< Terug

Preekschets 1 Korintiërs 15:32

1 Korintiërs 15:32

Cantate

Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’

Schriftlezing: 1 Korintiërs 15:29-34

Het eigene van de zondag

Er is geen ontkomen aan! In de tijd na Pasen wordt van elke voorganger gevraagd om rekenschap af te leggen van de opstanding. Nu komt het erop aan: wat betekent het wonder van de opstanding van Christus voor ons? De ontmoeting met de Opgestane en het daarmee gegeven geloof in de opstanding is het episch centrum van de boodschap van het christelijk geloof. Een centrum dat we in de rest van het jaar makkelijk kunnen vermijden door nadruk te leggen op allerlei bijzaken. Niet deze zondagen! Juist de alternatieve lezingen van Kind op Zondag uit 1 Korintiërs 15 passen daarom mooi. In dit hoofdstuk vertelt Paulus over de opstanding van Christus en hij verbindt deze met het geloof in de opstanding van de doden. Dit geloof is voor de kerk van alle tijden belangrijk geweest. Dat blijkt wel uit het slot van het Apostolicum. Ons leven en ons sterven wordt dus in deze tijd in het perspectief van de opstanding geplaatst en deze zondag toont Paulus het belang van de opstanding voor het leven hier en nu.

Uitleg

De kern van deze perikoop ligt in Paulus’ bewering dat de opstanding van de doden relevant en zelfs noodzakelijk is voor het geloof van de Korintiërs. Door inhoudelijke en grammaticale veranderingen (bijv. van derde persoon enkelvoud naar derde persoon meervoud) merken we vanaf vers 29 een duidelijke overgang. De beide delen worden verbonden met ‘wat anders’ (epei ti), dat ook het begin markeert van ons deel. Ons gedeelte wordt afgesloten met het felle ‘u moest u schamen’, waarna een nieuw gedeelte begint met een geconstrueerde vraag met een retorische functie. Onze perikoop bevat drie onderscheiden inhoudelijke onderdelen die de stelling ondersteunen dat geloof in de opstanding van de doden wezenlijk is. Geloof in de opstanding behoort tot het hart van het evangelie.

Na een uiteenzetting over de opstanding van Christus en de gevolgen daarvan (vs. 12-28) richt Paulus zich op een concrete dooppraktijk bij de Korintiërs die hij gebruikt om de opstanding van de doden te verdedigen. Meer nog dan dat: hij wil een tegenstelling tussen geloof en praxis bij hen aanwijzen. In vers 12 stelt hij de vraag: ‘Hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan?’ Deze overtuiging staat in schril contrast met een dooppraktijk die Paulus waar lijkt te nemen bij de Korintiërs (vs. 29). De meningen hierover verschillen, maar het is waarschijnlijk dat het hier gaat om een vicariaatsdoop (een overzicht bij Conzelmann en Schrage). De gelovigen in Korinte laten zich dopen voor het heil van hun overledenen. Waarom zou je dat doen, vraagt Paulus, als je toch niet gelooft in de opstanding van de doden?

In een tweede deel van onze tekst geeft Paulus aan waarom hij persoonlijk de opstanding van belang vindt (vs. 30-32b). Dit gedeelte, met name vers 32a-b, heeft tot veel debat geleid. Wat bedoelt Paulus met: ‘Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze’ (sv)? Tegen een letterlijke uitleg zijn in ieder geval drie voorname argumenten (zie Schrage): 1) het wordt niet genoemd in de opsomming van 2 Korintiërs 11: 23v; 2) als Romeins staatsburger (Hand. 16, 37) kan Paulus niet veroordeeld worden ad bestias; 3) Lucas schrijft er niet over in Handelingen. Vanwege deze argumenten is de nbv correct vertaald: ‘In Efeze heb ik op leven en dood gevochten.’ Heel persoonlijk geeft Paulus aan dat zijn apostelschap, met alle strijd, weerstand en zelfs levensbedreigend geweld, zinloos zou zijn zonder opstanding.

Tot slot geeft hij het belang van het opstandingsgeloof voor de ethiek aan (vs. 32c-34). Dat doet Paulus door Jesaja 22:13 (lxx) te citeren in vers 32d, waarin een vorm van hedonisme verwoord lijkt te worden. Vervolgens haalt hij een gangbaar citaat uit de profane literatuur (Menander) aan in vers 33. De retoriek van Paulus bereikt haar hoogtepunt in vers 34. In de directe rede roept Paulus de Korintiërs op tot bezinning (eknèpsó dikaiós, waarbij wederom de nbv treffender is dan bijvoorbeeld de svof nbg), beschuldigt hij hen van gebrek aan godskennis en roept hij ze op tot schaamte.

Alle drie de delen van deze perikoop hebben tot doel dat duidelijk wordt dat geloof in de opstanding van de doden fundamenteel is. Voor de Korintiërs, die immers al dopen voor hun gestorvenen. Voor Paulus, die op leven en dood zijn apostelschap draagt. Voor de ethiek. De vraag voor ons is deze: waar leggen we de focus?

Aanwijzingen voor de prediking

De focus moet liggen in de relevantie van de opstanding van de doden. Net als de Korintiërs toen moeten ook de hoorders nu ervaren dat de opstanding van de doden wezenlijk is voor ons leven. Dat lijkt een te grote opdracht voor de voorganger, maar van twee kanten komt hulp.

Allereerst helpt de cultuur. Op veel manieren proberen wij mensen namelijk al onze profane werkelijkheid te verheffen tot sacraliteit. Voortdurend proberen wij ons te ontworstelen aan zinloosheid. Geen mens houdt absoluut hedonisme vol! De destructieve invloed van het heidendom op onze cultuur is echter dat we vaak het profane aanbidden als heilig. Terwijl het werkelijk heilige onze menselijke bestemming openbaart.

Van de andere zijde wordt de voorganger ook geholpen door de liturgie. In de liturgie wordt het gewone leven opgenomen in een nieuwe horizon. In mensenwoorden kun je woorden van de Eeuwige horen. In het zingen van een lied kun je met engelenzang instemmen. Ja, zelfs de grond waarop je voeten staan, kan heilig zijn. Mensen die als gemeente van Christus samenkomen, kennen de wisselwerking tussen het profane en het sacrale. Is geloven in de opstanding niet minstens zo wonderlijk? De invloed van de liturgie is dat ze het profane op nutteloze wijze, vol spel, doorbreekt.

In verbinding tussen cultuur en liturgie ontstaat de ruimte voor de preek van deze zondag. Daarin wordt, idealiter, de menselijke existentie verbonden met de menselijke essentie. De menselijke existentie wordt gekenmerkt door de spanning tussen leven en dood die zich manifesteert in de uitersten van geboorte en sterven. De menselijke essentie, echter, is nieuw leven of opstandingsleven. De christelijke verkondiging mag dus niet vervallen in tomeloos idealisme enerzijds en dodelijk fatalisme anderzijds. Dat alles zijn nog de extremen van de menselijke existentie. Aan de voorganger de taak om de menselijke existentie in haar diepte te peilen, maar ook de gemeente te wijzen op haar essentie, haar toekomst. Dat kan gebeuren door voorbeelden uit de cultuur te zoeken waarin de zinloosheid van het leven overwonnen wil zijn. Daar vindt het evangelie ankerplaatsen in onze werkelijkheid. Hierbij kun je denken aan kunstuitingen, mensen die vanuit idealisme bepaalde dingen doen of laten en bepaalde rituelen rondom begin en einde van het leven. Blijft werkelijke kunst niet ook na de dood van de kunstenaar van waarde? Gedenken we niet nog steeds het leven van Ghandi en Martin Luther King? Noemen niet ook mensen buiten de gemeente de geboorte van een kind een wonder en zoeken niet ook mensen buiten de gemeente naar troost en hoop rond het overlijden? De voorganger mag aan de gemeente hetzelfde vragen als Paulus aan de Korintiërs: waarom zouden we dat allemaal vinden en doen alsof er toch geen opstanding van de doden is? Al deze menselijke uitingen wijzen naar iets voorbij het bestaan dat begrensd is door de dood. Ze wijzen naar nieuw zijn in Christus, naar opstandingsleven. De preek mag daarom best kritiek in zich dragen tegen vlak materialisme en consumentisme dat dat opstandingsleven lijkt te ontkennen. Toch klinkt het troostend woord het krachtigst: leven en sterven zijn niet zinloos in het licht van de opstanding. Natuurlijk roepen deze woorden vragen op, maar die mogen voor nu gerust op de achtergrond blijven. Hier gaat het om het belang van opstanding van de doden. Het hoe en het wat komt later (zie zondag Rogate en Hemelvaart).

Liturgische aanwijzingen

Als lezing uit het Eerste Testament geeft het leesrooster Deuteronomium 6:1-9. Als evangelielezing zou Johannes 14:23-29 gelezen kunnen worden. In de psalmen liggen beloften van eeuwig leven verscholen. Zo in de berijmde Psalm 20:1; 41:1; en 42:7. Veel paasliederen leggen de verbinding tussen de opstanding van Christus en het leven van de gelovigen voorbij de dood. Een kleine selectie in de breedte waarin slechts de voornaamste strofen genoemd worden: Gezang 197; 200:2, 4; 210:4; 217:4; T 168:1; 171:6; 173:4; Geroepen om te Zingen 36; 112:4; GvL 441:2; elb 136.

Geraadpleegde literatuur

R. Bultmann, Theologie des Neuen Testaments, Tübingen, 1954; H. Conzelmann, Der erste brief an die Korinher(keknt), Göttigen, 1969; W. Schrage, Der erste Brief an die Korinther (ekk), Zürich, etc. 2001; P. Tillich, Systematic Theology, Chicago, 1951 (I) en 1963 (III).

< Terug