< Terug

Predikant 2025

De theologische visie van de kerk op het predikantschap voor de toekomst

Nadenkend over wat een theologische beschouwing op het predikantschap in deze tijd zou kunnen betekenen, kijk ik als praktisch theoloog naar praktijken die de neerslag vormen van een theologische bezinning en reflectie op het predikantschap in deze tijd. Hoe wordt er in kerkelijke praktijken een theologische visie op het predikantschap ge(re)construeerd tegen de achtergrond van maatschappelijke en culturele ontwikkelingen die het predikantschap beïnvloeden? Praktisch theologen zoeken altijd primair naar theologie die geïmpliceerd is in praktijken en naar theologie die in praktijken geconstrueerd wordt. De praktijken die zich in dit kader aandienen zijn de beleids- en besluitvormingsprocessen van de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) gericht op het ontwikkelen van een visie op het predikantschap in deze tijd. De synode bespreekt voorbereide notities en beleidsnota’s die vertaald (kunnen) worden in besluiten. Het geheel van een tekst die wordt voorbereid in het beleidssecretariaat van de scriba of door een werkgroep van de dienstenorganisatie, de bespreking en gedachtevorming in de synodevergadering, het genomen besluit en de uiteindelijke redactie van een gepubliceerde tekst die de visie van de kerk verwoordt, beschouw ik als een praktijk van beleid maken.

In de afgelopen jaren (2011-2015) heeft de kerk meerdere malen haar visie op het predikantschap als één van de ambten van de kerk en op de organisatie en de rechtspositie van de predikanten uitgesproken. In het vervolg komen vier van deze beleidspraktijken voorbij: de Beroepscode en gedragsregels (2012), de Notitie over de ambtsvisie van de Protestantse Kerk in Nederland (2012), de Brief over het ambt aan predikant (2014) en het rapport Kerk naar 2025 (2015). Met Kerk naar 2025 bevinden we ons midden in de actualiteit. In november 2015 zal de synode naar verwachting een volgende stap zetten op weg naar een passende organisatie, waarbij ook het limiteren van de binding tussen predikant en gemeente aan de orde zal komen. De Brief over het ambt aan de predikant kan gezien worden als de samenvatting van wat de kerk vanuit de ambtstheologie te zeggen heeft over de predikant in de complexiteit van de huidige samenleving. De Notitie over de ambtsvisie van de Protestantse Kerk in Nederland is, hoewel geen beleidspraktijk, een tekst die inzicht geeft in de (theologische) argumentatie rond het predikantschap. Begonnen wordt met de Beroepscode en gedragsregels, een tekst die dicht aansluit op de kerkorde en de theologische visie daarin op het predikantschap, maar ook in de schaduw staat van het reguleren van het predikantschap. Die intentie tot reguleren bepaalt mede het discours over het predikantschap.

Omdat de teksten als praktijken niet los te zien zijn van de context en altijd een voorgeschiedenis hebben laat ik de weergave van de inhoud steeds vooraf gaan door wat relevant is uit het voortraject, onder het kopje ‘Aanleiding’. Onder ‘Observaties’ noteer ik wat mij opvalt bij close reading van de teksten en wat significant is voor de theologische interpretatie van de praktijken. Het artikel sluit af met een interpretatie van de (al dan niet theologische) argumentatie rond het predikantschap in de kerkelijke beleidspraktijken, en met een weging van het kerkelijk discours met het oog op de toekomst.

Beroepscode en gedragsregels (1)

Aanleiding

In 1996 presenteerde de Bond van Nederlandse Predikanten (BNP) de eerste gedragsregels voor protestantse predikanten.
1
De PKN nam deze regels niet over, omdat men voldoende waarborgen vond in het kerkordelijke tuchtrecht. De regels golden wel als normatief voor de predikant-leden van de BNP. Met het verschijnen van het boek van Jacques Schenderling, Beroepsethiek voor pastores (2008), werd het gesprek over een beroepscode voor predikanten weer aangezwengeld. De BNP vernieuwde de eigen gedragsregels,
2
en in 2011 ging een commissie van de kerk aan de slag met het formuleren van gedragsregels binnen de PKN.
3
Dat proces resulteerde uiteindelijk in een beroepscode met gedragsregels die in april 2012 door de synode definitief werd vastgesteld.
4

Inhoud

De beroepscode is gebaseerd op de kerkorde en wordt gezien als een toegespitste beschrijving van het werk van de predikant en van de daarbij passende attitude. Vanuit de kerkorde worden vijf aspecten benadrukt in het werk van de predikant.
5
Predikanten zijn door God geroepen. Die roeping geeft vrijheid en vrijmoedigheid. Vrijheid van hiërarchie en een gezagsverhouding (‘de predikant is geen ambtenaar van de kerk’), maar ook de verplichting om de gemeente bij het heil te bepalen. 2. De gemeente wordt toevertrouwd aan de predikant, maar is het eigendom van Christus. De predikant moet daarom niet heersen, maar dienen. Dat betekent de integriteit van anderen respecteren en bevorderen wat heilzaam is. 3. Het vertrouwen dat de predikant geschonken wordt vraagt om betrouwbaarheid, in de vorm van geheimhouding, waardigheid en verantwoording. 4. De predikant wordt geacht zijn spiritualiteit (‘volharden in het gebed’) en professionaliteit (‘Permanente Educatie’) op peil te houden. 5. De predikant werkt samen met anderen, en dat betekent zich voegen naar gezamenlijke besluitvorming, collegialiteit en loyaliteit naar de landelijke kerk.

Deze beroepscode, als neerslag van de principiële ecclesiologische visie op het predikantschap in de kerkorde, wordt vervolgens vertaald in verschillende concrete gedragsregels. Deze regels trachten te omschrijven wat goed en waardig ambtelijk handelen en gedrag is. Als zodanig zijn ze actief geformuleerd. De predikant verleent/draagt zorg, eerbiedigt, waakt, vergewist zich, overlegt enzovoort. De gedragsregels richten zich voornamelijk op het waarborgen van de betrouwbaarheid, de collegialiteit en de verantwoordingsplicht van de predikant.
6

Observaties

Het ligt in de aard van de zaak dat de gedragsregels eerder het beeld oproepen van ‘plichten’ dan van ‘rechten’ van de predikant. De beroepscode steekt echter in bij de roeping door God die vrijheid geeft. Daarvan zou de suggestie kunnen uitgaan dat, omdat God vertrouwen heeft in deze ‘mensjes uit het stof verrezen’ (Calvijn), er reden is om predikanten ruimte te geven hun charisma te ontvouwen en erop te vertrouwen dat zij in staat zijn hun werkzaamheden, en wat ze daarbij verder nodig hebben aan scholing en spirituele voeding, naar eigen inzicht vorm te kunnen geven. De vrijheid van Gods roeping lijkt zich moeilijk te verhouden tot regels die bedoeld zijn om predikanten te controleren en te beperken in hun reikwijdte. Maar direct aan het begin al wordt in de beroepscode gesteld dat de vrijheid van de predikant een bepaalde vrijheid is (‘door Gods Woord’). En verder gaat aan die insteek bij de vrijheid in de roeping een ander statement vooraf. Na een opsomming van de diensten die predikanten verrichten volgens de kerkorde wordt opgemerkt dat het de kerk is die deze diensten aan de predikant toevertrouwt. Aan de roeping van God gaat, wanneer we de tekst volgen, vooraf dat de kerk predikanten iets toevertrouwt, en dat roept het hele scala aan verplichtingen op. Het bijzondere van de beroepscode is dat deze gebaseerd is op een theologische visie op het predikantschap. Het is daarmee één van de weinige teksten over het predikantschap in de kerk die, hoe beperkt dan ook, expliciet theologisch redeneren. Deze theologische redenering staat echter in de schaduw van de regulering van het handelen van predikanten. Nogmaals, dat mag verwacht worden van een beroepscode met gedragsregels, maar de regulering kleurt het theologische vertoog wat negatief. Het is ook voorstelbaar dat er een visie op het predikantschap gepresenteerd wordt die vanuit Gods bijzondere roeping het predikantschap ziet als een genadig surplus in de kerk, als kenmerkend voor het bene esse van de kerk.
7
  Notitie over de ambtsvisie van de Protestantse Kerk in Nederland.
8
Aanleiding In de jaren 2005-2009 werd een belangrijk deel van de synodale agenda bepaald door de bespreking van opeenvolgende rapporten van de ‘commissie Veerman’ met beeldende titels over loopbaanontwikkeling en functiedifferentiatie: Pastor in beweging (2006), Werk in de wijngaard (2007), De wissel voorbij (2008) en Hand aan de ploeg (2009). Ook al was er waardering voor het vele werk dat de commissie had verricht, de vergaande voorstellen van de commissie haalden het niet, met uitzondering van de invoering van de verplichte Permanente Educatie.
9
Er werd een nieuwe Beleidscommissie Predikanten (BCP) geformeerd die de ideeën van de ‘commissie Veerman’ zou moeten bewerken tot haalbare voorstellen. Dit kreeg de gestalte van een plan van aanpak met verschillende deelthema’s. Een van de resultaten was het rapport Met vreugde en vrucht (2011), waarin een voorstel werd gedaan voor horizontale functiedifferentiatie (samenwerking en specialisatie bij gelijke beloning), omdat de verticale variant (beloningsdifferentiatie op basis van functiezwaarte) niet haalbaar was.
10
Voor dit rapport geldt hetzelfde als voor de rapporten van ‘commissie Veerman’, namelijk dat ze geschreven zijn vanuit een human resource-perspectief (‘goed werkgeverschap’) en niet vanuit een theologische visie op het ambt van predikant. De BCP gaf daarom tegelijkertijd aan tegen de grenzen van de beleidsontwikkeling aan te lopen omdat er geen duidelijkheid bestaat over de implicaties van de ambtstheologie voor vraagstukken als verticale functiedifferentiatie en centraal werkgeverschap, waarbij hiërarchie en bovenplaatselijke aansturing verondersteld zijn. Voor de synode was dit aanleiding om het moderamen te vragen een aanzet te geven voor een duidelijke ambtstheologie binnen de PKN.
11
Het moderamen presenteerde in april 2012 een notitie over de ambtsvisie, die door de synode in een informatieve bespreking bekritiseerd werd, omdat het vooral beschrijft hoe de situatie vanuit de kerkorde is en welke oecumenische discussies er over het ambt plaatsvinden.
12
Er moest een notitie met meer visie komen. De synode besloot in april 2012 een werkgroep (beleidssecretariaat van de scriba) en een stuurgroep (adviesorganen moderamen en synode onder leiding van het hoofd HRM) te formeren om de notitie om te zetten in een ambtsvisie met het oog op de actuele uitdagingen van de kerk. In eerste instantie zou dat resulteren in een notitie van de scriba, Het ambt in discussie, die vervolgens werd bewerkt tot een zevental persoonlijke brieven van de scriba over het ambt (zie hieronder).

Inhoud

De notitie is dus geen beleidsdocument geworden, ook al biedt zij een weergave van de theologische visie op het ambt in de kerkorde, gerelateerd aan de oecumenische discussie over het ambt. Binnen de bredere visie op het ambt besteedt de notitie een specifiek hoofdstuk aan ‘De positie van de predikant in de kerk’.
13
Daar wordt onder meer opgemerkt dat het ambt van predikant van ‘levensbelang’ is voor de gemeente, omdat dit ambt gestalte geeft aan het theologische gegeven dat de gemeente schepping van het Woord is. Vooral de predikant bepaalt de gemeente bij het heil. Daarom heeft de predikant een vooropgaande positie. Hij heeft een boegbeeldfunctie, is het gezicht van de gemeente naar buiten, is primus inter pares binnen de kerkenraad. Daar zit ook een keerzijde aan: ‘De predikant neemt in de gemeente en kerkenraad principieel en in de praktijk een prominente positie in, die veel mogelijkheden biedt maar tegelijkertijd een groot afbreukrisico in zich draagt.’
14
De ‘vrijheid van het ambt’ wordt gezien als een belangrijke voorwaarde voor het predikantschap. Het is de vrijheid die gepaard gaat met de verkondiging van het Woord van God, door de Geest. De notitie ziet deze vrijheid echter ook verbonden met de onafhankelijkheid en de zelfstandigheid van de predikant. De predikant moet een onafhankelijke positie kunnen innemen, om zelf tot een authentiek oordeel te kunnen komen en ook anderen daarin te kunnen stimuleren. En de predikant moet de vrijheid hebben om zelfstandig keuzes te maken hoe hij zijn werk inricht. Uiteraard kan de predikant niet zomaar zijn gang gaan, want hij heeft ‘een verbintenis met de kerk en de gemeente waarin over en weer rechten en plichten worden overeengekomen’.
15
Wanneer er gekeken wordt naar de rechtspositie van de predikant dan staat deze visie op het ambt volgens de notitie niet op gespannen voet met een centraal werkgeverschap, noch met horizontale functiedifferentiatie. Er zijn dan een aantal zaken, die goed geregeld moeten worden,
16
maar er bestaat op dit punt geen spanning tussen de ambtstheologie en een efficiënter human resource-management. Anders ligt dat bij de verticale functiedifferentiatie waarbij de bovenplaatselijke kerk en de arbeidsorganisatie directe invloed en sturing gaan uitoefenen op de plaatselijke gemeente en de predikant. Wellicht dat dit de vreugde en de kwaliteit van het predikantschap bevordert, aldus de notitie, maar het is fundamenteel in strijd met de vrijheid van de gemeenten en de predikant, bijvoorbeeld in het beroepingswerk.

Observaties

Het interessante aan dit document is dat er oprecht geprobeerd is een verbinding te maken tussen de ambtstheologie en een benadering vanuit human resource. De notitie werd in de synode bekritiseerd omdat het primair de stand van zaken beschreef en geen nieuwe visie ontwikkelde. Waar, voor zover na te gaan, geen opmerkingen bij gemaakt werden was het human resource-perspectief. Dat was het dominante discours in de stukken van de ‘commissie Veerman’ en in het rapport Met vreugde en vrucht van de BCP en ook in deze notitie. Veelzeggend is dat de notitie eindigt met een reflectie op het idee van de ‘pastor pastorum’, een idee uit de koker van de ‘commissie Veerman’, en dat afsluit met een alinea met als titel ‘Pastor pastorum als functie in personeelsbeleid (HRM-functie)’. Dat heeft tot niets geleid en de ambtsdiscussie krijgt vrij snel daarna, zoals we zullen zien, het karakter van een persoonlijke bemoediging en aansporing door de scriba, maar dat betekent niet dat het human resource-perspectief naar de achtergrond verdwenen is. In juni 2013 werd de eerste proponent in het kader van de ‘Mobiliteitspool’ beroepen tot predikant in algemene dienst van de kerk, met de afdeling HRM als werkgever.
17
De pool voorziet duidelijk in een behoefte,
18
maar is niet gestoeld op een ambtstheologische beslissing van de synode.
19
De rechtspositie van deze predikanten is anders dan die van gemeentepredikanten, maar wel conform het centraal werkgeverschap zoals in de notitie wordt verkend. Onduidelijk is of er sprake is van verticale functiedifferentiatie. Het is echter de afdeling HRM die de toelating tot de pool, de aard van de werkzaamheden en de aanstellingsduur van de ‘junior’ predikanten bepaalt. Het lijkt erop dat de ambtstheologische discussie in de synode en het human resource-perspectief van de dienstenorganisatie zelfstandige lijnen van beleid zijn die niet per se gelijke tred hoeven te houden. Althans, wanneer er geredeneerd wordt vanuit de behoeften van gemeenten en predikanten.
20

Brief over het ambt aan de predikant (20)

Aanleiding

In november 2013 vond er een verkennende bespreking over het ambt plaats naar aanleiding van een door de scriba geschreven tekst, Het ambt in discussie.
21
De notitie beschrijft een zevental knelpunten bij het ambt, die door de synode herkend werden. De synodale bespreking liet verder vooral de worsteling met het ambt zien. Het moderamen zegde toe alle opmerkingen te zullen meenemen in een nieuwe versie van het rapport dat zou moeten kunnen fungeren als een visienota. Bij nader inzien werd echter besloten dat de scriba een zevental persoonlijke brieven zou schrijven aan verschillende adressanten.
22
Fragmenten uit de notitie zijn overgenomen in de brieven,
23
 maar de notitie zelf heeft geen beleidsstatus.

In april 2014 besloot de synode dat de brieven gezien mogen worden als een vervolgstap in een brede bezinning op de betekenis en functie van het ambt. De brieven zijn ter reactie toegestuurd aan de geadresseerden. Het voornemen is om in april 2016 op het thema ‘ambt’ terug te komen.
24

Inhoud

De brief van de scriba van de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland over het ambt aan de predikant laat zich lezen als een bisschoppelijke vertroosting en vermaning. Als een vader, of broeder, richt de scriba zich tot de dienaren van het Woord in de kerk. Hij weet van de teleurstelling en het verdriet die gepaard gaan met het predikantschap. De complexiteit van het werk, de kwetsbaarheid van een publieke functie, de inspanningen die de teruggang in het ledenaantal niet kunnen keren, de vaak vergeefs aangewende creativiteit. Plaisier loopt er niet voor weg en smeert het ook niet quasi-pastoraal dicht. ‘Wat kan ik hierop zeggen? Op een preek van mijn kant zitten jullie niet te wachten. Ik kan alleen maar zeggen: houd vol, heb goede moed.’ Vervolgens herinnert hij aan een woord van Paulus: ‘wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn.’(1 Kor. 15:58)
25
De drie zaken die de scriba aangelegen zijn mogen gelezen worden als een vermaning. Het predikantschap vraagt om collegialiteit, een persoonlijke invulling en een praxis pietatis. Collegialiteit vult hij in met begrippen als benaderbaar en aanspreekbaar zijn, communiceren, attent en solidair zijn, van elkaar willen leren. Hij laat dit echter vergezeld gaan van een oproep aan predikanten om hun verantwoordelijkheid op te nemen in de collegiale verbanden waarvan men geacht wordt deel uit te maken. Ik veronderstel dat Plaisier hiermee de bovenplaatselijke ambtelijke vergaderingen bedoelt en de werkgemeenschappen. Als ambtsdragers roept de scriba de predikanten op hun nek uit te steken en de gemeente bescheiden en beslist voor te gaan en richting en visie te bieden. Dat kan echter alleen wanneer de predikant zich laat voeden en tijd neemt om te bidden en te waken, tijd neemt voor een oefening in vroomheid, voor een geleefde spiritualiteit.

De vertroosting en vermaning laat Plaisier voorafgaan door het standpunt dat het predikantschap in principe een ambt en een beroep voor het leven is. Het wezenlijke van het ambt bestaat uit de bediening van Woord en Sacrament. En daarom, zo schrijft Plaisier, ‘is het niet toevallig dat de predikant voor het leven wordt bevestigd.’ Blijkbaar legt Plaisier een verband tussen het wezenlijke van het ambt en het levenslange van het beroep. Omdat in het dienstwerk van de predikant de gemeente fundamenteel bij haar heil wordt bepaald, kwalitatief meer dan in de andere ambten, door de relatie met Woord en Sacramenten, is het in principe een beroep voor het leven, zo lijkt hij te suggereren. Je bent dominee.

Het is een dienst die niet zelf bedacht is, maar die wordt toevertrouwd, een volmacht die verleend wordt. Het is een dienst die in alle nederigheid verwijzend naar Gods beloften wordt verricht. Plaisier refereert hier aan een tekst uit het Johannesevangelie (Joh. 1:29.36), associërend op het Isenheimer altaarstuk van Matthias Grünewald en het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Predikanten zijn zoals Johannes de Doper in de onderschikking aan het evangelie.

Observaties

‘In principe’, zo schrijft Plaisier, is de bevestiging in het ambt als predikant voor het leven. Dat maakt het tot een bijzonder beroep.
26
Tegelijkertijd is de brief doordrongen van het besef van voorbijgaand predikantschap, of althans van het voorbijgaan van aspecten daarvan. Dat roept meteen de vraag op wat de betekenis van het ‘in principe’ is. In de betekenis van ‘werkend beginsel’ of ‘grondbeginsel’ geldt het predikantschap als een ambt voor het leven ook wanneer de situatie verandert, hoe ingrijpend ook. Het lijkt echter dat Plaisier hier duidt op een oorspronkelijke afspraak die ingehaald is door de omstandigheden, of op een zinvolle overtuiging die inmiddels zijn kracht verloren is. Daarmee relativeert hij het beginsel van het ‘levenslang’, maar wordt ook het beroep minder bijzonder. Het predikantschap is misschien toch geen zijnsberoep meer.

De problematiek die het ‘in principe’ achterhaald maakt, wordt in de brief vooral gerelateerd aan de predikant zelf. Predikanten kunnen te voortvarend zijn of te weinig flexibel, zij krijgen alle verantwoordelijkheid toegeschoven of worden onevenredig bekritiseerd. Wat ontbreekt is een analyse van de ‘grote’ vragen die deze problematiek gestalte hebben gegeven, en daarmee een heldere visie. Die grote vragen zijn de kerkverlating, de sprakeloosheid van de kerk, de twijfels over het nut en de noodzaak van missionair kerkzijn en disfunctionerende kerkenraden.
27
Het ontbreken van die maatschappelijke, culturele en religieuze analyse, waar uiteraard geen plaats voor is in een ‘bisschoppelijke’ brief, kan er echter wel toe leiden dat de problematiek versmald wordt tot de verantwoordelijkheid van de predikant. ‘Houd vol, goede moed’ loopt dan snel het gevaar obligaat te klinken. Geen enkele predikant zit er nog op te wachten dat er over hem of haar op verheven toon gesproken wordt. Wel mag verwacht worden dat de kerk de betekenis van predikanten erkent en er geen spoor van twijfel over laat bestaan dat het ambt en het beroep van predikant van grote waarde zijn voor het voortbestaan van de kerk. Terecht wordt opgemerkt in de brief dat predikanten ‘werk verrichten dat met niets te vergelijken is.’ En het is goed dat de scriba namens de kerk daarover zijn dank uit spreekt. Maar misschien had die alinea niet begonnen moeten worden met de woorden ‘Toch zijn jullie er nog en zolang je er bent …’, waarmee vooral de voorlopigheid benadrukt wordt.

De relativering van het levenslange en blijvende van het predikantschap staat misschien op gespannen voet met de functie van ‘de wijzende vinger van Johannes de Doper’, maar ook met wat er van de predikant als persoon verlangd wordt. De predikant moet persoonlijk instaan voor wat hij zegt, in zijn doen en laten tonen dat hij een dienaar van God is, voortrekker zijn, richting wijzen en visie hebben, de gemeente voorgaan als getuige in deze wereld. Het ambt heeft volgens de brief niets te maken met het beeld van de grote, sterke, charismatische leider, maar de predikant moet wel zichtbaar zijn, bescheiden en beslist.

Kerk naar 2025

28

Aanleiding

In november 2014 werd op de synode het thema ‘Kerk naar 2025’ gepresenteerd en het te volgen traject besproken.
29
Directe aanleiding voor dit traject zijn de noodzakelijke bezuinigingen in de dienstenorganisatie per 2016. De krimp van de kerk dwingt tot een passende dienstverlening in een ‘lichtere’ organisatie. De kerk moet ‘back to basics’: opnieuw beginnen bij de vraag ‘wat is kerk?’ ‘Waar geloven we in en hoe geven we daar gestalte aan?’ Volgens de besproken notitie zou het institutionele ‘dienstbaar moeten zijn aan de essentie van kerk-zijn en daar drager van moeten zijn.’ ‘Het eigenaarschap van de gemeente van de dienst van de kerk moet nadrukkelijk meespelen.’ ‘Kerk is een geloofsgemeenschap waarvan het verbindende element is: mensen bijeen in Jezus’ naam.’ Aldus de voorliggende notitie van november 2014.

In april 2015 sprak de synode over ‘een eerste schets van een vademecum’ in de vorm van het rapport Kerk naar 2025. Het werd een ‘levendige bespreking’, waarna de synode besloot dat het rapport, met inachtneming van de bespreking in de synode, richtinggevend zou zijn voor een vervolgnota over de inhoud en inrichting van de kerk.
30
Deze vervolgnota is geagendeerd voor de synodevergadering van november 2015.

Inhoud

Na een inleiding over de vraag ‘Waarom kerk?’ wordt in deel 2 van het rapport het ‘DNA’ van de PKN bloot gelegd. Tot het DNA van de kerk behoren bijzondere diensten en de ambten. In dat kader komen ook de predikanten ter sprake (2.5.a). Predikanten vervullen een bijzondere rol in de ‘dienst van het Woord’. De tekst plaatst verschillende termen die de taak van predikanten omschrijven tussen aanhalingstekens, alsof het jargon is, of metaforisch taalgebruik: predikanten ‘zijn’ niet van de gemeente, ze worden ‘beroepen’, voor een tijd ‘verbonden’ aan een gemeente, ze zijn ‘herders’ en ‘leraars’, ‘vrijgesteld van werkzaamheden’. Niet tussen aanhalingstekens staat dat predikanten in de traditie van de apostelen staan, dat ze beschikbaar zijn voor God en de gemeenten en tijdgenoten, en dat ze het goede voorbeeld geven.

In het deel over de inrichting van de kerk (‘dilemma’s en keuzes’) wordt over de predikanten geschreven dat het een zegen is dat de kerk over vele predikanten beschikt, en dat er ook in de toekomst plaats zal zijn in de kerk voor geroepen dienaren van het Woord van God (4.2). Die toekomst zal echter een beroep in beweging laten zien. Voortdurend zal er nagedacht worden over opleiding en beroep van de predikant. Als één van de dilemma’s hierbij wordt genoemd de aard van de binding van de predikant aan een gemeente, voor onbepaalde of bepaalde tijd. Het dilemma wordt opgeroepen door krimpende financiële middelen, maar ook door de problematiek van vastgelopen relaties tussen predikanten en gemeente. ‘Met alle spanningen van dien’, wordt daar nog aan toegevoegd.

Dat leidt tot de stelling dat de binding van een predikant aan een gemeente voor bepaalde tijd te prefereren is boven een niet getermineerde aanstelling.
31
Dat zou een bijdrage kunnen zijn aan een oplossing voor het genoemde dilemma, uiteraard met ‘inachtneming van een rechtspositie van predikanten’, zo wordt opgemerkt.
32
Deze stelling wordt gelegitimeerd met een verwijzing naar ‘de onrust van de voeten van de apostelen’, waar predikanten van zouden moeten weten.

Observaties

De ontwikkeling van het beroep wordt hier vooral gezien als aangestuurd door terugloop in beschikbare middelen en door de problematiek van spanningen tussen predikant en gemeente. De tekst verwijst een aantal keren naar conflicten tussen predikanten en kerkenraad (2.7.a; 4.4). Er wordt in het midden gelaten wat de aard en de omvang van deze problematiek is en of hier sprake is van verwijtbaar gedrag van de zijde van predikanten of van gemeenten en kerkenraden, maar de consequenties worden wel neergelegd bij de predikant.

De stelling over de binding van predikanten, met als beleidsimplicatie de verplichte mobiliteit, wordt beargumenteerd met wat gezien zou kunnen worden als een theologische legitimatie, de verwijzing naar een bijbelse associatie,
33
of misschien ook naar de missionaire roeping van predikanten. Deze legitimering geeft extra betekenis aan wat primair over predikanten wordt opgemerkt in deze tekst, dat zij staan in de traditie van de apostelen die uitgezonden zijn om te getuigen van het evangelie in deze wereld. Daarmee wordt dus geen ambtelijke presentie via apostolische successie geïmpliceerd, maar wordt de predikant vooral als evangelist en getuige geprofileerd. Missionair betekent mobiel, waarmee missionair kerk-zijn een belangrijke legitimatie wordt om te tornen aan de bestaande rechtspositie van predikanten.

Het ingewikkelde aan het fragment over de predikanten is dat niet te bepalen is wat beschrijving is en wat voorgenomen beleid, omdat gebruik gemaakt wordt van modale werkwoorden. Modale werkwoorden, en dat geldt zowel voor het gebruik daarvan in preken als ook in deze tekst,

Modalverben; „dürfen“, „können“, „mögen“, „müssen“, „sollen“, „wollen“ u.ä. Wendungen bilden Aussagen über Bedingungen von Sein und Tun und wirken in der Regel wie Konditionalsätze.‘ Gerhard Debus u.a., ‘Thesen zur Predigtanalyse‘, in: Rudolf Bohren und Klaus-Peter Jörns (Hrsg.), Die Predigtanalyse als Weg zur Predigt, Tübingen: Francke Verlag 1989, 55-61.

voegen een modaliteit toe aan een beschrijving van een situatie. Bijvoorbeeld, de zin ‘Het beeld van het beroep van predikant zal in de toekomst bewegelijk zijn’ kan gelezen worden als beschrijving van een beroep in transitie. Evengoed kan het echter verstaan worden als een oproep, of een waarschuwing, aan de predikanten als beroepsgroep dat zij hun verworven rechten moeten opgeven. De tekst laat onduidelijkheid bestaan over de visie die daarachter schuil gaat. En dat maakt dat een zin als ‘Ook in de toekomst zal er in onze kerk plaats zijn voor predikanten’ ook minimalistisch gelezen kan worden: predikanten mogen blij zijn als er überhaupt nog plaats voor hen is.

Summa

De kerk beschikt over een theologische visie op het predikantschap. De kerkorde in het kader van het actuele oecumenische gesprek over het ambt maakt dat genoegzaam duidelijk. Die visie wordt echter 1) minimalistisch geïnterpreteerd, 2) vanuit een angstige bezorgdheid gereguleerd en 3) vanuit een HRM-perspectief gestructureerd en gerelativeerd. Op verschillende momenten belijdt de kerk de essentie van het predikantschap voor het welzijn van de kerk, maar steeds met een spreekwoordelijke calvinistische zuinigheid. De predikant is dienstbaar als getuige en missionaris, van zichzelf af wijzend en zeker niet aanwezig als sterke leider. Sacramenteel denken ontbreekt in reflecties op het predikantschap. Dat is tot daar aan toe, ware het niet dat de theologische visie op het predikantschap verder wordt ingeperkt door gedragsregels en door het herstructureren van de rechtspositie. Er lijkt een zeker wantrouwen te bestaan in de kerk tegen predikanten die een onaantastbare rechtspositie bekleden maar dat niet waar maken, bijvoorbeeld door te voorkomen dat de kerk verder in de marge verdwijnt. Bij het lezen van de beleidsteksten blijft er, met alle positieve zaken die opgemerkt worden, toch een beeld hangen van predikanten die grenzen niet respecteren, conflicten veroorzaken met kerkenraden, hun verantwoordelijkheid niet waarmaken en niet voldoende toegerust zijn om complexe vragen professioneel te behandelen. Die beeldvorming is schadelijk voor het predikantschap en voor de kerk. Het ondermijnt het vertrouwen dat essentieel is voor een theologische waardering van het ambt van predikant in de kerk. Daar ligt een grote uitdaging voor de kerk op weg naar 2025.

Package-deal

In haar analyse van het predikantschap in de Evangelische Kirche in Duitsland als een professioneel beroep maakt de praktisch theologe Isolde Karle gebruik van het begrip ‘package-deal’ om de precaire balans tussen de wederzijdse rechten en plichten van predikanten en landelijke kerk te verwoorden.

Isolde Karle, Der Pfarrberuf als Profession. Eine Berufstheorie im Kontext der modernen Gesellschaft [Praktische Theologie und Kultur 3], Gütersloh: Chr. Kaiser/Gütersloher Verlagshaus 2001.

Dit begrip ontleent zij aan de beroepensocioloog Stichweh, die een package-deal kenmerkend acht voor professionele beroepsbeoefenaars. ‘Professies’ zijn beroepen waarbij de professional hoogwaardige diensten aan het publiek verleent die een grote impact op de psychische en fysieke integriteit van mensen kunnen hebben. Te denken valt aan medici die onze gezondheid checken, ziektes diagnosticeren en fysiek ingrijpen in onze lichaam met medicijnen, behandelingen en chirurgische correcties. Of aan advocaten aan wie we het behartigen van onze belangen en rechten toevertrouwen en van wie het afhankelijk is of ons recht gedaan wordt en of we genoegdoening krijgen. En natuurlijk ook aan predikanten aan wie we ons individuele zielenheil toevertrouwen en die we een belangrijke verantwoordelijkheid toedichten voor het vitaliseren van geloofsgemeenschappen. Professies ontlenen hun bestaansrecht aan het deskundig omgaan met precaire aangelegenheden: fysieke en psychische integriteit, gerechtigheid, heil. Professionals kunnen dat alleen wanneer er bij het publiek vertrouwen bestaat dat het welzijn in goede handen is bij deze beroepsbeoefenaars. Dat vertrouwen is gebaseerd op een standaardisering van uitgesproken en vastgelegde verwachtingen van het publiek ten opzichte van de professionals en van de eveneens contractueel vastgelegde vergoedingen en tegenprestaties van het publiek naar de professionals.

Voor predikanten binnen de PKN (en haar voorgangers) ziet dat er als volgt uit.

  • Omdat het belangrijk is dat predikanten bereikbaar zijn om op korte termijn mensen pastoraal bij te staan is in de kerkorde residentieplicht opgenomen. Daar tegenover staat dat de gemeente zich verplicht een dienstwoning beschikbaar te stellen.

  • Omdat het preken en voorgaan in kerkdiensten en het begeleiden van mensen in complexe levenssituaties en crises deskundigheid vraagt stelt de kerk als voorwaarde dat de predikanten een academische opleiding genoten hebben. Om deze deskundigheid op peil te houden heeft de kerk de mogelijkheid gecreëerd studieverlof op te nemen.

  • De diepte-investering in een lange academische opleiding is alleen maar zinvol wanneer predikanten zich voor langere tijd committeren. De kerk maakt dit mogelijk door garant te staan voor een levenslange aanstelling en een goede rechtspositie.

  • Het werk van de predikant vindt op verschillende dagdelen en vaak op onregelmatige tijden plaats. Een arbeidsdag van 9 tot 5 en een arbeidsweek die op vrijdagmiddag ophoudt vormen geen passende structuur voor het gemeenteleven.

  • Het belang van het predikantschap voor de kerk vraagt om predikanten die geen tijd en energie moeten spenderen aan werkzaamheden om in een eigen inkomen te voorzien. De kerk stelt predikanten vrij van arbeid uit loondienst, van het speculeren op de beurs en van het kapitaliseren van een onderneming. Het traktement symboliseert die vrijheid van de noodzaak om geld te verdienen.

  • Het werk van de predikant is complex. Het is persoonlijk, het moet maatwerk zijn, het gaat over individueel geloof. Om recht te doen aan de gesubjectiveerde diversiteit van de geloofsgemeenschap moet de predikant vrij zijn om zijn tijd in te delen en zijn activiteiten zelf in te plannen. Autonomie is een groot goed voor predikanten en noodzakelijk voor een goede beroepsuitoefening.

  • Predikanten dragen een grote verantwoordelijkheid die gereguleerd wordt door een beroepsethiek en geheimhoudingsplicht. Daarvoor ontvangen de predikanten erkenning en waardering en sociaal aanzien.

Kortom, er zijn wederzijdse verwachtingen en verplichtingen en dat bepaalt de package-deal. De privileges en verplichtingen vormen een ‘coherent sociaal beeld’ van het predikantschap dat de vertrouwensbasis vormt voor het werk van de predikant. Er is een directe relatie tussen professionele autonomie en het zich gedragen op een wijze die het vertrouwen niet schaadt. Of zoals Karle opmerkt:

‘Der package-deal stabilisiert mithin auf beiden Seiten unwahrscheinliche Erwartungen und bildet damit die Grundlage für das Vertrauensverhältnis von Pfarrerinnen und Pfarrern und Kirchenleitung.’

Karle, Der Pfarrberuf als Profession, 275.

Tegelijkertijd constateert Karle in Duitsland tendensen tot, wat zij noemt, ‘de-professionalisering’. Ze duidt daarmee op ontwikkelingen die de bestaande package-deal ondergraven en de stabiliteit tussen privileges en verplichtingen uit balans brengen. We zien soortgelijke ontwikkelingen bij het predikantschap in de PKN. Predikanten zelf hechten steeds meer aan een scheiding tussen privé en beroep en willen zich niet langer onderscheiden van andere beroepsgroepen. De kerk neemt verschillende rechtspositionele maatregelen die wellicht financieel nodig zijn, maar ook de privileges beperken. Een aantal daarvan zijn in dit en de andere artikelen in dit themanummer voorbij gekomen: herkeuring bij invaliditeit, beperking duur wachtgeld, jaargesprekken, normjaartaak, gedragsregels, centraal ‘werknemerschap’, verplichte PE, flexibilisering van de aanstellingstijd, het teruglopen van het aantal fulltime predikantsposities enzovoort. Verder is er in toenemende mate sprake van incidentele en partiële betrokkenheid van gemeenteleden, terwijl de druk op predikanten om de kerk te ‘redden’ toeneemt naarmate de middelen beperkter worden. Het sociale aanzien van het predikantschap en het verlies aan autoriteit is al veel langer een gegeven. Daarnaast is er echter ook sprake van betekenisverlies van de theologie, waar de hierboven besproken beleidsteksten van getuigen. Dat heeft gevolgen voor de theologische expert.

Met andere woorden, de balans raakt uit evenwicht, de package-deal wordt ondergraven, waarbij de lasten voornamelijk op de schouders van de predikanten gaan rusten. Dat is een mogelijke analyse, die bevestigd lijkt te worden door een tekst van het huidige bestuur van de Bond van Nederlandse Predikanten (BNP) van januari 2015 over de ‘vrijheid van de predikant’.
34
 Die notitie legt de vinger bij een aantal pijnpunten in recent kerkelijk beleid (gedragscode, normjaartaak, differentiatie in beloning, PE) en zet voorzichtig een aantal lijnen uit voor toekomstig beleid. Die voorzichtigheid laat onverlet dat de notitie een aantal duidelijke statements maakt. ‘De toenemende hoeveelheid protocollen en regels en de neiging om alles te willen regelen en de druk om zo transparant mogelijk te functioneren zet de vrijheid van de predikant om God, gemeente en mensen te dienen onder druk.’ En: ‘kerkordelijke regels voor getermineerde aanstellingen ontbreken.’ En: gedragscodes worden soms misbruikt om predikanten te beschadigen.’

Ik versta deze uitspraken als een signaal dat het bestuur van de BNP afgeeft. Het signaal duidt erop dat de package-deal tussen kerk en predikanten uit balans aan het raken is. De toekomst van het predikantschap in de PKN vraagt om beleidspraktijken van de synode die een verschuivende package-deal weer in nieuw evenwicht brengen, zodat er vertrouwen kan zijn tussen predikanten en kerkelijke vergaderingen. In een tijd van veranderingen is stabilisering van de privileges en verplichtingen wellicht teveel gevraagd, maar het is de verantwoordelijkheid van (het moderamen) van de synode om zorg te dragen voor de professionele predikanten. Het HRM-perspectief moet daarvoor gelijke tred houden met de theologische doordenking van het ambt en het beroep van predikant. Het gaat niet aan om de theologische reflectie op het predikantschap in de toekomst in de bureaulade te laten liggen en in de tussentijd voortgang te boeken met beleidsvoorstellen die de rechtspositie van predikanten veranderen en verslechteren.

< Terug