< Terug

Prediking en apocalyptiek

Kees van Ekris zet een aantal observaties op een rij over een theologisch genre ‘dat we misschien geneigd zijn ietwat te mijden’.

Apocalyptiek is een ‘ongemakkelijk’ theologisch genre. Het is omgeven met een imago van ‘theologische science fiction’, het is een ‘theologie in extremis’. We weten en herhalen eindeloos: Apocalyptiek is vatbaar voor velerlei misvatting en homiletisch gezien leidt het nogal eens tot een intensivering van de angst. Tegelijkertijd is het in de Bijbel geen randverschijnsel, zoals soms gesuggereerd wordt. In de synoptische evangeliën gebeurt op verschillende plekken apocalyptisch taalgebruik, de kruisiging van Jezus is in apocalyptische beelden verwoord, en op Pinkstermorgen klinkt apocalyptiek: ‘Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer de grote en doorluchtige dag des HEEREN komt’ (Handelingen 19-20). De Christus-onthulling heeft intrinsiek apocalyptische trekken.

Het zijn dan ook niet de minste reformatorische theologen die de prediking überhaupt als een vorm van apocalyptiek hebben beschreven. Bijvoorbeeld Heiko Oberman, in navolging van Luther: ‘In the sermon Christ and the Devil are revealed, Creator and creature, love and wrath, essence and existence, ‘Yes’ and ‘No’. The sermon does not have to try desperately to be actual because it has the highest possible actuality; it reveals and responds – in this order! – to the creation whichwaits in eager longing for the revealing of the sons of God.’

De schepping, zegt Oberman, ‘wacht’ op de onthulling van de kinderen Gods, en die onthulling gebeurt ook in de prediking, en die onthulling is onderscheidend, ze onthult Christ and the Devil, love and wrath. De grote onthulling is het kruis en de opstanding van Jezus Christus, dat is de waarachtige Apokalyps. In prediking wordt dat ontvouwd. In eschatologie wordt dat kosmisch onthuld en toegepast. Prediking van het Woord Gods, schrijft Josuttis, heeft de ‘energetische Qualität om de betovering van zonde en dood te doorbreken.

Daarnaast is er de geleefde werkelijkheid. Tijden kunnen apocalyptisch overkomen. De gruwelijke beelden die in de Apokalyps van Johannes een literaire gestalte hebben, lijk je soms zomaar in werkelijkheid tot je te krijgen. Gemeenteleden hoor ik daar ook naar vragen: naar de ernst van de tijd, en ik hoor hun intuitie dat er iets kantelt en dat iets op het spel staat. In die zin attendeert de tijd soms op een theologisch genre dat we misschien geneigd zijn ietwat te mijden. Dat is ook wel een bredere homiletische vraag: Hoe verdisconteren wij het keiharde kwaad eigenlijk in de eredienst, niet alleen in de liturgie en de gebeden, maar ook in onze theologie en prediking?

Op Hemelvaartsdag preekte ik over Openbaring 4 en 5, over ‘het Lam’ dat kwam en het verzegelde boek in ontvangst nam. Het verbreken van die zegels lijkt te betekenen dat de gebeurtenissen die de ‘eindtijd’ in gang zetten, nu gaan beginnen. De ontknoping van de geschiedenis vangt aan. ‘Het Eeuwige gaat zich als dynamische kracht roeren in dat broze en eindige en zondige bestaan’, dat is apocalyptiek (Miskotte). Hemelvaartstdag is dus het begin van het einde. We lezen daar dat de ontknoping van de geschiedenis: dat is: God die tot zijn recht komt, in de handen ligt van ‘het Lam’. Daarom wordt er ook extatisch gezongen in de hemel, als Hij dat boek in handen neemt. In de apocalyptiek liggen extase en angst, verzegeling en wanhoop dicht bij elkaar. Tegelijkertijd is het vrebreken van de zegels het begin van catastrofale ontwikkelingen, die in de hoofdstukken daarna ijzingwekkend geschilderd worden. Na Hemelvaart had ik wat meer tijd om kritisch naar mijn eigen preek te kijken. Wat is apocalyptiek eigenlijk, hoe kan ze zuiver functioneren in de prediking? In deze bijdrage benoem ik enkele contextuele en theologische observaties. Daarnaast is het een verwerking van een boek van Gregor Taxacher: Apokalyptische Vernunft. Das biblische Geschichtsdenken und seine Konsequenzen.

Twee lege ogen middenin

Om te beginnen: Wij zijn ‘gewend geraakt’ aan het apocalyptische, zo lijkt het wel. Wij zijn ‘gewend geraakt’ aan analyses over het milieu en de noodlottige effecten ervan in de komende decennia. Ik heb al veel doemscenario’s gezien en gehoord. Wij zijn ‘gewend geraakt’ aan economen die zeggen dat wij op een crash aankoersen. Lees hoe Joris Luyendijk schrijft over zijn periode in The City in London, en zijn analyse over de ‘eigenmachtigheid’ van de financiële en economische systemen. Hij vergelijkt dat met ‘een vliegtuig dat onderweg is, zonder dat er iemand in de cockpit zit’. Wij leven dus temidden van een ‘accident waiting to happen’, zegt hij. Luyendijk citeert zelfs een Londense topbankier die thuis wapens heeft ‘voor het geval dat’, om de anarchie en chaos die hij verwachtte tijdens de systeem-crash, te kunnen gebruiken. Ik kan het realiteitsgehalte ervan niet inschatten, maar analytisch gezien zou je dat ‘seculiere apocalyptiek’ kunnen noemen. Het is in deze versie niet door een direct Godsingrijpen dat de crash gebeurt, maar het is door collectief menselijk handelen/falen dat onze geschiedenis op enig moment in de nabije toekomst iets catastrofaals zou kunnen ondergaan. En, vreemd genoeg, ‘weten wij dat’. Gregor Taxacher schrijft: Ergens in een bepaalde laag van ons bewustzijn bestaat het besef dat wij in een ‘permanente potentiele eindtijd’ leven. In onze eeuw is ‘geschichtliches Handeln (….) zum andauernden Management der Apokalyps-Vermeidung geworden’.

Voeg daarbij de gruwelijke beelden die wij de laatste jaren zien: In-kooien-verbrande-mensen, in-het-water-geduwde gezinnen. En ‘opeens’ hebben we te maken met een terreurbeweging genaamd ISIS die als onkruid zo snel om zich heen grijpt. Graeme Wood heeft uitgelegd dat het de theologie van ISIS is om ‘de Apokalyps zelf teweeg te brengen’, te forceren. ISIS is naar eigen zeggen een ‘eindtijdbeweging die zelf de zuivering van de wereld ter hand neemt’. We maken het nu mee, in deze jaren terwijl wij leven en preken, dat de kerk in het Midden-Oosten de facto verdreven en uitgeroeid wordt. Wat doet dat nu allemaal aan het ‘geestesleven van mensen’? Deze terugkerende eindtijdsdreiging, vanwege bruut terrorisme dat altijd dreigt ook in ons land, vanwege economische, maatschappelijke en environmental catastrophes die mogelijk staan te gebeuren? Kees Fens beschrijft het woord ‘dood’ als een woord ‘kort van duur’, met ‘twee lege ogen of gaten of nullen middenin, en dan een abrupt einde’. Wij leven in tijden waarin die dood, met die twee lege ogen in het midden, ons voortdurend aankijkt.

Goednieuwscultuur

Wat doet dat aan ons? Het geeft in ieder geval een vreemde mix van angst en apathie, van sluimerende paniek en stringente verdringing, denk ik. Ik vermoed dat die angst en apathie ergens in het gemoedsleven zich nestelt, en dat er ook maar weinig nodig is wil dat getriggerd worden. Dan zullen wij verwonderd zijn over de angst die in het zieleleven bonkt. Aan de oppervlakte is er het gewone leven: werk, vriendschap, gezin, drukte en vakantie, en dat in een moordend tempo. Daar is geen tijd voor dat ‘ontregelende’. We moeten verder, en we moeten er toch iets van maken. De hele dag miezemoezen kan niet en verlamt ook, en dus verdringen we het. En de kerk is daarin een hele aparte plek. Aan de ene kant pretenderen we dat de kerk een eerlijke plek is, waar het werkelijke leven op tafel komt. Maar aan de andere kant is er een stilzwijgende druk dat bijvoorbeeld de prediking wel behapbaar, troostrijk en inspirerend moet zijn. ‘Als ik nu ook in de kerk nog eens die sombere werkelijkheid van doordeweeks moet horen, daar kom ik niet voor’.

Een voorbeeld. Op zaterdag staat er in de NRC vaak een interview met een CEO van een bepaald bedrijf. Interessante portretten zijn dat vaak. Als ik daar de analyses lees over financiële instellingen of bedrijven die langzaam maar zeker ontaarden en op de rand van een crash terechtkomen, door langdurig ontkennen en overbluffen van de financiele en morele risico’s die genomen werden, lees ik vaak over wat genoemd wordt een ‘goednieuwscultuur’. Als het ergens niet goed gaat, ontstaat bijna als vanzelf een soort ‘taboeïsering van het pessimisme’. Een dreigende crash moet dusdanig ontkend en verdrongen worden, dat degene die zijn pessimisme kenbaar maakt, genegeerd wordt of kalt gestellt. Dat lijkt met elkaar te maken te hebben: Een dreigend einde moet verdrongen worden, en onderdeel van dat verdringingsmechanisme is die taboeisering van diegene die wat verdrongen moet worden, uitspreekt.

Je kunt je afvragen of dat ook kerkelijke equivalenten heeft? Kent de prediking en het kerkelijke leven ook iets van die dwang van een ‘goednieuwscultuur’? ‘De crash-cijfers van de kerk in Europa, die kennen we nu wel, vertel nu eens iets positiefs!’, zoiets. En voor een deel is dat dus echt zo: als de prediking een doublure wordt van de ellende van deze wereld, is zij geen prediking. Anderzijds: prediking die de werkelijkheid ook in haar catastrofes niet aankan rust de gemeente niet toe, maakt haar verre van weerbaar.

Vorige week vertelde een jonge vrouw me dat ze eigenlijk haar hele jeugd amper heeft gebeden, omdat de gebeden die zij aangeleerd gekregen had op geen enkele manier correspondeerden met het drama dat zij in haar leven meemaakte. Het ‘impliciete wereldbeeld’ in haar geloofsopvoeding, zowel thuis, in de kindernevendienst als in de prediking, was zo steriel en optimistisch, dat het ontoereikend was om haar ‘empirische leven’ erin te kunnen uiten. Toen we op een kring eens waarachtig ‘jammerden tot God’ om datgene in haar leven wat definitief stuk lijkt, ademde ze op. En zei ze: ‘Wat me zo goed deed, was dat er niet gelijk over oplossingen, laat staan genezing, werd gesproken. Eindelijk kon ik eens werkelijk ‘janken’. Mijn ziel ademde op, toen iemand zei dat ‘deze wereld vaak om te janken is’. Rudolf Bohren, die een prachtige paragraaf in zijn Predigtlehre schreef over ‘Apokalyptische Predigt’, observeert dat de apocalyptiek helpt om de werkelijke ‘Furcht’ en de werkelijke ‘Freude’ te kunnen uiten. Dat heeft met elkaar te maken, verdriet uiten en je wanhoop en nieuwe hoop ontvangen. Dat pepert ook Walter Brueggemann steeds zijn lezers in: Reality, Grief and Hope hebben integraal met elkaar te maken, en in de theologie van de profeten is dat steeds terug te vinden. Het nieuwe visioen gebeurt nergens zonder dat er hartgrondig gejammerd en geklaagd wordt over het gebeurde.

Nu, heeft onze kerkelijke ongemakkelijkheid met apocalyptiek misschien ook iets te maken met het amper meer kunnen plaatsen en beleven van kapotmakend kwaad? Ton van der Hoeven heeft in zijn proefschrift breed verkend hoezeer het thema van de satan in reguliere theologie amper serieus genomen werd, het was ‘metafysica voor de domme kerels’, of ‘al lang verslagen’. Tegelijkertijd werd in brede lagen van de cultuur die satan intens en realistisch beleefd. Zoiets lijkt me niet onmogelijk ook te gebeuren rondom het theologische thema van het apocalyptische. Kapotmakend kwaad, waar komt het aan bod, waar wordt dat erkend, waar wordt het onder ogen gezien als onderdeel van de ontknoping van de geschiedenis? Ik las in het recente rouwboek van Margriet van der Kooi zo’n uitspraak: ‘Soms is er geen troost’. Soms wachten wij dus slechts op de jongste dag. In die zin zijn er dus ook mensen voor wie apocalyptiek een verademing is: Kome die dag haastig! Dat is niet de minste gebedsroep van de kerk, en daar hoeft ze zich niet voor te schamen.

Apokalyptische vernunft: zelf-kritisch, situationeel, realistisch

Het is geen winst, denk ik, wanneer we in de liturgie, de prediking en in het ‘theologisch vocabulaire’, het apocalyptische verliezen. Ik zeg dat ietwat robuust, maar ik deel volledig in de verlegenheid ervan. Hoe dan? Wat zijn de contouren van een gezonde apocalyptiek?

Apocalyptiek is ten eerste een specifiek type van het profetische, en het profetische is een uiting van het bijbelse denken over de geschiedenis. Ik denk zelfs dat de theologische categorie van het profetische een van de drie, vier theologische hoofdbegrippen in heel de Bijbel is.

Gregor Taxacher heeft drie criteria ontwikkeld vanuit dit bijbelse geschiedenisdenken, waarvan apocalyptiek een onderdeel is, die volgens hem onopgeefbare motieven voortbrengen, waar we ook vandaag baat bij hebben.

Het eerste motief is het motief van de zelf-kritiek. Profetische theologie ontstaat in de Bijbel vanuit een reflectie over het eigen falen. De deuteronomistische geschiedschrijving noemt Taxacher een ‘Geschichtsschreibung gegen sich selbst’. Het is een deconstructie van de Israelitische koningen-geschiedenis en van de ‘religiöse Sicherheits-Ideologie’. In die reconstructie is er altijd fundamentele aandacht voor de lijdenden en de slachtoffers, voor hen die vermalen zijn geworden onder deze macht, zowel staatsmacht als religieuze macht. De apocalyptiek is een verheviging van deze spanning. Bijbelse apocalyptiek is dus het tegenovergestelde van een ‘Siegergeschichte’. Het gaat nu juist om een uiteindelijke en definitieve catharsis waarin God definitief ‘machtigen onttroont’ en hun slachtoffers rehabiliteert. Taxacher noemt de apocalyptiek zelfs een kosmische extrapolatie van Jezus’ verkondiging van het Rijk Gods in de Bergrede. Of: Een universele ontvouwing van kruis en opstanding van Christus. Slechte en gevaarlijke apocalyptiek ontstaat wanneer deze dialectiek van Christus’ kruis en opstanding omgebogen wordt tot een ‘Rechtfertigungs- und Legitimationsgeschichte’ van de eigen groep, van de groep van degenen die deze apocalyptiek zelf ter hand neemt. Het is onopgeefbaar dat God-Zelf het Subject is in deze apocalyptiek.

Het tweede motief is het situationele en contextuele karakter van het bijbelse geschiedsdenken. De profetische thema’s van oordeel en genade zijn nooit abstracte thema’s die op willekeurig welke situatie toegepast kunnen worden. Apocalyptiek is dus ook niet een soort ‘verschlüsselte theologische Geschichtsmathematik’. De apocalyptici in de bijbel hadden concrete historische omstandigheden en gestaltes op het oog, en die hebben wij nauwkeurig te analyseren en te reconstrueren. Taxacher wijst daarom op het belang van de ‘subjectiviteit’ van theologie. Het blijft een fundamentele vraag in elk theologisch ontwerp: Wie is hier aan het woord, met welke motieven, met welke situationele contextualiteit, wat heeft iemand op het oog met deze theologie, wie of wat is de mind achter deze theologie? Juist de theologische analyse van hoe en waarom bijbelse apocalyptiek gebeurt, voorkomt dat ze zomaar door iedereen legitiem aangewend kan worden. Voor je het weet is apocalyptiek een vorm van ‘Selbststabilisierung’.

Het maakt dus uit of je theologiseert vanuit Zeist, Sao Paulo of Mosul, of je welvarend bent of straatarm, man of vrouw, gaaf of gewond. Verbonden hiermee is dat volgens Taxacher profetische theologie in de Bijbel juist geboren wordt in catastrofes. De ballingschap is een voorbeeld van zo’n enorm gewichtige gebeurtenis die theologisch breed uitgewerkt wordt. Vanuit die catastrofes wordt decennialang ‘theologie’ geboren, een werkelijkheidsverstaan en een Godsverstaan vanuit dat wat concreet en situationeel gebeurd is. Als principieel Europees catastrofe-moment, wat dus om ons verstaan van God en onszelf breed uitgewerkt dient te worden, noemt Taxacher: Auschwitz. Wie daar dader en slachtoffer was, de filosofie, de economie en de theologie die mede-verantwoordelijk was voor die catastrofe, dat moet in de decennia daarna geanalyseerd en ontvouwd worden en verdisconteerd. Zo krijg profetische theologie vorm, en zo kan het Vernunft dat in die Bijbelse profetische theologie zit, ook gestalte krijgen in onze tijd.

Het derde motief van profetische theologie is dat het realistische theologie is. Profetische theologie gaat altijd over de vraag ‘wie zijn wij geworden, wat zijn wij geworden?’. Het gaat in deze theologie niet om de ‘scheinbar immer gleiche’ verhouding tussen God en mens, maar het gaat erom hoe wij nu voor God staan, wie wij zijn geworden in onze verhouding tot Hem. Die verhouding komt tot uiting in concrete gebeurtenissen: een concrete oorlog, een concrete hongersnood, een concrete apostase van het volk tot haar God. Daarom ontwikkelt Taxacher een zekere allergie tegen omvattende geschiedenis-concepten, concepten die pogen te laten zien dat ‘alles vernünftig sei, was ist’, concepten waardoor men uiteindelijk leven kan met alles wat gebeurt, omdat men vanuit dat ontwikkelde concept daarmee wel ‘einverstanden muss sein’. Profetische theologie gaat niet over metafysische geschiedenis-concepten, maar over ten hemel schreiende concrete gebeurtenissen, die theologisch gekwalificeerd worden door profeten.

Oordeel Gods

Als Taxacher in het slothoofdstuk zijn balans opmaakt, houdt hij een opvallend pleidooi voor de theologische notie van het oordeel Gods. Als wij ons in Europa afvragen wie God voor ons vandaag is, zegt Taxacher, is de eerste notie die ons helpen kan, die van het oordeel van God: ‘Gericht wird die unumgängliche theologische Qualifikation unserer Gegenwart lauten’.

Het oordeel is het fundamentele woord in het profetische bijbelse denken over de geschiedenis. In het begin van de profetie als Bijbels kern-concept, staat de actuele ‘Ansage’ van Gods oordeel over Israel en Juda, en vandaaruit ontwikkelt het profetische het zelf-kritische, het situationele en het realistische van haar theologie. ‘Oordeel’ niet als emotie, als woede Gods waarmee Hij impulsief wegvaagt wat Hem tegenstaat, maar oordeel als continue theologische categorie waarin God onderscheidend spreekt, machtigen onttroont en lijdende kroont. Ook in het Nieuwe Testament staat dit oordeel centraal: ‘Deshalb schildern die Synoptiker die Stunde von Golgotha in apokalyptischen farben; deshalb erwartet die neutestamentliche Eschatologie Gottes universales Gericht als nahe Vollendung dessen, was Gott in Jesus an der Welt tat’. Gered worden heeft veel te maken met ontkomen aan dit oordeel. Ernst Käsemann, en later ook J. Louis Martyn in zijn befaamde Galaten-commentaar, hebben laten zien dat bijvoorbeeld ook de theologie van de rechtvaardiging van de goddeloze, apocalyptisch van aard is. Kruis en opstanding worden onthuld in het leven van een individu: God maakt scheiding in een mens tussen het oude dat Hij verwerpt en het nieuwe dat Hij tot leven roept.

Nu heeft de christelijke theologie een complexe verwerking tot dit thema van het oordeel. Het oordeel als een blijvende factor in de concrete en dynamische geschiedenis van God met mensen, lijkt soms aufgehoben te zijn, in sommige theologische ontwerpen. Reden daarvoor is vaak een bepaalde taxatie van de verzoening in Christus. Het gaat mij nu niet om de complexe systematische vraag, maar om de homiletische uitwerking van dergelijke theologie. Taxacher: Wanneer het oordeel verdwijnt uit theologie en prediking, is er het risico dat Gods wending van ‘Nee naar Ja’, een feststehender Gnadenmechanismus wordt, en daarmee wordt de profetische geschiedenis-dialectiek ‘harmlos’. Taxacher noemt dan een term van J.B. Metz die mij belangrijk lijkt voor onze vraagstelling. Als deze profetische dramatiek onschadelijk is gemaakt, ontstaat min of meer vanzelf een Erschütterungsresistenz der Theologie. Voor de catastrofe is dan eigenlijk geen taal en geen theologische plek meer. Wat dan nog rest is het moreel appèl. Maar dat volstaat niet in het aangezicht van het eigenmachtige harde kwaad.

Taxacher besluit met aan te geven dat juist deze profetische theologie over het oordeel kan leiden tot een hernieuwde ontdekking van de Bijbelse eschatologie. Prophetische Theologie is nicht vergafft ins Dunkle, hat keine Lust am Schrecken. Apocalyptiek in de prediking is niet bedoeld om mensen te boeien of te bedreigen met donkere verhalen. Nee, het gaat om een hernieuwd zuchten om Gods openbaring en om Gods handelen. Dat kan weerbaar maken tegen wanhoop, fanatisme en geweld. En tegelijkertijd weerbaar tegen theologische naiviteit en steriliteit.

Exit

Taxacher’s analyse geeft me te denken. Op welke manier hebben wij in ons Nederlands/Europees theologisch discours ook iets van een ‘geschiedschrijving gegen uns selbst’. Hebben wij daar eigenlijk de kracht en de moed voor? Wat leren wij van de apostase om ons heen wat heeft die met onszelf te maken, als kerk. Hebben wij ook een kerkgeschiedenis van de afgelopen decennia ontwikkeld ‘gegen uns selbst’? Let op: Niet als zelfkastijding, maar om God op het spoor te komen. Wat zijn de ‘catastrofes’ waar wij deel aan hebben? Waar wij van te leren hebben? Wie lijdt er onder ons, vanwege ons? Wie zijn wij geworden voor God, voor elkaar? Is apocalyptiek misschien ook een genre ‘tegen ons’? Wat dat betreft ben ik erg benieuwd naar het aangekondigde boek van Ad Prosman over de verwerking van Auschwitz in onze na-oorlogse theologie, en naar Jan Banks boek over ‘God in de oorlog’.

Miskotte heeft Openbaring 4 en 5, over de hemelse liturgie, beschreven als een liturgie waarin twee liederen klinken. Het eerste lied, gezongen door de ‘vier levende wezens (Openbaring 4),’ is het lied der schepping. ‘De zuivere schepping zingt’ schrijft hij. ‘De schepping zingt in wezen altijd, omdat het bestaan zelf in zichzelf vreugde is, zodat ieder wezen ook tracht in zijn bestaan te volharden, zodat ieder wezen het niet-bestaan eigenlijk niet denken kan. En zo klinkt er een loflied door heel de wereld, door het plantenrijk, het dierenrijk, het mensenrijk, en ook door de stille dingen en hun geheimenis, de koralen, de kiezel, het kristal, de broze schelpen en het bergen-torsende graniet’. Apokalyps is onthulling van de essentie der dingen, en dus ook van dit, van dit lied dat te horen is in de schepping. Apocalyptiek helpt ook om de ‘Freude’ op het spoor te komen.

Het tweede lied in die hemelse liturgie, beschrijft Miskotte als het lied der geschiedenis. In de geschiedenis klinken ‘krijsende vraagtekens’. ‘Terwijl een nieuw boek over de philosophie der geschiedenis werd gedrukt van duizend pagina’s, zijn er meer dan tienduizend joodse kinderen neergedrukt in den angst, in den dood. Verklaring, dat bestaat niet. Verdringing, och, dat baat niet.’ Het wenen van Johannes, omdat niemand de verzegelde boekrol openen mag, legt Miskotte uit als een klacht en een huilen, ‘omdat wij dat eerste lied der schepping nog in ons hoofd hebben, en waarom kan dat lied nu niet ook doordringen in de geschiedenis?’ Dat is dus misschien wel een van de diepste motieven van apocalyptiek, dat de geschiedenis zo onthuld wordt, dat de vreugde erin terug zal keren. Dat wordt profetisch aangekondigd, en in de hemelse l;iturgie al zo beleefd. Dat is dus werkelijk troost, en daarom is apocalyptiek een prachtig theologisch genre. Omdat het Lam de geschiedenis tot zijn ontknoping zal brengen, gebeurt een tweede lied in de hemel, een nieuw lied staat er, ‘de zang over een afgesneden zaak’, een lied dat wij niet meer voor mogelijk hielden. Dat hemelse nieuwe lied te horen is een rechtvaardiging van de vreugde in het nu. Dat lied wordt ons te horen gegeven, voor de catastrofes beginnen.

Literatuur

Jan Bank, God in de oorlog, de rol van de kerk in Europa 1939-1945, Amsterdam 2015

Peter Hirschberg, Sehend werden. Wie die Johannesoffenbarung die Wirklichkeit erschließt, Leipzig 2013

Kees Fens. Dat ben ik toevallig, stukjes uit de Tijd, Nijmegen 2015

Joris Luyendijk, Dit kan niet waar zijn, onder bankiers, Amsterdam 2015

K.H.Miskotte, Hoofdsom der Historie, voordrachten over de visioenen van den apostel Johannes, Nijkerk 1944

Ad Prosman, De onverwerkte holocaust, spiegel voor de kerk van nu, Zoetermeer 2015

Gregor Taxacher, Apokalyptische Vernunft, das biblische Geschichtsdenken und seine Konsequenzen, Darmstadt 2010

Graeme Wood, What ISIS really wants’, The Atlantic (vertaald in ‘De Correspondent’, 27 april 2015)

< Terug