetwiste Paulusbrieven. Daarnaast kan worden opgemerkt dat in sommige van deze brieven voor Paulus belangrijke theologische begrippen ontbreken. Zo is het begrip ‘kruis’ niet te vinden in Romeinen en 1 Thessalonicenzen, net zoals het begrip ‘redding’ spoorloos is in Galaten en Filemon. Ook wordt ‘geloof’ wel degelijk gebruikt op een manier die sterk aan Paulus doet denken (vgl. Romeinen 3,22; Galaten 2,16; 1 Timoteüs 3,13; 2 Timoteüs 3,15). Ditzelfde geldt voor ‘gerechtigheid’ (vgl. Romeinen 3,25; 2 Timoteüs 4,8).

Er blijven meer theologische overeenkomsten dan verschillen met de onbetwiste Paulusbrieven.

Het laatste en misschien wel zwaarwegendste punt in de discussie heeft te maken met taal en stijl. Veel uitleggers hebben gewezen op het andere woordgebruik en de complexere zinsstructuren in de Pastorale brieven. Zo zijn er bijna 300 (voor Paulus) unieke woorden in te vinden. Ook zien we enkele unieke uitdrukkingen, zoals ‘deze boodschap is betrouwbaar’ (1 Timoteüs 1,15; 3,1; 4,9; 2 Timoteüs 2,11; Titus 3,8) en ‘heilzame leer’ (1 Timoteüs 1,10; 6,3; 2 Timoteüs 4,3; Titus 1,9; 2,1). Er is minder herhaling van informatie, net zoals er minder soorten voegwoorden en voorzetsels gebruikt zijn. Verder zijn de brieven minder levendig en dialogisch van karakter.

Toch is ook dit argument, net zoals alle voorgaande argumenten, niet onweerlegbaar. Zo moet bij woordstudies rekening worden gehouden met de brieflengte van teksten. Een recente studie heeft in dit verband uitgewezen dat de Pastorale brieven qua woord-en zinsgebruik niet significant afwijken van de onbetwiste Paulusbrieven. Ook blijken sommige unieke woorden eigennamen of overgenomen uit het Oude Testament door middel van citaten. Verder zijn unieke uitdrukkingen in veel Paulusbrieven te vinden. Zo staat de uitdrukking ‘absoluut niet!’ in Romeinen (6,15), 1 Korintiërs (6,15) en Galaten (3,21), maar in geen van de andere (on)betwiste Paulusbrieven. Daarnaast zijn er diverse factoren die in (klassieke) taalstudies van invloed zijn gebleken op iemands woordgebruik, zoals leeftijd en emotie. Ook zijn er duidelijke verschillen aangetoond tussen schrijftaal en spreektaal. In dit verband kan gewezen worden op de gewoonte in de Oudheid bij het schrijven van een brief assistentie te vragen van een secretaris (vgl. Romeinen 16,22), die wellicht ook invloed had op taal en stijl. Voor de Pastorale brieven is vaak naar Lucas (vgl. 2 Timoteüs 4,11) gewezen als mogelijke kandidaat, omdat er diverse thematische en taalkundige overeenkomsten zijn met Lucas-Handelingen.

Standpunten

Bovenstaande punten geven slechts voorbeelden, maar vormen in de aard het hart van de discussie over het auteurschap van de Pastorale brieven. Naar de huidige stand van zaken zijn er grofweg drie standpunten die worden ingenomen.

1. Een eerste groep uitleggers is het erover eens dat er sinds Evanson geen dwingende argumenten zijn gepresenteerd om de echtheid van de Pastorale brieven op te geven. Een meerderheid van deze groep denkt dat Lucas met goedkeuring van Paulus de brieven halverwege de jaren 60 schreef, hetzij voor, tijdens, of na diens gevangenschap in Rome (vgl. Handelingen 28,14-31) om Timoteüs en Titus van de juiste instructies te voorzien in het leiden van de kerkelijke gemeenschappen in Efeze en Kreta.

2. Een tweede groep uitleggers is van mening dat het totaal van argumenten niet anders kan betekenen dan dat de Pastorale brieven pas na het leven van Paulus werden geschreven. Dateringen variëren van de jaren 70 tot de eerste helft van de tweede eeuw. De voor ons onbekende auteur koos ervoor de brieven in naam van Paulus aan zijn naaste medewerkers Timoteüs en Titus te richten, gestorven of niet, om niet direct verdacht te worden van pseudepigrafie. Hij (of zij) zou de boodschap meer kracht bij hebben willen zetten door drie min of meer overlappende brieven te schrijven.

3. Er bestaat ook een groep van uitleggers die in de discussie een tussenpositie inneemt. Sommigen denken dat alleen 2 Timoteüs en/of Titus tijdens Paulus’ leven werden geschreven. Anderen menen dat bepaalde gedeelten uit de brieven door Paulus zelf geschreven werden (vgl. 1 Timoteüs 3,14-15; 2 Timoteüs 4,13-22; Titus 3,12-15), waarna een latere (onbekende) leerling deze notities verzamelde en verwerkte tot drie brieven. De brieven werden niet alleen in naam van Paulus gecompileerd uit respect voor diens persoon, maar ook om daarmee de nodige autoriteit te krijgen in de woordenstrijd met de tegenstanders. Omdat ze veel theologische overeenkomsten vertonen met de onbetwiste Paulusbrieven, vormen de Pastorale brieven daarmee met recht de ‘erfenis’ van Paulus in het doorgeven van zijn onderwijs en krijgen ze blijvende betekenis in de Paulinische traditie.

Tot slot

Na meer dan twee eeuwen van intensief debatteren, lijkt het erop alsof een duidelijk antwoord op de vraag naar het auteurschap van de Pastorale brieven misschien wel nooit gegeven zal kunnen worden. Dit draagt ertoe bij dat een groeiend aantal bijbelwetenschappers de discussie langzaam moe begint te worden. Sommigen laten zich er daarom toe verleiden de auteurschapsvraag uit de weg te gaan, ofwel door Paulus simpelweg als auteur te veronderstellen, omdat zijn naam met de briefopeningen verbonden is, ofwel door een meerderheidspositie te claimen van hedendaagse uitleggers die de echtheid van de brieven in twijfel trekken. Beide houdingen zijn echter weinig constructief, en er zijn voldoende redenen om de discussie te blijven voeren.

Ten eerste omdat men zich steeds meer begint te realiseren dat de Pastorale brieven niet in relatie tot elkaar maar afzonderlijk van elkaar moeten worden bestudeerd. De oplettende lezer zal misschien gemerkt hebben dat niet alle van de hierboven genoemde argumenten op alle drie de brieven van toepassing zijn. Zo is er bijvoorbeeld geen enkel spoor van een gevestigde kerkorde te vinden in 2 Timoteüs. Deze nieuwe onderzoekslijn is nog volop in beweging, maar de resultaten daarvan zullen ongetwijfeld nieuw licht kunnen werpen op de auteurschapsvraag.

Ten tweede moet de discussie rondom het auteurschap van de Pastorale brieven gevoerd blijven worden, omdat men zich kan afvragen of onderliggende vragen wel genoeg aandacht hebben gekregen. Zo zouden alle partijen zich de vraag kunnen stellen op basis waarvan zij de echtheid van het boek Handelingen of de onbetwiste Paulusbrieven aannemen. Deze documenten spelen immers een grote rol in de discussie, omdat de Pastorale brieven daar altijd mee vergeleken worden. Ook zou men zich kunnen afvragen op hoeveel punten een document mag verschillen van een ander document van de ogenschijnlijk zelfde hand, voordat je aan de echtheid van dat document mag gaan twijfelen. Wanneer slaat de weegschaal door? Dit vraagt om diepere reflectie over de vraag hoe je een pseudepigrafisch geschrift identificeert.

Ten slotte verdient het misschien aanbeveling voor alle deelnemers aan de discussie nog eens na te denken over de vraag wie uiteindelijk mag bepalen of een geschrift al dan niet pseudepigrafisch is. Waarom zou de mening van hedendaagse uitleggers meer waard zijn dan die van vroegere uitleggers? Op een enkeling na was iedere geleerde het er in de Vroege Kerk over eens dat de Pastorale brieven geschreven werden tijdens het leven van Paulus, hetzij door hem zelf hetzij met behulp van een secretaris. Dit blijft één van de hoofdredenen waarom ze deel uit maken van de nieuwtestamentische canon (vgl. Tertullianus, Tegen Marcion, 4.2.2; Tegen Praxeas, 15; Canon Muratori 73-74).

Literatuur

• Henk Janssen en Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus – Handelingen en de aan Paulus toegeschreven brieven (Vught: Skandalon, 2015).

• Jermo van Nes, Pauline Language and the Pastoral Epistles: A Study of Linguistic Variation in the Corpus Paulinum (Leiden 2018).

• Myriam Klinker-De Klerck, “The Pastoral Epistles: Authentic Pauline Writings,” European Journal of Theology 17 (2008): 101–108.

• Rob van Houwelingen, Timoteüs en Titus: Pastorale instructiebrieven Commentaar op het Nieuwe Testament (Kampen: Kok, 2009).

< Terug