< Terug

Preekschets bij Lucas 1:47

Voor de derde zondag van advent

Mijn hart juicht om God, mijn redder.
Lucas 1:47

  • Schriftlezing: Lucas 1:39-56
  • Thema: Blij met God

Zie ook

Preekschets bij Lucas 1:68 voor de vierde zondag van advent.

Liturgisch kader

Deze schets is bestemd voor de derde zondag van advent.

Een jonge vrouw ontdekt dat zij een speciale rol mag spelen bij de komst van de Redder naar wie zo lang is uitgekeken. Ze is daarom blij met God die haar laat zien dat Hij zich houdt aan zijn beloften en ze vertrouwt zich toe aan God. Het is de uitdaging om die blijdschap en dat vertrouwen naar voren te laten komen in de dienst.

Het is waardevol om in de dienst iets te laten zingen uit Psalm 89: de berijming van vers 37-39 (waarin God herinnerd wordt aan de beloften die Hij aan David gegeven heeft) en de berijming van vers 50-52 (waarin hartstochtelijk gebeden wordt om Gods ingrijpen als het lijkt dat er van de vervulling van Gods beloften niets terecht gaat komen). Op de vragen die in deze psalm klinken, kan Maria nu enthousiast antwoord geven.

Verder is Psalm 103 een psalm die heel goed past bij een preek over de lofzang van Maria omdat deze psalm een loflied is op God die liefdevol en genadig en trouw is.

Tenslotte is het mooi om samen de lofzang van Maria te zingen, bij voorkeur in z’n geheel en dan is de versie van het Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk (2013) aan te bevelen omdat die versie vier coupletten telt: lied 157a.

Ik adviseer om de bijbellezing te beperken tot Lucas 1:39-56. Het is verleidelijk om 1 Samuël 2:1-10 ook te lezen vanwege inhoudelijke overeenkomsten maar ik adviseer om dat niet te doen om te voorkomen dat de kerkganger met twee verschillende bijbelse contexten te maken krijgt.

Uitleg

De lofzang van Maria is heel bekend maar roept toch wel vragen op.
Zo kun je vragen stellen over het geheel van de lofzang, bijvoorbeeld:

Is het een lied geweest? Of heeft Maria het als een gedicht gezegd?

In Lucas 1 en 2 tref je vier maal een tekst aan die in onze traditie als lied behandeld is. Maar uit de inleiding op deze vier teksten kun je niet afleiden dat het werkelijk om een lied gaat. Immers: “Maria zei” (Lucas 1:46); “Zacharias (…) sprak deze profetie” (Lucas 1:67); “een groot hemels leger dat God prees met de woorden” (Lucas 2:13); Simeon “loofde God met de woorden” (Lucas 2:28). Mijn conclusie is dat het in geen van deze vier gevallen om een lied gaat. Het is een (dichterlijke) tekst waarmee God groot wordt gemaakt, een tekst die je vanwege zijn karakter heel goed kunt zingen.

Waarom komt Maria met haar woorden bij haar ontmoeting met Elisabet? Waarom niet eerder? (als de engel Gabriël haar zwangerschap heeft aangekondigd). Waarom niet later? (als het kind eenmaal geboren is).

God is heel liefdevol en zorgzaam voor Maria. Na de schok dat ze op een bijzondere manier zwanger zou worden en een heel bijzonder kind zou ontvangen, laat God haar naar een tante gaan die een vrome en gelovige vrouw is (Lucas 1:6), waarschijnlijk één van de mensen die uitziet naar de bevrijding van Jeruzalem (Lucas 2:38). Maria kan haar verwondering over haar zwangerschap delen met iemand die haar begrijpt, die haar kan opvangen en die haar kan bevestigen in haar vertrouwen op God.

Daar komt nog iets bij. De zwangerschap van Maria begon op een bijzondere manier. Maar overigens verliep alles op een heel gewone manier; niets wijst erop dat er verder iets afwijkends gebeurde. Maria wist dus dat ze zwanger werd maar ze voelde het nog niet. Haar tante was het, die (vervuld met de heilige Geest) uitriep dat Maria werkelijk zwanger was.

Heeft Maria deze woorden onvoorbereid gesproken? Was het een improvisatie? Of kende ze de lofzang van Hanna en heeft ze al biddend inzicht gekregen in parallellen tussen haar situatie en die van Hanna?

Ik ben er altijd vanuit gegaan dat Maria spontaan met haar woorden kwam: Elisabet begroette haar en riep luid haar vreugde uit; Maria reageerde met haar lofzang. Maar nu ik er nog eens wat beter naar kijk, ontdek ik dat dat niet valt af te leiden uit de tekst. Bij nader inzien vermoed ik dat het als volgt gegaan is: Maria en Elisabet hebben in de drie maanden dat Maria bij haar tante was, met elkaar gesproken over alles wat er gebeurde. Ze hebben daarover samen de nabijheid van God gezocht. Ze hadden tijd genoeg om de heilige boeken te raadplegen en te ontdekken dat Hanna’s lofzang als het ware een profetie was over wat er stond te gebeuren als het kind dat Maria verwachtte, geboren werd. En zo kwam Maria tot haar profetische belichting van de bijzondere taak die God haar had gegeven: moeder van de Heer te worden.

Naast vragen over het geheel van de lofzang kun je ook vragen stellen bij diverse onderdelen van de lofzang, bijvoorbeeld:

Waarom noemt Maria zichzelf (in vers 48) Gods “minste dienares”?

Maria spreekt tegenover God over ‘de lage positie van uw dienares’ waar God op gelet heeft en waar Hij iets aan gedaan heeft zodat iedereen haar gelukkig zal prijzen. Allerlei exegeten ontkennen dat het bij die lage positie zou gaan om de kinderloosheid van Maria; die gedachte zou kunnen opkomen als de parallel met Hanna sterk wordt benadrukt, maar ik ken geen exegeten die die gedachte verdedigen. Maria wist wat haar positie was: familielid van Elisabet (Lucas 1:36) die van Aäron afstamde (Lucas 1:5); dus zelf ook afstammeling van Aäron. Ze zou gaan trouwen met Jozef die van David afstamde (Lucas 1:27) maar die geen uitzicht had op de troon van David. Dat alles bepaalde haar lage positie. Ze had nooit verwacht dat God uitgerekend haar zou inschakelen als moeder van Gods Zoon. Maar het ging wel gebeuren! En ze besefte dat haar naam daarom voor altijd verbonden zou zijn met die van de redder die geboren zou worden.

Heersers worden van de troon gestoten en geringen krijgen aanzien, lezen we in vers 52-53. Maar wat zie je daarvan in de dagen van Maria? En wat zie je daarvan in onze tijd? Daar komt nog de vraag bij: Wat schiet je ermee op als hongerigen overvloed krijgen en rijken niets overhouden? Bij een dergelijke omwenteling krijg je toch alleen maar nieuwe rijken en nieuwe hongerigen?

In vers 51-53 sluit Maria aan bij de wijze waarop profeten spreken: ze beschrijven toekomstige gebeurtenissen maar daarbij zijn ze er helemaal zeker van dat het zal plaatsvinden en daarom gebruiken ze een werkwoordsvorm die aanduidt dat het al gebeurd is (in het Grieks: de aoristus; in het Hebreeuws: het perfectum). Zo kan Maria het hebben over Gods macht en Gods kracht die Hij toont door een omwenteling te bewerken, terwijl ze zelf een paar maanden later op gezag van de Romeinse keizer met haar man op reis moet naar Betlehem.

In de heilige boeken is de eeuwen door gesproken en gezongen over God die de rollen omdraait:

In de Wet gaat het over God die Israël heeft gered uit Egypte en die de vijanden heeft doen omkomen in het water van de zee.

In de Profeten wordt keer op keer aangekondigd dat God zijn volk zal terugbrengen uit gevangenschap en de overheersers te gronde zal richten.

In de Psalmen wordt de grote omwenteling bezongen, bijvoorbeeld: dat God waterbronnen verandert in dorstig land en woestijnen verandert in een waterrijk gebied.

Maria sluit daarbij aan. Zij ziet voor zich dat haar kind zorgt voor de grote omwenteling. Daarbij worden de verhoudingen in de wereld niet domweg omgedraaid. Want daar schiet je niks mee op omdat dan onrecht wordt vervangen door nieuw onrecht. Maar Gods Zoon zet de situatie recht; Hij herstelt het recht; Hij laat alles weer beantwoorden aan Gods bedoelingen. Maria ziet dat voor zich en het verheugt haar.

Wat is de samenhang tussen de diverse onderdelen van Maria’s profetie?

In de uitleg worden soms twee gedeelten onderscheiden (vers 46-50 en vers 51-55). Sommigen vinden het zinvol om de profetie in vieren te verdelen (vers 46-48, vers 49-50, vers 51-53 en vers 54-55). Anderen geven de voorkeur aan een driedeling (vers 46-50, vers 51-53 en vers 54-55). Een driedeling doet mijns inziens het meest recht aan Maria’s profetische woorden.

God is barmhartig (vers 46-50). Dat blijkt uit het feit dat Hij omziet naar haar en naar velen met haar.

God is sterk (vers 51-53). Dat blijkt uit het feit dat Hij afrekent met mensen die denken dat ze alles kunnen en alles mogen.

God is trouw (vers 54-55). Dat blijkt uit het feit dat Hij niet terugkomt op wat Hij beloofd heeft maar er naar handelt door zijn barmhartigheid te bewijzen in wat Hij doet.

Daarom is Maria blij met God.

Aanwijzingen voor de prediking

Laat zien hoe God Maria heeft ingeschakeld en spiegel je aan haar verlangen naar recht. Wij hoeven God niet een handje te helpen om het recht te brengen op aarde maar we mogen wel in ons doen en laten dienstbaar zijn aan het recht, gewoon op onze eigen plek. Daarmee kun je een speciaal appel doen op jongeren.

< Terug