< Terug

Preekschets 1 Korintiërs 15:43 – Hemelvaart

1 Korintiërs 15:43

Hemelvaart

Wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt.

Schriftlezing: 1 Korintiërs 15:39-44

Het eigene van de dag

Op Hemelvaartsdag wordt vaak met een beroep op Handelingen 1:11 (‘wat staan jullie naar de hemel te kijken?’) de aandacht van de gemeente naar beneden getrokken. Maar wat moeten we dan vieren? Moeten we vieren dat de Opgestane afscheid neemt van zijn leerlingen? Moeten we vieren dat die leerlingen vervolgens het roer in handen krijgen met alle gevolgen van dien? Deze keer richten we onze blik juist omhoog. We kijken naar de opgestane Heer en vragen ons af wat zijn opstanding en hemelvaart inhoudt voor ons als gelovigen. Welke belofte ligt er besloten in het geloof in de opstanding van het lichaam? Na het belang (zondag Cantate) en het hoe (zondag Rogate) nu het wat van de opstanding.

Uitleg

Paulus zet eigenlijk twee stappen in dit gedeelte van zijn betoog. In de eerste stap stelt hij dat alle aardse wezens (mensen en dieren) hun eigen vlees (sarks) hebben. Dit zijn de aardse lichamen (sómata epigeia). Daarin klinkt niet per definitie iets negatiefs door, hoewel andere teksten van Paulus doen vermoeden dat hij over het algemeen vrij negatief aankijkt tegen het vlees. Vervolgens, in de tweede stap van zijn betoog, verlegt Paulus het perspectief naar de hemelse lichamen (sóma epourania). Dan spreekt hij niet meer van vlees, maar van heerlijkheid (doxa). Zon, maan en sterren hebben een bepaalde lichamelijkheid die niet verschilt in vlees, maar in heerlijkheid. De aardse werkelijkheid wordt dus tegenover een hemelse werkelijkheid geplaatst. Een werkelijkheid die nog steeds lichamelijk is, hoewel er van vlees geen sprake meer is (in 15:50 zegt Paulus dat wat uit vlees en bloed is geen deel kan hebben aan het koninkrijk van God). Er bestaat veel onenigheid over het gebruik van de verschillende begrippen door Paulus, waarschijnlijk omdat hij de termen in verschillende contexten gebruikt met accentverschillen in betekenis. Duidelijk is wel dat in dit gedeelte er wel degelijk sprake is van een bepaald contrast. De aardse werkelijkheid wordt tegenover de hemelse geplaatst.

In het contrast tussen deze twee werkelijkheden gebruikt Paulus, voortbordurend op het motief van de graankorrel, de tegenstelling tussen zaaien en opgewekt worden (speiro en egeiro, dit laatste werkwoord wordt slechts passief gebruikt en zou gelezen kunnen worden als een passivum divinum net als in 15:36). Deze tegenstelling wordt dichterlijk uitgewerkt in vier woordparen: vergankelijk en onvergankelijk; oneer en heerlijkheid; zwakte en kracht; en tot slot het natuurlijke lichaam (sóma psuchikon) en het geestelijke lichaam (sóma pneumatikon). Dat laatste woordpaar is het einde en tevens de climax van onze perikoop.

Welke inhoudelijke conclusie is uit het bovenstaande te trekken over het wat van de opstanding? In ieder geval dit: vlees heeft daar geen deel aan. Daarmee komt het Apostolicum direct onder druk. Van oudsher leest de protestantse versie van de tekst: ‘wederopstanding des vlezes’, maar juist daarvan lijkt geen sprake te zijn. Opstanding van het lichaam of opstanding van de doden zou beter zijn. De systematisch theoloog Tillich geeft daarover een mooie analyse, alsmede een exegese van ons tekstgedeelte (III, 412). Volgens hem is de frase ‘geestelijk lichaam’ (vs. 44) de kern. Hij leest daarin een dubbele ontkenning. Tegen een spiritualistische opvatting van de opstanding zegt Paulus: lichaam. Tegen een materialistische opvatting zegt hij: geestelijk. Duidelijk mag wel zijn dat het spreken van Paulus over de opstanding dus in haar geheel beeldend is. De vraag is vervolgens of er ook iets zinnigs gezegd kan worden over de concrete inhoud van de beeldspraak en dus over onze concrete verwachting.

In de verscheidenheid aan opvattingen over leven na de dood is in ieder geval één constante te ontdekken: opstandingsleven ontkent niet het goede van het huidige aardse leven, maar bevestigt dat juist. Veel van de verschillen komen voort uit de vraag wat nu goed of essentieel is aan menselijk leven. Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. De voorganger zal dan ook veel werk moeten verrichten om de eigen positie met betrekking tot de opstanding te articuleren. Toch mag die uitdaging best worden aangegaan. Want het kan een mooie bezinning opleveren: wat maakt het menselijk leven waardevol? Welke dingen in ons bestaan hebben, zogezegd, eeuwigheidswaarde? Dat zijn namelijk de dingen die, in Christus geheiligd, deel uitmaken van de hemel en daarmee ook van de nieuwe aarde. Hemel is daarbij een concept dat onze kaders van tijd en plaats doorbreekt. Het is een eeuwig nu en met God verenigd zijn. Nieuwe aarde doet juist recht aan onze beleving van tijd en plaats (een beleving waardoor, volgens Pannenberg, ook een besef van identiteit mogelijk is). Bij de voltooiing komen beide samen en is de opstanding als herschepping voltooid. Deze opstanding is dus fundamenteel verbonden met de hemelvaart en met de wederkomst (zie het prachtige en troostvolle 1 Tess. 4). Zij zijn twee zijden van eenzelfde medaille, namelijk: Gods herschepping. Naar die herschepping kijken we vooruit als we deze dag met elkaar vieren.

Aanwijzingen voor de prediking

De focus van de preek ligt op de werkelijkheid van de opstanding die, in Christus, onze werkelijkheid kan worden. De verbinding moet worden gelegd tussen de hemelvaart en de tekst van Paulus uit 1 Korintiërs 15. Dat gebeurt door de gemeente te wijzen op Christus die ons voorgaat in onze herschepping. Hoe ziet die herschepping eruit voor gelovigen? Dat is de vraag die Paulus beantwoorden wil.

De focus kan worden uitgewerkt door te beginnen bij bestaande voorstellingen van hemel en hemelvaart. De traditionele zondagsschoolplaten en voorstellingen over de hemelvaart kunnen een goede inleiding zijn voor de verkondiging. Daarna kunnen deze beelden worden geproblematiseerd. Ruwe schattingen geven aan dat nog ongeveer een derde van de Nederlanders gelooft in leven na de dood. Onder gelovigen is dit percentage hoger, namelijk net boven de vijftig procent. Een mooi voorbeeld is een obscuur onderzoek van de Amerikaan Duncan MacDougall uit 1907. Hij woog zes patiënten op hun sterfbed en concludeerde dat deze patiënten gemiddeld dood 21 gram lichter waren dan levend. De afwijking verklaarde hij als het gewicht van de ziel dat het lichaam verliet. Schapen zouden volgens zijn onderzoek ook een ziel hebben. Honden niet. Dat soort onderzoek is voor moderne mensen ongeloofwaardig geworden. (Toch vindt het onderzoek nog steeds zijn weg in moderne cultuur. Zo was er een film uit 2003 met de titel 21 grams en ook een nummer ‘21 gram’ van de band Blaf van het album Alles blijft anders uit 2011.) Ook gelovige mensen stellen zich steeds meer vragen bij de voorstelling van leven na de dood zoals die is overgeleverd in kerkelijke traditie. Die vragen moeten serieus genomen worden. Sterker nog: een groot deel van die vragen wordt terecht gesteld omdat ze een antiek, mythisch wereldbeeld onder kritiek stellen dat helaas nog lang stand heeft kunnen houden in kerk en theologie.

Een volgende stap zetten kan alleen als het belang van de opstanding nogmaals onderstreept is: wij mensen zijn gemaakt voor opstandingsleven en in dat besef leven we veel van dit leven. Nog sterker klinkt dan opnieuw de vraag naar het wat van de opstanding. Die vraag moet beantwoord worden door de woorden van Paulus te verbinden met de hemelvaart en de wederkomst van Christus. In zijn hemelvaart gaat Hij ons voor in het ‘wij met God’ als wij ons vleselijke leven moeten loslaten in het sterven. We mogen dus moedig zeggen dat zij die in Christus sterven in de hemel zijn. Het woord hemel is dan een metafoor voor het met God verenigd zijn in een eeuwig nu.

In de wederkomst van Christus ligt besloten dat deze aarde en onze lijfelijkheid straks geheel ‘God met ons’ is. We mogen dus moedig hopen op de heilige transformatie van deze wereld en ons leven. Ons zijn in die nieuwe werkelijkheid beschrijft Paulus als een geestelijk lichaam. In die werkelijkheid is wat zwak was krachtig geworden en wat onaanzienlijk was heeft heerlijkheid gekregen. En waar we dat in onze werkelijkheid zien gebeuren mag je dan ook spreken van hemel op aarde, ja zelfs van nieuwe aarde. Voor de voorganger een belangrijk gegeven: Paulus plaatst bezinning over de toekomst telkens in het perspectief van het heden. Dat doet hij in 1 Tessalonicenzen 4, maar ook in het vijftiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Korintiërs. In vers 58 schrijft hij: ‘Kortom, geliefde broeders en zusters, wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn.’

Liturgische aanwijzingen

Als lezing uit het Eerste Testament 2 Koningen 2:1-15. Als evangelielezing Lucas 24:36-53.

Vanuit een wat klassieker beeld van Hemelvaart (namelijk Christus die de troon bestijgt) kan Psalm 47 gezongen worden, eventueel ook Psalm 110; Gezang 230; 479:3; 489; T 176; 193; Geroepen om te Zingen 133:2 (ook elb 357:3).

Geraadpleegde literatuur

H. Heppe, Die Dogmatik der evangelisch-reformierten Kirche, Neukirchen, 1935, 557-61; W. Pannenberg, Systematische Theologie Band III, Göttingen, 1993, 618-25; P. Tillich, Systematic Theology III, Chicago, 1963, 412-9.

< Terug