< Terug

Preekschets 1 Samuël 15:1

Een zondag in de zomer

Op een keer zei Samuël tegen Saul: ‘De HEER heeft mij destijds gezonden om u te zalven tot koning over Israël. Luister dus nu naar wat de Heer te zeggen heeft’

  • Bijbelgedeelte: 1 Samuël 15
  • Preektekst: 1 Samuël 15:1
  • Thema: God houdt aan Zijn bedoelingen vast.

Liturgisch kader

  • In de zomermaanden is het goed mogelijk om een serie preken uit één Bijbelboek te houden. Lectio continua kan vruchtbaar zijn voor de gemeente en voor de prediker.
  • Psalm 97 bezingt Gods koningschap en de ondergang van zijn vijanden. Hetzelfde thema komt uit in lied 755. Lied 944 bezingt hoe je je voor God kunt verbergen, maar tegelijk op Hem hoopt.

Uitleg

Vooraf: 1 Samuël 15 roep een heel aantal vragen op. Wil God genocide? Waarom wordt Amalek hier ineens genoemd, terwijl in het voorafgaande de Filistijnen de vijand zijn? Hoe zit het met het berouw van God? Zo zijn er meer te noemen.

  1. Saul is koning over Israël geworden, maar lijkt in de voorafgaande hoofdstukken zijn eigen gang te gaan, los van God. In vers 1 lijkt het alsof hij een herkansing krijgt. Zal hij God gehoorzaam zijn? Helaas is het niet zichtbaar in de NBV, maar een aantal kernwoorden uit dit hoofdstuk wordt meteen genoemd: horen (komt 8x voor), stem (7x), woord (7x). Vers 2 zet in met een profetische formule: zo zegt de Heer. In dit hoofdstuk wordt het koningschap van Saul profetisch belicht.
  2. Amalek vormt voor Saul de testcase. Alles staat meteen op scherp. Amalek geldt als dé vijand van Israël, die uit is op de vernietiging van het volk (Exodus 17, Deuteronomium 25, Esther (Haman is een Agagiet)). Amalek staat voor het kwaad dat alle menselijkheid vernietigt. Dit Amalek moet met de ban geslagen worden, d.w.z. alles en iedereen van Amalek wordt door God opgeëist. Daar mag niets van overblijven. Een rechtvaardige samenleving kan niet opgebouwd worden als er nog elementen van Amalek achtergebleven zijn. Saul spaart weliswaar de Kenieten- zij waren Israël goed gezind – en doodt de Amalekieten, maar spaart Agag, de koning. In een soort triomftocht wordt Agag meegevoerd. Daarnaast is het beste van het vee als oorlogsbuit meegenomen. God wordt met de tweede keus afgescheept, zo lijkt het. Saul heeft zijn smoesje klaar (vers 21). Saul blijkt ook Amalekitische trekjes te hebben.
  3. Vers 10-35 is concentrisch opgebouwd:
    a. Gods berouw: vers 10,11b
    b. Samuëls toorn en gebed: vers. 11b
    c. Bijeenkomen van Samuël en Saul: vers 12.13a
    Middenstuk: Gesprek tussen Samuël en Saul: vers 13b -33
    c1 Uiteengaan van Samuël en Saul: vers 34
    b1 Samuëls verdriet: vers 35a
    a1 Gods berouw: vers 35b

Gods berouw omsluit de kern van deze geschiedenis: de confrontatie tussen Samuël en Saul. Saul was God ongehoorzaam: dat is de motivatie van zijn berouw. Dit berouw veroorzaakt bij Samuël een heftige reactie: toorn. Onduidelijk is op wie zich die toorn richt: God of Saul. Samuël brengt de nacht in gebed door. De volgende dag ontmoeten ze elkaar in Gilgal. In het gesprek dat beiden voeren, confronteert Samuël Saul met het feit dat hij niet geluisterd heeft naar het Woord van God. Hij mag zich niet verschuilen achter het volk (vers 15), maar is als gezalfde alleen gehoorzaamheid aan God verschuldigd. Saul heeft het voltrekken van de ban tot een rooftocht gemaakt. Maar God wil geen offers, Hij wil gehoorzaamheid (vers 22). Saul erkent schuld, maar vraagt Samuël wel om met hem mee terug te keren. Samuël houdt voet bij stuk: verworpen is verworpen! Het stuk dat van Samuëls mantel wordt afgescheurd, wordt het symbool voor het feit dat het koningschap van Saul wordt afgescheurd. Het wordt gegeven aan iemand die “beter” is dan Saul. Saul – de gevraagde – blijkt inderdaad een koning als die van de anderen volkeren (1 Samuël 8), David zal wel korte metten maken met de Amalekieten. Hij doet wat Saul had moeten doen (1 Samuël 30). Van deze verwerping van Saul heeft God geen berouw. In vers 29 horen we de krachtige echo van Numeri 23:19. Saul blijft Samuël vragen om mee te gaan. Samuël doet het en voltrekt de ban aan Agag. Daarna scheiden hun wegen voorgoed. Maar Samuël treurt wel over Saul, alsof hij al dood is. Ten slotte wordt nog één keer gezegd dat God berouw heeft over het feit dat Hij Saul tot koning gemaakt heeft.

Vers 11 en 35 aan de ene kant en vers 29 aan de andere kant lijken elkaar tegen te spreken. Toch denk ik dat er van echte tegenspraak geen sprake is. God heeft geen berouw van het feit dat Hij Israël een koning heeft gegeven (1 Samuël 8), maar Hij heeft wel berouw over het koningschap van Saul. “God heeft berouw, niet omdat Hij iets verkeerds gedaan heeft, maar omdat Saul iets verkeerds gedaan heeft” (Peels). Het koningschap gaat over op een ander.

Vers 29 bevat een moeilijkheid. Hoe neSach te vertalen? Koehler-Baumgartner geeft “Glanz (Gottes), glory (of God)”, maar de laatste opmerking in dit woordenboek bij dit woord is veelzeggend: “ungedeutet, unexplained 1 Samuël 15:29”. Het kritisch apparaat zegt dat de Vulgata ‘triumphator’ heeft, maar stelt voor om noSer te lezen, van een werkwoord dat ‘bewaren’ betekent.

Aanwijzingen voor de prediking

  1. Van meet af aan moet duidelijk worden dat God het kwaad niet wil, dat het geen toekomst heeft, dat Hij het vernietigt.
  2. Ingezet zou kunnen worden bij de vermeende genocide. Het is niet moeilijk voorbeelden van genocide te geven. Is de God van Israël, de Vader van Jezus Christus, zo’n verschrikkelijke God?
  3. Duidelijk gemaakt moet worden dat het God te doen is om de vernietiging van het kwaad. Het kwaad zelf en zij die zich in dienst stellen van het kwaad, hebben geen toekomst. Op dit punt is God onverbiddelijk. Dit wordt ook in het Nieuwe Testament duidelijk. Zie Handelingen 5 en Openbaring. God is niet altijd lief en aardig.
  4. Saul is God ongehoorzaam en geeft er zo blijk van dat ook hij iets Amalekitisch in zich heeft. Hij is God niet volkomen toegewijd, maar scheept Hem af met het minst waardevolle van de buit en is uit op eigen eer (Agag wordt in triomftocht achter hem aan meegenomen). Hier kan het berouw van God aan de orde komen (zie punt 3 bij de uitleg). Saul is geen tragisch figuur, maar staat schuldig tegenover God.
  5. Een mooi intermezzo zou kunnen zijn om de betrokkenheid van Samuël op Saul te benoemen, zijn verdriet om Saul en zijn voorbede voor hem. Je moet soms streng zijn, maar wees niet streng zonder bewogenheid voor de ander.
  6. De Heer breekt zijn woord niet. Hij houdt aan zijn oorspronkelijke bedoelingen vast. Het koningschap wordt aan een ander gegeven, aan David. De verwerping van Saul en de verkiezing van David hangen samen (1 Samuël 16:1). Jezus Christus is de zoon van David, niet de zoon van Saul. Hij zal in alles Gods wil doen.

Ideeën voor kinderen en jongeren

Het lijkt me goed om in een voorbeeld voor kinderen/jongeren te laten zien dat het aankomt op gehoorzaamheid aan God. Ik vond een voorbeeld in een kinderboekje (Hallo baby, Amsterdam, 2008, blz 5 v.v.) over kinderen die de rommel op hun kamer moeten opruimen. Moeder heeft de opdracht gegeven ook speelgoed waar ze nooit meer mee spelen, op te ruimen. Ze kunnen van geen enkel stuk speelgoed afstand doen, verstoppen het in de kast en onder het bed. De zak die ze van moeder hebben gekregen om met hun rommel te vullen, wordt nu gevuld met kleding die ze niet meer aan willen. Moeder ontdekt het bedrog en wordt boos.

Deze preekschets is geschreven door G.J. Wolters, emeritus predikant van de Protestantse Kerk Nederland.


Geraadpleegd

Naast de gebruikelijke  woordenboeken en commentaren:

  • W. van der Spek, 1 Samuel, Zoetermeer 1996, 100 vv
  • H.G.L. Peels, Wie als Gij? Zoetermeer 2007, 59 v.v.
  • A. Schuil, Amalek, Kampen 1997, 55 v.v.
  • H. de Jong, De twee messiassen, Kampen 1978, 108 v.v.
  • Diverse auteurs, Theologia Reformata, Jaargang XL, 1997, 260 v.v.



< Terug