< Terug

Preekschets bij Marcus 6:1-6a

‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten.’

Marcus 6:4

  • Voor de derde zondag van de zomer

  • Schriftlezing: Marcus 6: 1-6a

  • Thema: Er is enige afstand tot Jezus nodig om te kunnen zien wie hij is.

Liturgisch kader

In de doorgaande lezing van het B-jaar komt elke drie jaar deze tekst in de zomertijd langs.
Vanuit de gekozen invalshoek (zie aanwijzingen voor de prediking) is een mooi lied na het drempelgebed NLB lied 809 ‘Blijf niet staren’.
Na een OT-lezing uit Ezechiël 1:28b-2:8 is als contrasterende antwoordpsalm Psalm 33 (couplet 1 en 2) mogelijk.
Na de Marcuslezing past prachtig NLB lied 816 ‘Dat wij onszelf gewonnen geven’. Dat lied kan eventueel op de melodie van Psalm 140.
Suggestie voor na de verkondiging: NLB lied 813 ‘Vreemden zijn wij’. Mogelijk vraagt dat de medewerking van een cantorij of enkele voorzangers.

Uitleg

Na twee in elkaar gevlochten verhalen over groot geloof (Jaïrus; de bloedvloeiende vrouw) biedt Marcus een verhaal over gebrek aan geloof in Jezus’ eigen vaderstad.

Gelezen vanuit het geheel van het Marcusevangelie zijn er diverse eerdere scènes die worden opgeroepen bij het horen van dit korte verhaal.

Om te beginnen is er een groot contrast met Marcus 1:21-28. Jezus leert daar in de synagoge van Kafarnaüm. Dat roept bij zijn hoorders een zeer positieve reactie op, geheel anders dan wat er in Nazaret gebeurt. Waar Jezus onbekend en nieuw is staat men voor hem open, waar men hem van jongs af aan kent, wijzen de mensen hem af: ‘en ze namen aanstoot aan hem’ (Marcus 6:3). Het feit dat ze Jezus als de timmerman en als dorpsgenoot kennen, is een obstakel om hem in een nieuwe rol te kunnen zien.

Maar er is nog meer. In onze perikoop speelt de familie van Jezus een grote rol. Jezus blijkt uit een gezin te komen met ten minste zeven kinderen waaronder vier broers. Dit feit speelt voor veel hedendaagse hoorders op zondagmorgen geen rol in hun Jezusbeeld. Er wordt bij mijn weten niet of nauwelijks aandacht aan besteed in kinderbijbels.

Als nu in onze perikoop de vier broers en tenminste twee zussen genoemd worden dan kunnen de hoorders van het Marcusevangelie terugdenken aan wat in hoofdstuk drie beschreven staat. In 3:21 gaan zijn intimi op weg om hem mee te nemen. Ze zijn van mening dat hij zijn verstand verloren heeft. Vertaald naar vandaag: ze willen hem gedwongen op laten nemen. Als dan even later zijn moeder en broers inderdaad zijn gearriveerd, volgt een zin waarin het denken vanuit bloedband gekritiseerd wordt: ‘iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder’ (3:35).

Samenvattend: als we bij hoofdstuk zes zijn gearriveerd weten we al van positieve ontvangst van Jezus buiten de plek waar hij is opgegroeid en weten we ook dat voor Jezus de band met het grote gezin waaruit hij afkomstig is niet vanzelf spreekt.

De scène in hoofdstuk drie lijkt dan ook mee te spelen in het spreekwoord dat Jezus aanhaalt in vers 4: ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten’. Vergelijking met Matteüs 13:37, Lucas 4:24 en Thomas Evangelie 31 leert dat Marcus de enige is met de toevoeging ‘onder zijn verwanten’. Marcus geeft daarmee aan dat er een tijd was dat zijn eigen verwanten nog niet tot een positief beeld van Jezus waren gekomen zoals na de opstanding wel zou gebeuren.

De NBV vertaalt vers 3 mooi met ‘Hij is toch die timmerman?’ Inderdaad lijkt er iets denigrerends in bedoeld te zijn. niet omdat in Nazaret timmerman een beroep zou zijn met een lage status (zo Origenes die zich niet kon voorstellen dat Jezus ooit met zijn handen gewerkt zou hebben) maar omdat er in hun beleving een groot contrast is tussen de man die ze kennen als de timmerman en degene die nu met wijsheid in hun synagoge spreekt – en wonderen verricht.

Aanwijzingen voor de prediking

Jezus staat in Marcus 6 volop als mens onder de mensen, in het midden van die mensen die hem eigenlijk het meest nabij zouden moeten zijn. Je kunt een cirkel tekenen met in het midden Maria, zijn moeder, dan zijn vier met name genoemde broers en zijn niet bij name genoemde zussen, vervolgens de mensen uit zijn vaderstad en als we nog verder doorlezen de mensen in de omliggende dorpen.

Het was al aangekondigd in hoofdstuk 3: degenen die Jezus het liefst zouden opsluiten zijn nota bene zijn directe verwanten. Van je familie moet je het maar hebben! De mensen uit Nazaret die hem kennen als de timmerman kunnen ook niet verder kijken dan dat. ‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan?’? is hun vraag. De hoorders van het evangelie kennen het antwoord: ‘uit de heilige Geest’. Maar de mensen uit Nazaret kunnen dat niet zien. Mogen we daar uit concluderen dat er soms een zekere afstand nodig is om een goed oordeel te vormen over het diepste wezen van een mens?

Dit raakt ook onze visie op Jezus. Na eeuwen van een ‘hoge’ christologie was het een logische reactie van het historisch-kritische bijbelonderzoek om het te zoeken in een ‘lage’ visie op Jezus. Vrij recent echter is de herontdekking dat de oudste lagen van het Nieuwe Testament reeds getuigen van een ‘hoge’ visie op Jezus. Dat daagt uit om verder en dieper te denken dan Jezus als kameraad of als leraar van wijsheid. Als we daarbij blijven dan zou het kunnen zijn dat we net als de inwoners van Nazaret te dicht op Jezus zitten. We houden te weinig afstand, geven onszelf niet de gelegenheid om iets van het vreemde en heilige te ervaren waarvan alle evangelisten, en niet alleen Johannes, getuigen.

In Nazaret stond men niet open voor een wonder. Men redeneerde vanuit wat men reeds kende. Vanuit het verleden dus. Dat er in de kracht van de Geest iets nieuws zou kunnen ontstaan behoorde niet tot de mogelijkheden: eens een timmerman altijd een timmerman. Hoe zit dat met ons? Laten wij het nieuwe en verrassende dat in de kracht van de Geest kan gebeuren wel toe?

Die laatste vraag heeft een verwijtende ondertoon en genereert zo geen betrokkenheid, laat staan wil tot verandering. Nodig is dus een meer positieve benadering. Bijvoorbeeld zo: dat geloof en kerk in de kracht van de Geest per definitie nieuwe dingen durft te denken. Ja ook dingen die we ons eigenlijk niet durven voor te stellen. Dat de liefde van God in Christus groter en breder is dan alles wat wij ons er maar van kunnen voorstellen.

Hoe we dat inzicht tot slot dan verbinden met onze eigen context, met onze eigen buurt, met alle grote vragen die op ons af komen, met hoe we concreet proberen daaraan vorm te geven in kerk-zijn, dat is een open vraag die niet met algemene recepten te beantwoorden is. Een vraag die vanaf de kansel uiteraard gesteld kan worden maar die vooral vraagt om beraad binnen de gemeente zelf.

Ideeën voor kinderen en jongeren

Kinderen kennen uit eigen ervaring de vooroordelen als je afwijkend bent. Hoe is het om het etiket te hebben van ADHD’er? Of dat je dik bent, autist, vluchteling, noem maar op? Hoe is het om aan de andere kant te staan en te ervaren dat een kind dat van jou een etiket heeft gekregen nog heel andere gaven blijkt te hebben? Is het mogelijk hier een spiegelverhaal over te maken en dat in een veilige setting te bespreken?

Wat de jongeren betreft: in kerkelijke groepen zitten ze als het goed is bij elkaar – van VMBO-leerling tot en met gymnasiast. Kan dat een invalshoek zijn? Ik zou ze vooral niet onderschatten en het verhaal gewoon met hen gaan lezen. Kies dan bij voorkeur voor de Bijbel in Gewone Taal.

Geraadpleegd

  • Berger, Klaus. Evangelium unseres Herrn Jesus Christus. Meditationen zu den Sonntagsevangelien Lesejahr B. Freiburg im Breisgau: Herder, 2008.

  • Gundry, Robert H.. Mark. A Commentary of his Apology for the Cross. Grand Rapids: Eerdmans, 1993

  • Hurtado, Larry W.. Lord Jesus Christ. Devotion to Jesus in earliest Christianity. Grand Rapids: Eerdmans, 2003.

  • Yarbro Collins, Adela. Mark. Minneapolis: Fortress, 2007 [Hermeneia].

  • Zeyde, Maria H. van der. Een Tijding van Vreugde. Het Evangelie verhaald door Marcus. Nijmegen: Gottmer, 1976.

< Terug