< Terug

Preekschets 1 Johannes 3:20

1 Johannes 3:20

Tweeëntwintigste zondag na Pinksteren

En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart.

Schriftlezing: 1 Johannes 3:11-24

Het eigene van de zondag

De laatste drie zondagen van het kerkelijk jaar staan vanouds in het teken van de voleinding. Over zowel onze individuele afwegingen van goed en kwaad als over de strijd tussen de kwade en de goede machten valt (tegen)licht vanuit het einde, of de einder. Voor deze drie zondagen is gekozen voor passages uit de eerste brief van Johannes, steeds vanuit een wat andere invalshoek. Op verzoek van de redactie maak ik voor deze zondag een schets over het individuele geweten, ook als een prefiguratie van het Oordeel. In de volgende schets komen dan de dwaalleraren en de antichrist ter sprake. Voor de eeuwigheidszondag of ‘verbindingszondag’ koos ik een passage over ‘wandelen in het licht’.

Omdat de eerste brief van Johannes niet lineair of betogend is opgebouwd, maar eerder wordt gekenmerkt door een bijna cyclische (Lalleman) of spiraalvormige (De Jonge) behandeling van een aantal thema’s, neem ik de vrijheid de hoofdstukken in een andere volgorde dan gebruikelijk te be(s)preken.

Maarten Luther inspireerde bij de keuze voor deze brief. Als hij op 19 augustus 1527 zijn collegereeks over deze ‘Johannesbrief begint, verkeert hij in zwaar weer. Vanwege de rondwarende pest hebben de meeste andere docenten én studenten Wittenberg verlaten. Bovendien is Luther in de eraan voorafgaande jaren door alle theologische twistgesprekken onder anderen met zijn voormalige kompaan Karlstadt gebrouilleerd geraakt. Hij lijkt meer dan ooit op zichzelf teruggeworpen te zijn. Vanaf die zomer tot aan het einde van dat kalenderjaar getuigt Luther volgens zijn biografen in alle brieven van matheid van lichaam en ziel, ‘von innere und äußere Not’. In die periode gaat Luther juist college geven over 1 Johannes en schrijft hij in zijn voorwoord: ‘Da wir also angefochten sind vom Tod, unserer Sünde und den Irrlehrern, habe ich mir vorgenommen, diesen Brief mit euch zu lesen, damit wir uns gegenseitig trösten möchten. (…) Dieser Brief ist überhaupt ein Brief voller Trost, der ein unruhiges Herz zu tröstenvermag’ (wa 20, 599-600).

Uitleg

In hoofdstuk 3, het midden van deze brief, staat de identiteit van de kinderen Gods op het spel: wij – de auteur denkt inclusief – gelovigen héten niet alleen kinderen Gods, we zijn het ook (vs. 1a), ook wanneer de wereld ons niet (h)erkent (vs. 1b) én nog onduidelijk is hoe wij zijn zullen op de jongste dag (vs. 2). In de verzen die volgen blijkt hoe de verschijning van de Zoon van God (!) op aarde gevolgen heeft voor de onmogelijke mogelijkheid van de zonde: wie de zonde doet, is uit de duivel, en wie uit God geboren is, zondigt niet (vs. 8-9). Deze krasse uitspraken hebben vertolkers al heel wat hoofdbrekens bezorgd, maar zegt het niet vooral iets over de verwarrende werkelijkheid van de strijd waarin de gedoopten verwikkeld zijn en waarbij het erop aankomt als ‘zaad’, wortelend in Gods liefde, zelf lief te hebben? Liefde als gave (vs. 1) én opgave (vs. 11) verbindt de perikopen 3:1-10 en 3:11-24 met elkaar.

11-12. De beginwoorden herinneren aan 1 Johannes 1:5. Daar is de boodschap: God is licht; hier is het: dat wij elkaar liefhebben. Het lijkt erop dat in de brief ‘de broeder liefhebben’ (2:10; 3:10, 14; 4:20, 21) en ‘elkaar liefhebben’ (3:11, 23; 4:7, 11, 12) inwisselbaar zijn. De kerkvader Hieronymus vertelt dat Johannes tijdens zijn laatste jaren, toen hij niet meer kon preken, alleen nog maar zei: ‘Kinderen, heb elkaar lief.’ De briefschrijver, die wel vaker met zwart-witbeelden werkt, voert in de persoon van Kaïn een antitype op. Het eerste bijbelse broederpaar – in deze brief is dit de enige verwijzing naar het Oude Testament – heeft blijkbaar een archetypische functie (vgl. Mat. 23:35 en Hebr. 11:4). Klauck wijst erop dat in sommige gnostische teksten Kaïn een bijzondere rol speelt. Kerkvader Ireneus weet van een subversieve sekte die naast Esau en Judas Kaïn als held vereert.

13-17. Waar de wereld is als Kaïn, vormen de christenen voor de wereld wat Abel voor Kaïn was, zo luidt de redenering. Onduidelijkheid kun je de briefschrijver niet aanwrijven: niet liefhebben is haten, haten is in feite moord (vgl. Mat. 5:21-22). Net als in Johannes 5:24 en Johannes 8:37-47 staat alles in het licht van de scherpst mogelijke tegenstelling tussen dood en leven. Een des te sprekender contrast vormt Jezus, die juist uit liefde voor ons zijn leven gaf. Voor dit ‘afleggen van het leven’ (ethèken), zie Johannes 10:11-18 en Johannes 13:4. Het voorbeeld van Jezus wordt in vers 16b (als in Joh. 15:12-13) de maatstaf van de liefde. Dat het ‘offeren van ons leven’ de lat van de liefde wel erg hoog legt, lijkt de auteur zelf ook te beseffen. In vers 17 wordt het afgezwakt.

18-24. Opnieuw roept de schrijver op tot liefde, nu met de aanwijzing dat het om daadwerkelijke liefde gaat. Het Johanneïsche begrip waarheid betekent hier allereerst ‘echt’ of ‘daad-krachtig’. Grammaticaal levert het herhaalde voegwoord (óti) problemen op. Het geeft goede reden vers 19b en 20a samen te lezen: ‘Wij zullen voor hem ons hart overtuigen wanneer het hart ons veroordeelt, want’. Het maakt duidelijk hoe deze verzen niet wortelen in twijfel, maar in geloofsvertrouwen en zelfs vrijmoedigheid. Hoewel, probeert het hart – het geweten -, is het gegeven dat God alles weet en ziet, als in Psalm 139, wel zo geruststellend? En waar de briefschrijver in de verzen 21-24 stelt dat we op grond van ons doen van de geboden vol vertrouwen kunnen zijn, roept hij de vraag op: doen of volbrengen we die dan? Voor de briefschrijver, die zo zwart-wit redeneren kan, staat – zowel in 1 Johannes 1:9 als in 1 Johannes 2:1-12 als in 1 Johannes 3:20 als in 1 Johannes 4:7-21 – buiten kijf: de adressanten, kinderen van de Vader, vallen niet onder het oordeel van de wereld of van het forum internum, maar in de handen van de levende God. Zijn Geest (vs. 24) helpt en houdt mensen op het spoor van de liefde, waarover hoofdstuk vier nader uiteenzet.

Aanwijzingen voor de prediking

Het geweten, in de katholieke theologie een heiligdom in de mens, is een dubieuze consultant. Iedereen kent het, het intrigeert, maar het ook is te manipuleren en dictatoriaal. De een houdt het voor ‘mijn persoonlijke hartsgeheim’, de ander beschouwt het als hersenschim of ‘Über-ich’. Dagelijks zijn er volop gewetenskwesties aan de orde: in de krant en in de literatuur, in het intermenselijk verkeer en ook in de Bijbel.

Voor wie beseft dat hij niet alleen met zichzelf en anderen leeft, maar ook coram Deo, hangen geweten en geloof samen. De vraag is alleen: op welke wijze? Het geweten vormt als innerlijk gerechtshof (Seneca, Kant) ergens een voorafschaduwing van Gods oordeel, maar valt daarmee – zegt 1 Johannes 3:20 – niet samen! Het geeft aan hoe mensen over zichzelf denken, maar God kan daar anders over denken. Wel kan het, stelt Luther, als innerlijke aanklager ons in de armen van Christus drijven: waar wij met ons goeie geweten onszelf tevergeefs proberen te rechtvaardigen, ontdekken we dan te zijn aangewezen op genade alleen, op vreemde vrijspraak.

Geloof kan wel met een goed geweten gepaard gaan, maar een goed geweten zegt God niet zo veel. Een slecht geweten geeft de mens echter wel een signaal: er schort een en ander aan onze – gewenste of van ons gevraagde – identiteit en/of integriteit.

Waar de dialogue intérieur van ons geweten kan functioneren als een prisma in de mens, behoedt 1 Johannes 3:20 de moderne individu tegelijk voor navelstaarderij. Weliswaar geldt dat we als mens coram Deo ook zijn ‘binnen geroepen’ (Nouwen), maar het is niet de bedoeling vandaag de dag in de subjectieve gevoelswereld de remedie te vinden om aan de koude, lege objectwereld betekenis en inhoud te geven (H.W. de Knijff).

Ons geweten is geen god-in-ons, God Drie-enig is groter dan ons hart. De Redder die Rechter is, vraagt ons in het hier en nu gewetensvol te leven naar zijn beloften en geboden, in de blijde wetenschap dat zijn vonnis luidt: ‘het leven’ (Gez. 478:6).

Liturgische aanwijzingen

Als eerste lezing past bij uitstek Psalm 139:1-12. Mogelijk te zingen liederen: Psalm 139 (of Opwekking 518); Gezang 289; 297; 462; 478:4, 5, 6. Uit Tussentijds: 191, 205. Uit het Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk Gezang 27a: ‘The Lord is my light’, melodie John L. Bell.

Geraadpleegde literatuur

M. Luther, Vorlesung über den 1. Johannesbrief, München, 1968; M. de Jonge, De brieven van Johannes, 1968 (pot); H.-J. Klauck, Der erste Johannesbrief, Neukirchen-Vluyn, 1991; R.B. Edwards, The Johannine Epistels,Sheffield, 2001; P. Lalleman, 1,2,3 Johannes – brieven van een kroongetuige, Kampen, 2013; H. Nouwen, Binnen geroepen – een persoonlijk dagboek,Tielt, 2011; P.A. Verbaan, Geweten – de rehabilitatie van een theologisch begrip, Zoetermeer, 2011; H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, Zoetermeer, 2013, 49-55.

< Terug